Het ontstaan van het Uddeler- en Bleekemeer
Het ontstaan van het Uddeler- en BleekemeerHet was in de tijd toen de reuzen de hemel bestormden en er in het Uunnilo een grote slang woonde. De ruwe reuzen - vazallen van de machtige Winterreus - waren de strijd tegen de Zomergoden begonnen. Van zand uit de wolfskamer kruiden ze de Woldbergen op; maar Thunar de geweldige Dondergod hield hen nog in bedwang.

Reeds wapperden enkele najaarsnevelen over de wouden, als grauwe vanen van het naderende winterleger, en grote wolkwolven worstelden met de Zonnegod. Woest gromde dan de Donderaar in zijn rode baard, zodat de reuzen een wijle angstig weken. De reigers en de zwaluwen, verschrikt en angstig geworden door de beginnende strijd, vluchtten op snelle wieken zuidwaarts.

De Winterreuzen trokken zich samen in het woud en riepen daar de hulp in van de grote monsterslang, die door haar dodende adem de bladeren van de bomen deed verkleuren en verdorren, en waar ze gekropen had, verrezen giftige zwammen. In dat woud van helrode en giftig gele kleuren sloten de reuzen een verbond met de slang. De bomen ontroerden zozeer van dit vreselijk verdrag, dat ze veel bladeren lieten vallen.

De volgende dag kronkelde de slang zich om de hoogste eik naar boven om haar gif in de hemel te braken, en de reuzen wierpen met handen vol hagel. Van alle zijden trok nu Thunar zijn grote wolkgevaarten samen om de toegang te versperren. Van ver over de eindeloze wolkvelden kwam hij zelf aangereden in zijn woest rollende, met twee zwarte bokken bespannen, wagen. Als een rode vlag flapperde zijn baard in de wind en de bokken sloegen met hun hoeven de vonken uit het plaveisel. De hele hemel stond in vuur en mokerslagen dreunden dat de aarde er van schudde.

Daar hief de slang haar geweldige kop met opengesperde kaken door de wolken omhoog en blies haar stinkende adem in het blauwe hemelgewelf, dat opeens zwart werd. Toen hief Thunar de nooit missende dondermoker en liet hem bliksemend neerkomen op de slangenkop, met zoveel kracht dat het reuzenmonster verpletterd ter aarde stortte en de moker nog zeven mijlen diep in de trillende aarde drong.

Krakend stortte de hoge eik met zijn last in de diepte. Door het verzengende bliksemvuur steeg een verpestende stank op van het schroeiende gif. In vuilbruine wolken walmde het om het gouden hoofd van de Dondergod. Hij wankelde in zijn strijdwagen en duizelde zwijmend achterover. Met een vreselijke slag stortte hij uit de hemel ter aarde, dicht bij de plek waar hij de slang verpletterd had. Het was of het heelal uiteen scheurde en de wereld uit haar voegen werd gerukt. Zijn lege wagen achter de op hol geslagen bokken zonder bestuurder, raasde in woeste vaart daverend over de wolkenweg voort en stortte eindelijk op de Donderberg neer. Toen werd het stil en de aarde zonk weg in de zee.

Ver over de velden van wellende wateren daalde de nacht en torenhoog bruisten de golven hun schuimkruinen op.

Daar scheurde aan de kimmen het wolkenkleed vaneen. De Zeegod blies op zijn schallende horen en kwam in zijn groot donker schip over de wijde wateren aangevaren. Hij nam de dode Thunar mee. Nu kwam de ijsbergenvloot van de witte Winterreuzen uit het noorden aangedreven en deed het godenschip van de wateren vluchten.

Veel droeve tijden verliepen, waarin de ontzaglijke Winterreus opperheerschappij voerde.

Nadat de aarde weer droog geworden was bleven er twee meren achter, die zo diep zijn als de wereld. En het ene noemde men het Uttiloch en het andere het Godenmeer of Witte meer. En de plaats waar de bokken vielen noemde men Dieren.

Waarschijnlijk werd aan het Godenmeer de Dondergod aangebeden, en toen Thunars hamer, die vanzelf weer uit de diepte was opgerezen, bij het andere meer gevonden werd, stichtte men daar een heilige offerplaats en brandde er de houtstapels der doden.

Het bos groeide weer om de beide meren op en het groeide zo snel, dat het weldra over het Uttiloch - waarin nog steeds het monster begraven lag - dreigde heen te groeien om elk bewijs van zijn bestaan uit te wissen. De planten rankten over het water en de wortels woekerden in het wier. Maar op een dag - er woonden toen allang mensen bij de kleiner geworden plas - kwam de hele hel en onderwereld hiertegen in verzet. Een helse vlam sloeg op uit de kolk en al de vuurduivels wrongen zich naar boven.

Juichend joegen zij door het woud, verbrandden het veen en heel het grote bos. Hoog langs de lucht lekten loeiend de vlammen, uit een walmende rook wrong de geest van de reuzenslang zich kronkelend omhoog en vluchtte pijlsnel voort. Het grote fiere woud was vernield en werd een woeste kale vlakte, waarin nog de beide meren liggen.

Naderhand - toen de mensen christenen geworden en de oude goden verdreven waren - vertelde men tot op de huidige dag, dat er in het Bleekemeer een gouden kalf gezonken is. Maar dat was zo bij wijze van spreken, omdat het een heidense god was die daarin verzonk.



Bron: "Veluwsche sagen" geschreven en verlucht door Gust. van de Wall Perné. Uitgegeven te Amsterdam bij Scheltens & Giltay, 1921, p. 19-25.