Info: Het Duivelshuis van Arnhem
SAMENVATTING:
De legeraanvoerder van hertog Karel van Gelre laat een huis bouwen achter de Eusebiuskerk van Arnhem. Deze sage probeert te verklaren waarom het huis 'Het Duivelshuis' is gaan heten.

TOELICHTING:
'Het Duivelshuis / Huis van Maarten van Rossum' ligt aan de Koningstraat 38 te Arnhem. Het is gebouwd in 1538, vermoedelijk door stadstimmerman/schepen Arndt Johanns toe Boecop. Sinds 1968 is het een deel van het stadhuis/gemeentehuis Arnhem.

Het Duivelshuis van ArnhemWaar nu het Duivelshuis staat, stond vroeger een stadsboerderij (hofstede). Deze woning was eerder het bezit van Johan Mynschart die tussen 1444 en 1463 schepen (=wethouder) en burgemeester van Arnhem was. De weduwe van Johan Mynschart, joffer Aleit Hopmans, verkocht het huis in 1487 aan Margaretha van Wilp. Even later kwam het in eigendom van het klooster Mariëndaal bij Oosterbeek.

Het huis werd in 1518 eigendom van hertog Karel van Gelre. Na de dood van de hertog in 1538 werd uit diens erfenis het huis op 13 januari (St. Pontiaenavond) 1539 verkocht aan de veldheer van de overleden hertog: Maarten van Rossum.

De beruchte krijgsheer liet het woonhuis in 1543 verbouwen en zo kreeg het huis zijn officiële naam: ‘Huis van Maarten van Rossum’. Tijdens de verbouwing liet hij de vroeg-renaissancistische pronkgevel aanbrengen en werden er grote overwelfde kelders in het gebouw aangebracht. Maarten van Rossum stierf op 7 juni 1555 in Antwerpen, nadat hij in een veldtocht bij Givet (in het zuiden van België) de pest had opgelopen en bleef kinderloos achter. De erfgenamen van Maarten van Rossum verkochten het pand in 1575.

Het huis kwam in de 150 jaar daaropvolgend steeds in andere handen. Eigenaar Carel Otto van Westeren liet tussen 1770-1780 de kruisramen vervangen door schuiframen. Ook verwijderde hij de beelden op de gevel. De saters onder de grote erker werden steeds met rust gelaten.

Uiteindelijk kocht de gemeente Arnhem in 1828 voor fl 13.475,00 het Duivelshuis aan als stadhuis ter vervanging van het vervallen stadhuis op de Markt. Een grote restauratie volgde in diezelfde periode en het pand kreeg een geheel ander aanzien. Het renaissance-uiterlijk verdween voor een belangrijk deel. Zo werden andermaal de beeldhouwwerken verwijderd en werd de 16e eeuwse dakconstructie vervangen. In 1830 werd het Duivelshuis in gebruik genomen als stadhuis. In 1898 werd onder leiding van architect C. Muysken uit Amsterdam het pand weer in historische stijl hersteld. Een derde restauratie onder leiding van architect W.H. Tiemens tussen 1965 en 1967 liet het Duivelshuis opgaan in het nieuwe stadhuis. Bij deze restauratie knapte beeldhouwer Giuseppe Roverso uit Nijmegen de saters op en vervaardigde de zes beelden bovenop de gevel.

Het Duivelshuis dankt zijn naam aan de saters; wezens met het onderlichaam van een bok en het bovenlijf van een mens. Een sater is een duivel. Er zijn verschillende verhalen in omloop waarom Maarten van Rossum deze saters op zijn huis liet aanbrengen.

Het eerste verhaal is dat het Arnhemse stadsbestuur het Van Rossum verbood om de stoep voor het huis niet met stenen, maar met zilveren geldstukken te plaveien. De veldmaarschalk was zo kwaad over dit verbod dat hij als wraak de duivels liet aanbrengen om zo het bestuur en de bevolking schrik aan te jagen.

Een tweede verklaring is dat Van Rossum een tegenwicht wilde bieden aan de vrome afbeeldingen op de Grote of Eusebiuskerk.

Een volgende uitleg is dat de beelden zijn geplaatst als symbool voor Maarten van Rossum zelf. Op zijn veldtochten zaaide hij dood en verderf, net als de duivels dat doen.

De laatste, en meest waarschijnlijke verklaring, is dat Van Rossum op één van zijn veldtochten in Mechelen soortgelijke huisversiering zag en daarop besloot deze ook op zijn huis aan te brengen. En kwestie van smaak dus.

Zie: www.arneym.nl