Info: Het vrouwtje van Stavoren

TOELICHTING:
Filmpje van Willem Wever over Het vrouwtje van Stavoren

In het "Boekje voor den Straatzanger" staat het volgende lied, dat vroeger nog algemeen werd gezongen.

Hoort, vrienden, hoort een lied,
Dat duidelijk zal verklaren,
Wat eenmaal is geschied,
Voor meer dan duizend jaren.
Toen oud en grijs Stavore
Nog bloeide op Frieslands grond
En van zijn macht deed hooren,
Door heel het wereldrond.

Daar in die rijke stad,
Die jaarlijks duizend schepen,
Belaân met 's wereld schat
Haar haven in zag slepen,
Daar leefde in roem en eer,
Een rijke weduwvrouw,
Wiens voorbeeld ons zal leeren.
Hoe hoogmoed voert tot rouw.

Geen koper, neen, maar goud,
Zoo sprak zij, siert mijn woning,
En 't huis voor haar gebouwd
Scheen 't woonhuis van een koning.
't Was al wat oogen zagen
Vol vorstelijke praal
En hoeft men meer te vragen
De stoep was van metaal.

De leuning was zeer schoon
Uit louter goud gedreven,
De deurknop scheen een kroon
Met paarlen als omgeven
En breede, zilvren platen
Geklonken aan den grond,
Bedekten al de straten
Zoover haar woning stond.

Daar treedt een zeekaptein,
Haar bij de haven tegen,
Wat, sprak ze, zal het zijn,
Wat schoons hebt gij verkregen,
Wat heerlijks brengt gij mede
Uit overzeesch gebied,
Uw schip ligt op de reede
Maar hoe gij antwoordt niet?

'k Heb immers u belast
Het kostelijkst in te laden
Wat rondom de Oostzee was,
En 't oog hier kan verzaden.
Wie zich aan prijs mocht storen,
'k Vraag nimmer naar het geld.
De weduw van Stavoren,
Wordt niet teleurgesteld.

'k Bracht tarwe naar uw zin,
Al edelst wat wij vonden,
Aan stuurboord kwam het in,
Zooveel wij laden konden.
Hoe gilt zij dol van zinnen,
Hoe, tarwe? lage guit!
Bracht gij ze aan stuurboord binnen,
Zoo werp ze aan bakboord uit.

Helaas, het kostlijk graan
Werd in den vloed geworpen.
Een grijsaard die het zag
Uit een der naaste dorpen,
Beef, sprak hij, o vrouwe,
Wellicht lijdt ge eens gebrek,
Dat nooit dit stuk u rouwe,
Zwijg, sprak ze, grijze gek.

Ze lachte en greep haar ring
En wierp met luid geschater,
Terwijl ze henenging,
Hem weg in 't woelig water.
Kijk, riep ze, dwaze kerel,
Eer geeft de zee weerom,
Deez' schoone ring en parel,
Eer ik tot armoe kom.

Het duurde een dag of acht,
Toen werd op haar verlangen
Een groote visch gebracht,
Zoo pas in zee gevangen.
Maar sidderend zonk ze neer,
Want reeds met de eerste snee,
Vond zij haar ring toen weder,
Laatst geworpen in de zee.

Daar treedt een dienstknecht in,
Uw schepen zijn verloren,
De zee zwelgt alles in
Gods wraak rust op Stavoren,
Een andere knecht snelt binnen
En biedt een brief haar aan.
God, gilt ze woest van zinnen,
Mijn glorie is vergaan.

Vele andere berijmde lezingen, dikwijls zeer van elkaar verschillend, zijn van het vrouwtje van Stavoren bekend. Per e-post kregen we het volgende:

Beste mensen van verhalen.org,

In de extra info bij de sage van het vrouwtje van Stavoren staat een lied vermeld, te vinden in het "Boekje voor den Straatzanger". Ik wil u melden dat in het dorp Westkapelle (Zld.) dit lied nog springlevend is en vooral op de jaarlijkse kermis volop wordt gezongen. We zingen er dan nog drie coupletten bij, die ik hieronder weergeef. Ook op enkele andere punten wijkt de door ons gezongen tekst een beetje af van de versie uit het Straatzangersboekje.

Beroofd van geld en goed
Veracht van die haar kende
Zoals 't geschiedboek meldt
Een prooi van alle ellende
Nog doet de nazaat horen
De hovaardij tot les
De weduw van Stavoren
Zij stierf als bedelares

Nog ziet men aan het strand
Zo rijk in vroeger dagen
De haven gans verzand
Een zee van halmen dragen
Maar ledig zijn die aren
Geen korrel lacht U aan
Als blijk wat hier voor jaren
Gods almacht heeft gedaan

Ja hoogmoed wordt verneerd
Is wisse val beschoren
Wij hebben 't hier geleerd
Van de weduw van Stavoren
Wilt vrienden toch bedenken
Wat ook 't lot U biedt
't Is God die 't U wil schenken
De hoogmoed past ons niet

Met vriendelijke groeten,
Sjaak Adriaanse

Overigens is er alleen al met de sagen en legenden van Stavoren een heel boek te vullen. We vinden de naam Stavoren al vermeld in de legenden van Friso, die met zijn broers Saxo en Bruno naar de lage landen was gekomen, en een tempel bouwde ter ere van de god Stavo. Om de tempel stichtten ze een stad, die ze Stavoren noemden. Dan is er nog de legende van het "Roode Klif" (De rode vlam), welke op Stavo's bevel door drie kruiken zeewater werd geblust; van de "Stem uit de bron," een vervolg van het "Roode Klif," van de "Overstroomende bron," volgens Stavo slechts te stuiten door het bloed van een driejarig kind; van "De wanschapen wolf, met menigerlei hoofden, meer dan de hond Cerberus er had".

Het vis- en ring-motief is waarschijnlijk ontleend aan de vertellingen van 1001 nacht.
Zie voor een zeer uitgebreid artikel over dit verhaal het lemma van het Meertens instituut: The ring of Polymedes: Het vrouwtje van Stavoren