Wereld Feesten Almanak


Bevrijdingsdag (Dita e Çlirimit)
Datum:
jaarlijks op 29 november




Bevrijdingsdag (Dita e Çlirimit)

Datum: woensdag 29 november 2017
Land / gebied: Albanië
Albani Ondanks vrijwel voortdurende vreemde overheersing hebben de Albanezen, vooral dankzij hun fysieke isolatie en eigen taal, gedurende 2000 jaar assimilatie kunnen weerstaan. Na meer dan 400 jaar Ottomaans bewind riep, tijdens de eerste Balkanoorlog, het Albanees Nationaal Congres op 28 november 1912 de onafhankelijkheid uit. Na 1914 werd Albanië vervolgens bezet door verschillende mogendheden,

In januari/februari 1916 werd Albanië bezet door Oostenrijk-Hongarije in het noorden, en door de Bulgaren in het oosten van het land. Montenegro begon met een beleg van de stad Shkodër in noord-Albanië.

Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog trokken de verschillende partijen zich terug. Als laatste verlieten de Italianen in 1922 het land.. De huidige grenzen werden vastgesteld in 1921. In 1925 werd Albanië een republiek en Ahmet Beg Zogu werd tot president gekozen. In 1928 liet hij zichzelf tot koning Zog uitroepen. Vanaf 1926 groeide de Italiaanse invloed in Albanië. In 1939 verloor het land zijn soevereiniteit en werd het een Italiaans protectoraat. Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd Albanië bezet door eerst Italië en later Duitsland. Tijdens deze bezettingsperiode werden de Albanese grenzen verlegd om Kosovo en de Albanese delen van Macedonië en Montenegro, evenals een deel van Noord-Griekenland te besturen vanuit Tirana. In 1946 riepen de Partizanen de (communistische) Volksrepubliek Albanië uit, ditmaal met de oude Albanese grenzen. De Volksrepubliek zou gedurende de volgende vier decennia worden geleid door Enver Hoxha (1921-1985, die het land bestuurde met terreur en onderdrukking). De eertijds goede relaties met Joegoslavië verslechterden na diens uitstoting uit de Kominform. Albanië knoopte nu nauwe banden aan met de USSR. In 1960 weigerde Hoxha het Stalinisme te verlaten en knoopte banden aan met de Volksrepubliek China. Toen na de dood van Mao in 1976 ook de relaties met China verslechterden legde Hoxha Albanië autarkie op. Na de dood van Enver Hoxha volgde Ramiz Alia hem op als leider van Albanië. Begin jaren negentig kwam, na de val van de muur, ook in Albanië steeds meer druk op het communistische stelsel te staan. Na een rommelige ineenstorting van het communistische systeem deed de democratie haar intrede. In 1992 vonden de eerste vrije verkiezingen plaats, die werden gewonnen door de Democratische Partij onder leiding van Sali Berisha, die president werd. Berisha ontpopte zich tot een controversieel politicus. Ondanks adviezen van het IMF, trad de regering niet op tegen de snel ontwikkelende piramideschema’s. Toen deze frauduleuze investeringsplannen begin 1997 in elkaar klapten en vrijwel de hele bevolking haar spaargeld verloor, stortte Albanië in grote onrust en anarchie. Een internationale militaire operatie was nodig om de orde te herstellen. Berisha trad af, vervroegde verkiezingen werden gewonnen door de Socialistische Partij. Nog maar nauwelijks bekomen van de chaos, die een half jaar aanhield, zag Albanië zich vanwege de Kosovo-crisis in 1999 voor de taak gesteld gedurende korte tijd 445.000 Kosovaarse vluchtelingen op te nemen. De positieve wijze waarop Albanië zich van deze taak kweet, oogstte internationaal veel lof. Hetzelfde geld voor de constructieve opstelling ten aanzien van regionale problemen (bijv. tijdens de Macedonië-crisis). Na afloop van de Kosovo-crisis is Albanië in een rustiger vaarwater terecht gekomen. In oktober 2000 en juni 2001 vonden gemeente(raads)-, c.q. parlementsverkiezingen plaats. Ondanks grootschalige verkiezingsmanipulatie door de socialistische regering, gingen de parlementsverkiezingen van 2001 voor de eerste keer in de jongste Albanese geschiedenis niet gepaard met geweld. Via politieke manoeuvres wist Fatos Nano zich te presenteren als de onbetwiste leider van de Socialistische Partij.

Op 3 juli 2005 vonden parlementsparlementsverkiezingen plaats die werden gewonnen door de Democratische Partij van Sali Berisha. De DP heeft 56 zetels bemachtigd; haar coalitiegenoten (inclusief de Agrarische Milieupartij en de Mensenrechten-eenheidspartij die de Griekse minderheid vertegenwoordigt) 25 zetels. Een regering van Sali Berisha mag daardoor rekenen op steun van 81 van de 140 zetels. De Socialistische Partij krijgt 42 zetels en haar coalitiegenoten 12 zetels. De Socialistische Beweging voor Integratie van oud-MP Ilir Meta krijgt 5 zetels. Regering en oppositie, ondanks dat beide elkaar regelmatig in de haren vliegen, staan op inhoudelijk vlak op grote lijnen een gelijkluidend beleid voor. Dit geldt zeker voor de buitenland politieke doelstellingen. Topprioriteit van alle Albanese politici is integratie in de Euro-Atlantische structuren. De regering volgt een ambitieus hervormingsprogramma dat zich richt op versterking van het openbaar bestuur, verbeterde handhaving van de openbare orde, macro-economische stabilisatie en economische ontwikkeling. Hoewel de intenties goed zijn, blijven de resultaten nog vaak achter.

Zie ook


Een feestdag in Albanië.