Het Dokkumse spookhuis
Het is nog niet zo heel erg lang geleden dat er in de buurt van Dokkum een huis stond waar het spookte. Elke nacht tegen twaalf uur was er in een van de kamers van het oude huis altijd een verschrikkelijk lawaai te horen. Op een gegeven moment had men die kamer ontruimd. Alle meubels werden eruit gehaald, want er was niemand die daar nog wilde slapen. Alleen een krakkemikkig bed bleef staan, omdat niemand wist waar ze het moesten laten.

Op een keer kwam er een oud, arm vrouwtje, dat al weken lang over straat had gezworven, bij het huis aan. De storm ging tekeer, en de donkere hemel had, als een onuitputtelijke fontein, stromen water over akkers en wegen uitgegoten. Buiten de steden en dorpen was de aarde een grote blinkende plas met slechts hier en daar een eilandje van klinkerstenen. De takken van de bomen bogen door onder het aanhoudende geweld van de regen en de bladeren konden de stroom niet meer tegenhouden.

Het water was in de schoenen van de arme vrouw gesijpeld, druppel na druppel had het zich een weg gebaand, straaltjes volgden de weg van de druppels, golfjes op hun beurt de straal-tjes. Ze sopte door de plassen op het veld. De regen die van boven kwam, was nog erger te dragen. In het begin had de oude vrouw haar rok over 't hoofd geslagen, ze hoopte onder deze zelfgemaakte paraplu de aanhoudende stroom enigszins op te kunnen vangen. Het had geen zin. Het stukje armoedige katoen bood geen enkele bescherming. Ze gaf het op. Het water gutste nu op haar blote hoofd, en vandaar sprong het als een vloed naar beneden, langs heel haar magere lichaam tot op de schoenen, waarvan de zolen al doorweekt waren.

Toen ze zo over velden en wegen liep, had de regen vrij spel over haar gekregen, en evenmin als de bladeren van de bomen het water belemmerden, vormde de vrouw een noemenswaardige hindernis. De stroom liet zich aan niets of niemand iets gelegen liggen. Het water kletste, kledderde van haar hoofd en schouders op de grond. Zij regende zelf al even erg als de donkere wolken boven haar!

Men kan begrijpen hoe blij ze was, toen er eindelijk een huis in zicht kwam. Wat ze anders nooit deed, deed ze nu. Ze belde aan.

"Ze kunnen me wegjagen als ze willen," bedacht ze, "maar iets anders dan wegjagen kunnen ze niet, en er bestaan ergere dingen op de wereld."

Tot haar verwondering vroeg men - nadat ze had verteld waarom ze kwam heel beleefd, of ze niet binnen wilde komen. Men liet haar in de gang staan, zo druipnat als ze was. Een paar kinderen aan het eind van de gang stonden heel bedremmeld te kijken, of ze een oud vrouwtje uit een sprookje was. Ze moest erom lachen, want ze hield veel van kinderen. Ze knikte ze nog eens vriendelijk toe, al kwam daardoor nog meer water uit haar verwarde haren stromen.

Een mannenstem klonk door het portaal en er kwam een oude heer op haar af.

"Wou je hier overnachten, vrouwtje?" "Als mijnheer het goed vindt?!" "En ben je bang?" "Waarom zou ik bang wezen?" "Zou je in een spookkamer durven slapen?" "In iedere kamer, al waren er duizend spoken!" "Ga maar mee, dan zal ik je de kamer wijzen!" Ze liep gedwee met hem mee.

"Zonde van de mooie gang," fluisterde ze toen ze de plassen water zag die zich achter haar vormden.

"Maak je daar maar niet druk over," zei de deftige heer, "als jij vannacht in de spookkamer slaapt, ben ik tevreden. Dan kan er misschien een einde aan komen."

Aan de kamer was niets bijzonders te zien. Het vertrek was leeg, op het oude bed na. Bij het raam was een grote vensterbank gebouwd; daar ging de heer op zitten en hij keek het oude verregende vrouwtje doordringend aan. "Ben je echt niet bang?" "Als mijnheer zo lang in de regen had gelopen als ik, zou hij ook niet bang meer wezen. Ik ben veel te moe om bang te zijn." "Dus je wilt meteen gaan slapen?"

"Als mijnheer een handdoek heeft om me af te drogen? Want ik ben van binnen en van buiten zo nat als een regenton! Dan duik ik dat lekkere bed in."

"Is dat alles? En handdoek?" riep de oude heer verrukt. "Vrouw, al wil je er tien hebben!"

"Zoveel als mijnheer kan missen, 't Komt op eentje meer of minder niet aan. Brrr!"

Toen kwam er een jong dienstmeisje aantrippelen met een stapel handdoeken, maar het oude vrouwtje bleef nat, hoe hard ze zich ook wreef. Toen ze het meeste water er toch afgekregen had, hulde ze zich in het warme nachtgoed en stapte met een zucht van tevredenheid in bed.

Ze droomde van de regen, die buiten op de grond donderde, en ze sliep door, terwijl de klok acht sloeg, negen, tien, elf, en twaalf. Het spook kwam en ging, zonder dat ze er iets van merkte. Ja, het was al laat in de ochtend, toen ze wakker schrok van een geluid. De deur piepte, en een klein meisje, het kleindochtertje van de oude mijnheer, keek nieuwsgierig om het hoekje van de deur. 't Oude vrouwtje lag heel netjes in haar bed, met een hagelwitte, geplooide nachtpon die tot aan haar hals sloot en een pas gestreken muts met kantjes om haar kin gebonden: "Kom maar binnen, schatje!" "Ben jij het regenvrouwtje?" vroeg het kleine meisje. "Ja, wat heb je een mooie naam voor me bedacht! En hoe heetjij?"

"Webkje."

"En hoe oud ben je dan?" "Vier jaar, en de volgende week ben ik jarig!" Het regenvrouwtje was rechtop in haar bed gaan zitten. Het kleine meisje keek haar peinzend aan. "Hoe komt het dat je nou niet meer regent?" "Ik heb lekker tussen droge lakens en warme dekens geslapen."

Op de gang klonk een strenge stem. 't Kleine meisje liep verschrikt weg.

"Grootvader! Hij heeft gezegd dat ik hier niet mocht komen!" Het regenvrouwtje voelde zich beledigd dat de oude heer het meisje had verboden haar te bezoeken, alsof ze een gevaarlijke toverkol was. Ze dacht er niet aan dat de spookkamer verboden terrein voor de kinderen in huis was. In haar ergernis wilde ze zonder ontbijt vertrekken, al stroomde, stroomde, stroomde het water uit de lucht. Ze kleedde zich haastig aan, en sloop de gang door, de trap af... ineens bedacht ze zich. Ze wilde zich toch niet laten kennen en vond dat ze voor de verleende gastvrijheid moest bedanken.

Voor de verschillende deuren bleef ze aarzelen, omdat ze niet wist bij welke ze aan moest kloppen. Eindelijk vatte ze moed, en ze tikte zomaar ergens. Een dikke, gezonde keukenmeid stak haar hoofd buiten de deur. Ze sloeg de handen in elkaar toen ze het oude vrouwtje zag. Daarna riep ze zo hard als ze kon: "Mevrouw! Mevrouw! Heren! Kom eens kijken!" De hele familie kwam aanrennen. Voorop liep de oude mijnheer die haar de dag tevoren had ontvangen. Hij schudde het hoofd, en zei: "Wou je weggaan zonder ons te vertellen, wat er vannacht gebeurd is?"

"Gebeurd? Er is niets gebeurd! Ik heb geslapen!" "Is er dan geen spook geweest? Maar ik heb gestommel gehoord in je kamer!"

Het oude vrouwtje schudde op haar beurt het hoofd, en keek de heer met een trouwhartige blik aan. "Zal ik vannacht nog een keer op de kamer slapen, en dan beter opletten, of het spook komt?"

"Ja, als je dat wilt doen, heel graag! In de keuken zullen ze voor je klaarmaken, wat je maar lust."

De daaropvolgende nacht sliep het oude vrouwtje dus weer in de spookkamer. Ze had goed gegeten en gedronken, en ze voelde zich zo behagelijk, als had ze nooit in de regen gewandeld. Ze was heel vroeg gaan liggen, want ze wilde tegen twaalf uur wakker zijn. Ze viel in een lichte slaap. Tegen middernacht werd ze wakker van een geluid, en ze richtte zich onmiddellijk op. Hoewel het buiten pikdonker was, scheen er in de kamer een blauw gedempt licht. Ze wreef zich de ogen uit en probeerde iets te onderscheiden. Waar kwam dat licht vandaan? Zou ze om hulp roepen?

Het was te laat. Bij de vensterbank liep iemand heen en weer met regelmatige voetstappen, als een schildwacht. Angst voelde het oude vrouwtje niet. Ze ging op haar knien zitten, en boog zich over de bedrand heen. De man die op en neer marcheerde, hield zijn passen in.

"Wie ben je?" vroeg het oude vrouwtje heel beleefd. De kerel bij de vensterbank kwam dreigend op haar toe, balde zijn vuisten en hield de knokkels vlak bij haar ogen. "Wil je wel eens gaan slapen?" donderde hij. "Ik heb vannacht al meer dan genoeg last van je gehad!"

Het oude vrouwtje zuchtte, en zette toen haar slaapmuts wat steviger op haar hoofd. "Als je erop staat, zal ik wel weer gaan slapen. Maar schiet een beetje op, alsjeblieft?!"

"Nou!" mompelde het spook, die duidelijk niet gewend was aan weerwoord, "al te bang schijn je me ook niet te wezen." Het oude vrouwtje was op de rand van het bed gaan liggen en ze hield haar ogen half dicht, zodat ze ze meteen kon sluiten als de man naar haar zou kijken. Door het smalle kiertje tussen de wimpers kon ze precies genoeg zien.

Het was een lange, magere kerel, met een vuile pet op, en hij droeg kapotte laarzen aan zijn grote voeten. De broekspijpen eindigden in lange rafels, en in de mouwen van zijn jas waren gaten gevallen. Op zijn kraag lag een dikke laag stof. "Hij heeft vast nooit iemand gehad, die eens naar hem omgekeken heeft," dacht het oude vrouwtje medelijdend. Plotseling slaakte hij een vreselijke gil, en hij liep op de vensterbank af. Met zijn nagels sloeg hij in het hout, en hij bleef huilend liggen. Weer richtte het oude vrouwtje zich op, om beter te kunnen zien wat er aan de hand was, maar nu wat voorzichtiger dan de eerste keer. Gelukkig maar, want met n sprong was de gestalte weer bij haar en zij had nog net de tijd om zich achterover te gooien. Ze deed of ze snurkte, maar ze voelde dat de ogen van het spook in haar vel brandden. De man schudde woest zijn vuist, waarbij zijn vingers tegen elkaar klapperden. Klapper deklapklap.

Toen werd het regenvrouwtje pas goed bang. Ze heeft er later vaak van verteld, toen ze weer door het land zwierf. Haar bloed stond stil en ze voelde haar hart zwaar in haar lichaam wegen. Het leek of zijn buigzame knokkels zich om haar keel sloten. Ze wist: dit doet hijl, en ze zag kleurige ballen, groen en paars en diepblauw uit elkaar spatten, als vuurwerk, terwijl ze haar ogen stijf dicht hield.

Hij boog zich over haar heen, en zijn adem maakte haar zo koud, als lag zij op bevroren grond. Ze kon zijn nabijheid niet langer dulden: ze verstarde over heel haar lichaam en raakte in doodsnood. Met moeite strekte ze haar handen uit, terwijl ze rochelend ademhaalde. Toen hoorde ze de stem van het spook in haar oren:

"Blijf liggen en kijk niet naar wat ik doe." Dit hoefde hij niet te zeggen, zolang hij zo dicht bij haar in de buurt was. Maar terwijl hij weer naar de vensterbank liep, kon ze de verleiding niet weerstaan en opnieuw richtte ze zich iets op. Ze zag dat hij timmermansgereedschap uit zijn witte, wijde jas haalde, een hamer, een vijl, en een zaag, en deze smeet hij op de grond zodat het rinkelde. Toen draaide hij zich dreigend om, om te controleren of ze hem beloerde. Onmiddellijk liet het regenvrouwtje zich achterover vallen, en ze sloot de ogen. Hij sloop donker naar haar bed - als een koude tochtwind naderde hij - en boog zich over haar heen. Hij wilde zien of zij werkelijk sliep en zo dicht kwam zijn gezicht bij het hare, dat ze de lijklucht van zijn adem rook, en zich moest beheersen om niet op te springen van walging.

Oef! Hij was verdwenen, gelukkig. Nu hoorde ze, dat hij de vensterbank openbrak. Ze kon het in haar bed niet meer uithouden van nieuwsgierigheid. Ze tilde de benen over de rand, zette de voeten geluidloos op de grond, boog haar hoofd opzij en sperde haar ogen open om beter te kunnen zien. Ze leek nu op een vogel die voer verwacht van zijn ouders. Bijna op hetzelfde ogenblik draaide het hoofd van het spook zich naar haar toe, en ternauwernood kon het oude vrouwtje haar benen binnen bed slingeren, de dekens over zich heen trekken en de ogen dicht doen.

Met n stap stond de geest voor haar, en ze voelde dat hij haar argwanend bekeek. Dapper dacht ze, terwijl zij de ogen met alle geweld gesloten hield: "Laat hem maar denken dat ik slaap, maar straks zal ik zien wat hij daar doet." Toch bleef hij lange tijd naar haar staren, zodat op het laatst een andere angst in haar opkwam. Stel dat hij daar eens bleef staan tot de klok twaalven sloeg! Dan zou ze niemand kunnen vertellen, wat hij eigenlijk uitspookte.

Ze begreep dat ze sterker moest zijn dan haar vrees, en ze wist zich zo goed te beheersen, dat haar ademhaling rustig leek als van een diep slapend kind. Haar handen, door 't maanlicht beschenen, lagen bewegingloos op het kussen en het model van haar mager lichaampje was stijf in de dekens gegoten, zoals een gipsen beeld in zijn vorm. Eindelijk besloot het spook weg te gaan van haar bed.

Ze hoorde zijn voetstap, en zijn nevelige gedaante was nog niet bij de vensterbank of zij had zich alweer opgericht en tuurde met nieuwgierige blik naar zijn werk. De slagen van zijn bijl dreunden dof tegen het hout, en tenslotte spatte het bovenstuk van het onderstuk af; tegelijkertijd rolden de dukaten, de gouden tientjes, de rijksdaalders rinkelend op de grond, achter elkaar aanjagend in witte en gele kringen. Nu had hij geen aandacht meer voor het bed waarin het oude vrouwtje lag, want zijn ogen keken en zijn handen grepen bijna in een en dezelfde seconde.

Hij ging op de grond zitten, en verzamelde al het goud en het zilver dat nog in de vensterbank was gebleven en dat over de vloer rolde, om zich heen. Toen legde hij al het geld op hoopjes, en hij telde, hij telde, en hij hertelde, terwijl hij intussen vreselijk zuchtte.

Het oude vrouwtje durfde niet te ademen. Ze hield zich klaar om dadelijk, bij de geringste beweging van zijn hoofd in haar richting, haar bed in te duiken. Hij was echter helemaal in beslag genomen door het geld. Eindelijk stond hij met een laatste benauwde zucht op, stopte het goud en zilver weer in de vensterbank, hamerde de plank erop, en verdween gillend met de laatste slag van twaalven.

Na deze vreselijk spannende nacht, kon het arme, oude vrouwtje met geen mogelijkheid nog slapen. Ze had het gevoel alsof er in elke hoek van de kamer vreemde wezens met vurige ogen naar haar zaten te staren! De nacht leek eindeloos lang te duren. Buiten ruiste de regen, het ging maar door, en ze probeerde zich voor te stellen hoe ze de volgende ochtend - die misschien wel nooit aan zou breken - over de velden zou dwalen, met een blauwe hemel boven haar en de horizon in haar ogen. Ze verlangde met heel haar wezen naar het daglicht. Eindelijk was het zover. Buiten, boven de donkere, plassende regen kleurden de wolken zich grijs: het licht, mat en zwaar, verspreidde zich uit het oosten naar de rest van de wereld. Het oude vrouwtje was op het laatst toch een beetje ingedommeld, maar toen ze zich bewust werd van de schemer, sprong ze met een kreet van blijdschap haar bed uit.

Snel kleedde ze zich aan, en - de deur piepte - ze ging naar beneden. Niemand had haar gehoord. Rijkelui kunnen blijven slapen zolang ze willen en daarom hebben ze zachte kussens van fijne veren of zwanendons, met slopen van satijn.

Het oude vrouwtje wachtte geduldig in de mooie kamer. Nu had ze niets meer te vrezen. Er waren al mensen op in het stadje: een wagen reed langzaam voorbij, en ze hoorde twee mannen met elkaar praten.

Eindelijk kwam er ook beweging in het huis. Een slaperig dienstmeisje stak haar hoofd om de deur, en schrok toen ze het vrouwtje aan de tafel zag zitten. "Is het spook geweest?"

"Ja! En maak je baas maar wakker. Er is heel veel geld in de vensterbank boven!"

In een oogwenk was de dienstmeid verdwenen, en al heel gauw was iedereen in de woning op. Men ging in een kring om het oude vrouwtje heen staan en zij vertelde in geuren en kleuren wat zij de afgelopen nacht gezien en gehoord had. Zij had rode wangen van opwinding en knikte, bij het opnieuw beleven van haar avontuur telkens met haar hoofd.

Men wilde haar eerst niet geloven. Had zij niet gedroomd? Ze glimlachte. Nee! Ze wist het zeker. Ze hoorde in haar oren nog de hamerslagen van het spook.

"Ga maar kijken. Dan zal de rijkdom jullie in de schoot vallen."

Men geloofde haar nog steeds niet toen men de vensterbank openbrak. Daarna moest men haar echter wel geloven! Want het geld sprong, net als de vorige nacht, over de vloer. Ho! Wat hadden die gouden tientjes een haast om uit hun gevangenschap te komen. Ze wisten wel dat ze niet in een cel hoorden, ze moesten de wijde wereld in, en daar veel kwaad en veel goed doen. Ze moesten de misdaad wekken en de misdaad bestraffen, en ze moesten de spieren van de mensheid sterk maken. En de rijksdaalders en de guldens, ja de kwartjes en de dubbeltjes volgden elkaar steeds sneller op, zoals na een zachte bui een piasregen valt. Wat hadden ze een haast, om de woorden van het oude vrouwtje waar te maken. De kinderen gristen en grabbelden.

Toen begon men elkaar te vragen, wat er toch wel ooit in het huis gebeurd kon zijn, en men dacht lange tijd na over de vreemde geschiedenis. Eindelijk zei de oude heer dat er enige tijd geleden een gierigaard had gewoond, een man die niet om God en gebod gaf en geen liefde en mededogen kende. Ooit had hij een oude zieke man, die de huur niet kon betalen, op straat gezet. Hij had het geld lief, als een bloem het licht: hij kon niet zonder leven. Ieder dubbeltje dat hij moest uitgeven, scheen hem aan de handen te blijven plakken en met moeite schudde hij het af.

Wie z denkt en doet, zal, hoe dan ook, een misdadiger worden. Wie overdag niets anders doet dan over zijn geld waken, droomt er ook 's nachts over, en in het duister rijpen de sluwe plannen, die in het daglicht uitgevoerd gaan worden. De handen van een gierigaard beven 's ochtends van begeerte, zoals van iemand die teveel drinkt, om het geld tussen zijn vingers te voelen. De een leent geld tegen woekerrente, de ander heelt of bedriegt, of laat anderen voor hem smokkelen. Maar ze belanden lang niet allemaal in de gevangenis! Nee, velen zijn zelfs tijdens hun leven gerespecteerde burgers, want geld oefent op iedereen een zwarte macht uit.

Ook deze gierigaard was zo'n slecht mens geweest: men wist niet veel van hem, maar dit wel. Er deden veel verhalen de ronde. Men vertelde hoe hij zonder nadenken het huis van een gezin had verkocht dat altijd braaf de huur had betaald, enkel en alleen omdat hij belust was geweest op een snelle winst. Wat een vloek!

Hij stierf zonder dat iemand zich om hem bekommerde. Hij werd van de armen begraven, omdat men geen cent vond in het grote huis, hoeveel geld hij daarvoor ook had opgenomen. Waar kon het gebleven zijn? Men zocht het hele huis af, speurde in alle hoeken en gaten. Men keek elke centimeter in de kasten na, maar er hingen alleen afgedragen kleren in. Niemand heeft ooit aan de vensterbank gedacht, want wie zou vermoeden dat je in een vensterbank geld kan verstoppen? Zolang men de schat nog niet had gevonden, keerde de vrek naar deze kamer terug. Iedere nacht moest hij voor straf het geld tellen, precies zoals hij het tijdens zijn leven had gedaan, net zo lang tot het weer onder de mensen zou rollen. "Nu zal hij niet meet terugkomen," zei de oude heer. "Wat zou hij nog bij ons moeten doen? Op het kerkhof is zijn plaats en zijn geraamte blijft in de doodskist geklemd." "Is dat waar?" vroeg het oude vrouwtje verrukt. "Dan heb ik hem verlost."

"Ja, en daarvoor mag je bij ons blijven!"

"En wat moet ik hier dan doen? Nee, nee, over de weg moet ik gaan, onder de bomen staan, zwerven en... sterven." Ze legde de versleten rok over haar hoofd, en ze keek niet een keer om. De regen sloeg nog steeds over de wegen, en de wind striemde. De kinderen riepen haar wat na, woorden van kinderen, die alleen oude mensen begrijpen die veel hebben gezien, en ze glimlachte, terwijl het water weer in haar schoenen drong...

1



Bron: "De mooiste Nederlandse sagen en legenden." Uitgegeven door:Verba: Hoevelaken, 1999. ISBN: 90 5513 369 8