Het Aamsveen
Langs de rijksgrens, onder Enschede, strekt zich het Aamsveen uit, een verlaten vlakte, waarin het water van de poelen en kuilen blinkt. Vroeger kwamen overdag de boeren uit de es om turf te steken. 's Nachts echter waagden zij zich daar niet, want het was er niet pluis in het veen. De 'hè-mannekes' zwierven er rond; als dwaallichten dansten ze over de moerassen en riepen voortdurend hun eentonig "hè hè! hè!" en bij het Grondeloze Meer zat een oud gerimpeld wijf, dat helemaal in het wit gekleed was, te spinnen. Uit de verte hoorde je al het rrr! rrr! rrr! van haar spinnewiel.

Het Aamsveen
Bij het Grondeloze Meer doolt ook een geest, die daarheen werd gebannen, omdat hij op alle zondagen en heilige dagen had gejaagd. Elke nacht is hij bezig om met een vingerhoed het meer leeg te scheppen en pas wanneer hem dat gelukt is, zal hij rust vinden. Hij heeft het vooral op jagers en stropers voorzien. Vandaar, dat er maar weinigen de moed hebben om diep in het veen te jagen, hoewel er veel wild zit.

Een keer zwierf er een stroper uit Lonneker in het Aamsveen met zijn geweer in de hand. Plotseling werden de rietpollen vlak bij hem terzijde geschoven en een klein zwart kereltje kwam te voorschijn, die zei: "Wat heb je daar een mooie pijp!" Voordat de stroper het in de gaten had, had hij hem het geweer ontrukt en de loop in de mond gestoken. Daar begon hij te dampen, dat de rook uit het geweer omhoog kronkelde. De stroper liet zijn geweer in de steek en liep wat hij lopen kon. Nooit, bij nacht of dag is hij meer in het Aamsveen teruggeweest.

Op Dankdag ging een jager eens met een drijver op jacht bij het meer. Nauwelijks waren zij daar of hij kreeg een dikke haas voor de loop. Aanleggen, mikken, schieten, het was het werk van een ogenblik. Hij was een goed schutter; de haas tuimelde om en om en bleef liggen. De drijver liep erop af, maar toen hij de haas bij zijn lange oren wilde vatten, zag hij dat er alleen maar een eikentak lag, die rats door midden was geschoten. "Mijnheer, mijnheer," riep hij uit, "het is hier niet pluis. Laten we gauw maken dat we wegkomen, anders moeten wij de jager van het Meer nog gezelschap gaan houden."

Er zaten wel meer vreemde hazen in het veen. Een heel oude baas die altijd aan de haard van zijn neef, de boer van het Aamsveen, zat, wist daarvan te vertellen, want hij had zelf wat meegemaakt. Op een keer, toen hij aan het turf steken was in een veenkuil, keek hij op en zag een haas, die recht op hem af kwam lopen. "Wat is dat nu," dacht hij, "heeft het dier er dan geen erg in dat ik in de kuil sta?" Maar nee, het kwam steeds dichterbij, en toen het aan de rand van de kuil stond, zag oompje dat het aan ieder oor een kannetje had hangen, zoals die over de grens in Ochtrop gebakken worden. De kannetjes klikten en tikten tegen elkaar, terwijl het dier al maar sneller om de kuil heen begon te lopen. Oompje schrok er van, zoals je wel begrijpen kunt. Hij nam zijn turfspaan in beide handen: "Als je dichter bij komt, beest," dacht hij, "dan sla ik erop." Plotseling nam de haas een sprong en vloog tegen oompje op met zo'n vaart, dat hij de turfspaan liet vallen en achterover viel. Toen hij weer bijkwam lag hij in de bedstee, want de boer en zijn knechts waren hem 's middags gaan zoeken en hadden hem bewusteloos in de kuil gevonden en naar huis gedragen. Pas na acht dagen mocht hij weer opstaan, zo had de ontmoeting met de haas hem aangegrepen.

Op een andere boerderij in de Enschedese es diende eens een knecht die voor dood noch duivel bang was. Het was een Hollander, die de streek niet kende en zich daarom niets aantrok van de vele geesten die er ronddoolden. Eens was hij aan het werk in de veenkuilen, toen het 'hè-manneke' begon te roepen: "Hè, hè, hè!" Wat niemand anders gewaagd zou hebben, deed de knecht, hij begon het manneke na te bouwen: "Hè, hè, hè!" Al driftiger riep de geest en hij kwam steeds dichterbij. Opeens was hij er. Een trillende blauwe vlam vloog om de kuil. Toen zweeg de knecht, maar het was al te laat. De vlam flakkerde door de lucht en zette zich vast in zijn nek. De jongen begon om zich heen te slaan en zich te verweren met zijn armen en benen, hij wierp zich languit op de grond en sprong uit de kuil, maar het hielp niets. Het vlammetje zat er en bleef er zitten. Ten einde raad vluchtte de jongen naar de hoeve, maar ook daar konden ze hem niet helpen. In zijn benauwdheid kroop hij over de deel en door de keuken en altijd maar zat het vlammetje in zijn nek. Toen kwam gelukkig de boerin uit de kamer met een gewijde kaars in de hand. Het helse vlammetje kon dat stille klare licht niet verdragen. Het vloog op, zweefde langs de zolderbalken en verschool zich in de grote zeef, die aan de wand hing. De zeef maakte zich los en vloog door de open deur naar buiten in de richting van het Aamsveen. Een tijdje later werd zij daar teruggevonden en op de dag van vandaag wordt ze nog gebruikt op de hoeve om de rogge te wannen.



Bron: "Nederlands Sagenboek" door Jacques R.W. Sinninghe. Kruseman's Uitgeversmaatschappij NV, Den Haag, 1961.