De schat te Muiden
Het is 1810. Nederland is ingelijfd bij het Franse rijk van keizer Napoleon. De gevolgen daarvan beginnen langzaam merkbaar te worden. Het geld wordt schaarser, de ambtenaren talrijker, en de jongemannen worden ingelijfd bij het Franse leger.

In Muiden houdt zich een Duitser op, die zich Von Slenderhenk noemt, professor in de Philosophia Occulta, ofwel Verborgen Wijsbegeerte. Op een avond in september bevindt zich een aantal gasten in het logement waar hij verblijft en hij raakt met hen aan de praat. Na het uitwisselen van een paar algemene wetenswaardigheden en het bespreken van de mislukte inval van de Engelsen op Walcheren, het jaar daar voor, komen ze op de benarde financiële toestand. Eén der Muidenaars ziet het somber in, maar gelukkig heeft hij nog wat achter de hand. De Duitser glimlacht als hij dat hoort.

"Ik heb vernomen," zegt hij, "dat er hier in de buurt, op de Papelaan om precies te zijn, een schat in de grond steekt."

De Muidenaar heeft daar wel oren naar. "Dat zou een welkome meevaller zijn," antwoordt hij, terwijl hij op zijn slappe geldbuidel klopt. "Hoe halen we die eruit?"

"Ah," zegt de Duitser, "voor iemand die de Verborgen Wetenschappen heeft bestudeerd, is dat niet zo zwaar." "En u bent daar bedreven in?"

"Jazeker, zeven jaar heb ik in Krakau vertoefd, waar mij de geheimen der sterrenwichelarij, duivelbezwering en alchemie openbaard werden."

De Muidenaar schrikt even. Met duivelbezweerders wil hij zich liever niet inlaten. Maar het geld lonkt. "U weet dan wel middelen, om die verborgen schat te ontdekken?" vraagt hij de professor.

"Mijn hazelaar," antwoordt deze.

Dat komt de Muidenaar bekend voor. Hij heeft wel meer gehoord van lieden die met behulp van zo"n gevorkte tak zaken hebben opgespeurd.

"En nog een zakje dukaten," vervolgt de geleerde, "om een beter resultaat te verkrijgen is het absoluut noodzakelijk een zakje dukaten toe te wenden. Geld trekt geld aan, zoals de ouden reeds leerden."

Zij spreken af de volgende avond wederom samen te komen om dan de schat op te graven.

"Hier zijn de dukaten," zegt de Muidenaar, terwijl hij aanstalten maakt om het zakje aan de professor te overhandigen. "U kunt het zelf houden, beste vriend, de aanwezigheid is voldoende," is het antwoord. "Bezorgt u mij nog slechts een paard met een aangestoken lantaarn aan de hals gebonden, en een kluwen touw, daar kan ik mee volstaan."

De avond daarop treffen zij zich voor het logement. De Duitser heeft zich in een wijde mantel gewikkeld, een breedgerande hoed bedekt zijn trekken. Hij bestijgt het gezadelde paard, dat voor hem gereed is gezet, en rijdt stapvoets heen. De Muidenaar met een paar vrienden, en vier arbeiders met spaden op de schouder, volgen hem. Bij de Papelaan aangekomen, springt Von Slenderhenk van het paard.

"Ik heb hier een bezweringsformule. Wanneer u mij een ogenblik uw zakje dukaten ter hand kunt stellen, dan kan ik deze daarin doen."

Vervolgens geeft hij het zakje weer aan de eigenaar terug, steekt zijn hazelaar in de grond, en bindt er het ene eind van de kluwen touw aan vast. Met het andere eind in zijn hand zet hij zich weer op het paard en instrueert: "Zodra de ganse kluwen is afgerold, zal er een krachtige beweging door de hazelaar en het zakje dukaten varen. Zij zullen dan naar een plek getrokken worden, waar ik u aanraad onverwijld de spade in de grond te steken." Hij rijdt weg, en allen, in het bijzonder de eigenaar van de dukaten, wachten vol spanning tot het merkwaardige ogenblik daar is.

Lang wachten ze. Roerloos ligt het touw op de grond, afgewikkeld in de richting waarin de Duitser is verdwenen. Hun wachten blijkt vruchteloos. De professor in de Philosophia Occulta keert niet terug, noch worden de hazelaar en de geldbuidel door vreemde krachten beroerd. Uiteindelijk begint men te geloven, dat er bedrog in het spel is.

"Mooie professor," zegt de Muidenaar, "maar ik heb tenminste mijn dukaten nog."

"Maar je paard ben je kwijt," antwoordt een van zijn vrienden, "en laat mij dat zakje eens zien?"

Hij maakt het open en schudt wat van de inhoud in zijn hand. "Dat moesten dukaten zijn, hè? Nou je bent goed beetgenomen, in dit zakje zitten alleen maar duiten. En laat die bezweringsformule eens kijken. Ha! Maak eens licht, dan kan ik lezen wat erop staat:
Vergeefs schuurt men de moor,
En haalt de zotten door.
De moor blijft zwart, de zot blijft dom;
Dat is hun privilegium!
De Muidenaar kan nog slechts zuchten. Dertig dukaten en een paard op een avond verloren, dat is te veel voor hem.



Bron: "Volksverhalen uit Utrecht en het Gooi" samengesteld door Willem de Blécourt. Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1979. ISBN: 90-274-7083-9