Kaspar
De kleine Jo was vijftien geworden en dat betekende dat hij 'onderin ging'. En geloof maar dat hij daar trots op was. Hij was nu geen jochie meer; hij was een mijnwerker. Eentje van de Emma, de mijn van Hoensbroek. In het portiershuisje aan de Akerstraat hing nu zijn penning, zijn heel eigen penning.

Er was maar één ding dat Jokes plezier wat temperde. Dat was dat zijn grootmoeder helemaal niet blij was met zijn 'promotie' tot echte mijnwerker. Oma was Jokes beste vriendin. Ze had hem toen hij nog klein was vaak meegenomen naar de wei, naar de schapen, en de kippen en de ganzen. "Wielewielewiele," riep oma als ze met voer voor de ganzen de wei in ging. En "jiepejiepejiepe" als ze met gemengd graan voor de kippen kwam. Voor de schapen had ze zo'n woord niet; die kwamen vanzelf als ze oma zagen.

Oma had er niets over gezegd toen de kleine Jo 'onderin ging'. Maar eigenlijk vond ze het daar in die mijn voor Joke veel te gevaarlijk. Want hoe velen waren daar al niet dood gebleven? "Onder vallend gesteente bedolven," meldden de heren van de mijn dan. Maar zoals gezegd, ze praatte er niet over, over haar angst om Jo. Maar als Jokes dienst was afgelopen stond ze altijd voor het huis, onder aan de Kouvenderberg - uitkijkend tot haar jongen met zijn pungel naar beneden kwam. Dan ging ze gauw weer naar binnen. Maar Joke zag haar wel.

"Oma, maak je toch geen zorgen," had hij al vaak gezegd. "Mij kan niets gebeuren. Waar ik mijn werk heb, daar bij die Wettertür, daar wordt niet gehamerd of geschoten. Daar kan niks verkeerd gaan."

Die Wettertür zorgde ervoor dat het onder in de mijn niet te veel tochtte. Van boven af werd frisse lucht de mijn ingeblazen, en die ging er ergens anders weer uit. Zonder die Wettertüren zouden de kerels daar beneden altijd in de tocht staan, en dat zou niet goed zijn. Het waren geen echte deuren, maar zware leren lappen die van het plafond hingen.

De kleine Jo hield de wacht bij zo'n Wettertür. Hij moest die opzij houden als er mensen door moesten, of kolenkarretjes. En vervolgens moest hij de deur weer gauw dicht doen - vanwege de wind.

't Was op een dag dat er al een tijdje geen mensen en geen karretjes bij de Wettertür waren geweest. Joke was aan de kant ervan op een dikke steen gaan zitten en hij was half en half in slaap gevallen toen er toch iemand bij zijn deur kwam. Het was een vreemde kerel. Hij droeg wel mijnwerkerskledij maar toch was het geen echte mijnwerker, dat kon je zo zien. Het was een oude man, met een lange witte baard en een stok die hij bij het lopen nodig had.

"Goeden dag," zei de vreemdeling toen hij bij Jo aan de deur kwam.

"Eh, goeden dag," zei Joke. "Wie… wie bent u als ik vragen mag?"

De oude man lachte even. "Ik ben Kaspar," zei hij. "Ik woon hier. Hier, onderin de mijn. Al heel lang. Vraag het maar eens aan wat oudere mijnwerkers - die kennen mij wel."

"Ik ben Jo," zei Joke. "Ik bedien de Wettertür."

"Ja, dat weet ik," zei de oude. "Ik heb je hier al vaak zien staan."

"Mmmaar - ik heb u nog nooit gezien…" zie Joke.

De man met de stok lachte opnieuw en zei: "Dat komt doordat ik zelf kan uitmaken wie mij ziet en wie niet. Je gelooft me niet hè, maar het is wel waar. Loop maar eens een stukje mee, naar de paardenstal. Je kent Hawinkels toch, die daar de baas is?"

"Ja, die ken ik," zei Jo.

"Een goed mens," zei Kaspar. "Hij is lief voor zijn dieren, de arme paarden, die maar zo nu en dan naar boven mogen."

Jo zweeg.

"Ik zal je laten zien dat Hawinkels mij niet ziet, al loop ik vlak langs 'm."

Dat wilde Jo wel eens meemaken, maar hoe moest het dan met zijn Wettertür?

"Ik zorg er wel voor dat hier niets scheef gaat," zei Kaspar. "En komt er iemand, dan doet hij de lappen zelf maar eens opzij en terug."

De nieuwsgierigheid won het bij Jo. "Allez dan," zei hij. "Ik ga een stukje met u mee. Eens kijken wat Hawinkels doet." En dus gingen ze samen naar de paardenstal.

En inderdaad. "Dag Joke," zei Hawinkels alleen maar. "Kom je hier eens een kijkje nemen?"

Jo keek naar Kaspar. Die glimlachte wat fijntjes: "Zie je wel."

Jo geloofde het nog altijd niet helemáál, maar Kaspar wenkte hem verder. "Kom mee, dan laat ik je eens wat zien. De oude mijn. Dan kun je daarover iets vertellen tegen de grote kerels, die altijd nog denken dat jij nog maar een jochie bent."

Kaspar ging Joke voor naar een hoek van de paardenstal. Daar was een gat in de wand. Erachter was het donker - zo donker als het in een mijn maar zijn kan.

Toen Kaspar erdoor kroop zei hij: "Ben maar niet bang. Ik heb hier licht. Zelf heb ik het niet nodig, maar ik maak het voor jou." En toen was er opeens licht achter dat gat. Kaspar had een carbidlamp aangestoken en zei: "Hier, neem er ook een." En nu durfde Joke ook door het gat.

"We zijn nu in de oude man," zei Kaspar toen ze verder gingen. Dat zag de kleine Jo óók wel. Overal lagen omver getrokken stijlen. "Voor de mijnwerker valt hier niets meer te halen," zei Kaspar terwijl hij met zijn stok tegen de wand tikte. "De kool is eruit gebroken en toen hebben ze het dak weer laten vallen. Maar je ziet dat hier wel nog een doorgang is."

Nu en dan moesten ze zich bukken of over dikke stenen klimmen. En het ging ook op en af en van links naar rechts. Joke wist al lang niet meer waar hij nu eigenlijk was. "Dat zal ik je zeggen," zei Kaspar. "We zijn hier in mijn mijn. In de mijn van Kaspar en van niemand anders."

Opeens verstijfde Jo van schrik. Er stak een arm van onder een grote blok steen. Met een hand eraan. Maar al helemaal vergaan, het waren alleen nog maar wat knoken. "Die hadden ze vergeten toen ze de zaak lieten vallen," zei Kaspar. "Wie de arme duivel is weet ik ook niet. Maar kom verder."

Toen ze een hele tijd door de oude man hadden gelopen werd alles om hen heen opeens veel opener. En Jo vroeg zich af of het echt waar was wat hij zag. Ze stonden in een groot bos. Een bos met geweldig grote bomen. Maar het waren bomen die zwart waren als kool. Slank en hoog waren ze. Het waren de bomen waar de kool van gemaakt was. Met schubben op de stam en bladeren zoals je ze soms kon zien op stenen uit de mijn.

"Daar sta je wel even te kijken - of niet?" zei Kaspar. "Maar dit is nog lang niet alles. We hebben ook nog de witte mijn en het grote water. En het veld waar de bergkristallen groeien. Dat moet je allemaal nog zien. Allemaal dingen waarvan de lui daarboven niets weten."

Hoe lang hadden ze nu al gelopen, vroeg Jo zich af. Uren en uren en uren, zoveel stond wel vast. Maar het gekke was, dat hij helemaal niet moe werd. Hij had ook helemaal geen honger of dorst. Ja, hij moest niet eens 'n keer pissen.

"Kom jongen," zei Kaspar. "Verder."

Boven, in het portiershuisje aan de Akerstraat en voor het huis waar Jokes oma stond te wachten, begon men zich intussen zorgen te maken. Jo was na zien dienst niet naar boven gekomen. Het haakje van zijn penning bleef leeg. Hij moest nog onderin zijn. Maar niemand had hem gezien, en er was ook geen melding over een of ander ongeluk.

Toen oma haar jongen niet van de berg af zag komen werd Jokes vader naar boven gestuurd. In het portiershuis wisten ze het ook niet, zo werd hem verteld. Misschien dat Joke op een stil plekje in slaap was gevallen - zoiets gebeurde wel eens. Of hij was daar onderin de weg kwijtgeraakt. "We vinden hem wel," werd gezegd.

Jo's vader kon niets anders dan het aan oma te gaan vertellen. Die pakte meteen de rozenkrans en begon te bidden. "Lieve Moeder Gods en lieve Sint Barbara, alsjeblief breng hem terug," zei ze na elk Wees Gegroetje.

De mensen van de mijn gingen zoeken. Overal werd gekeken en aan iedereen werd gevraagd: "Heb je de kleine Jo gezien?" Maar niemand wist iets - Jo bleef verdwenen. En toen het zoeken na twee dagen niets had opgeleverd gaf men het op. Ze zouden hem wel een keer vinden – maar dan niet meer levend.

En ondertussen bleef de oma van Jo bidden. "Lieve Moeder Gods en lieve Sint Barbara, alsjeblief breng hem terug."

En hij kwám terug! Toen Hawinkels drie dagen later bij de Wettertür kwam stond daar Jo. Alsof er niets gebeurd was.

"Waar ben je geweest?" riep Hawinkels.

Jo wist niet meteen waarmee hij moest beginnen. "Kaspar was hier," zei hij. "En die heeft me meegenomen. Als ik u vertel wat ik allemaal gezien heb - dat gelooft u niet."

Hawinkels wilde het niet horen. "Allez hup! Naar boven!" zei hij. "En daar vertel je maar eens waarom je ons allemaal zo in de piepzak hebt laten zitten."

En zo kwam er opeens iemand aangewandeld bij het portiershuisje. "Nondedju! Het was Jo!"

"Waar ben je geweest?" riepen ze ook daar.

"Kaspar kwam eraan…" begon Jo.

"Nee, wacht!" zei toen iemand. "Dat moet je allemaal maar aan de hogere heren vertellen."

Even later kwam bij het huis van Jo, onder aan de berg, iemand van de mijn aangerend, die riep: "Hij is terug! Hij mankeert niets."

Jo's vader en moeder vielen elkaar in de armen. En zijn oma zei zachtjes: "Dank u, lieve Moeder Gods en lieve Sint Barbara."

Maar daarmee was Jo nog lang niet thuis, daar onder aan de berg. Want hij moest naar het kantoor waar de 'pieteberen' van de mijn al op hem zaten te wachten.

"Waar ben je geweest?" werd hem opnieuw gevraagd.

En Jo begon te vertellen. Over Kaspar en over de wonderwereld die hij daar beneden had gezien. De zwarte bomen, de glinsterende kristallen, de witte mijn, en nog zo veel meer.

"Je denkt toch niet dat wij dat geloven?" zei een van de hoge heren. "Kom op! Wat heb je in die drie dagen uitgevreten?"

"Maar…, dat heb ik toch daarnet verteld," zei Jo.

De heren keken elkaar eens aan. Wat moesten ze hiermee? Ze besloten dat de dokter maar eens naar Jo moest kijken. Die keek, en onderzocht Jo van onder tot boven. "Hij is zo gezond als een vis en hij is ook niet gek," stelde hij vast.

Toen kwam er nog iemand van de mijnpolitie; eentje in zo'n zwart pak. "Je hebt je post verlaten," begon hij streng. "En vertel nu maar eens. Wij van de politie verdragen geen lolletjes, dat weet je."

Maar de arme Jo kon niets anders bedenken dan wat hij nu al een paar keer had beschreven. Hoe Kaspar langs was gekomen en hem had uitgenodigd. "En.; en de zwarte bomen en.; en de kristallen en.; die dode onder de steen."

De politieman had er bij zijn arrestanten nog altijd de waarheid uitgekregen, maar deze keer lukte hem dat niet. Tenminste - dat dacht hij.

"Een koppig kereltje," kon hij alleen maar tegen de 'pieteberen' zeggen.

Jo moest ook nog praten met de aalmoezenier van de mijn. Die was wat vriendelijker dan de anderen, maar ook hij keek met een gezicht van 'ik geloof er niks van'. Jo kon het niet helpen.

"Ik denk niet dat hij zit te liegen. Misschien heeft hij het gedroomd," gaf de aalmoezenier door aan de heren van de mijn. "Maar kan een mens drie dagen lang dromen? En geen honger en dorst krijgen?"

"Laten we het hier maar bij laten," zeiden de heren. "En er verder over zwijgen... Morgen staat de jongen weer gewoon bij de Wettertür. Alsof er niets gebeurd is."

Vanaf dat de kleine Jo die dag thuis kwam stond zijn oma niet meer te wachten onder aan de berg. Want zij wist nu dat Joke daar beneden een machtige vriend had: Kaspar, de mijngeest. En die zou niets met haar jungske laten gebeuren.



Bron: Opgestuurd door Pierre Heijboer naar de redactie van de Wereld Volksverhalen Almanak. Nog te verschijnen in een bundel volksverhalen (voorjaar 2005).