De boze geest van Hoge Duvel
Er was eens een boer uit Nunspeet die in Wiesel hakhout kwam halen. Maar toen hij de wagen had volgeladen en huiswaarts wilde keren, kon zijn paard niet voort en merkte hij dat het dier ziek was geworden. Zo kwam het dat hij zijn paard in Wiesel liet en een veearts ging halen, na eerst aan een daar wonende boer verzocht te hebben de wagen met hout voor hem naar Nunspeet te rijden. Deze boer zond zijn knecht met zijn paard. De knecht spande een zwart paard voor de wagen en reed naar Nunspeet.

In de nacht keerde de knecht op het losse paard weer huiswaarts. Een enkele ster stond te pinken tussen wat zacht zwevende tere nachtwolken. Het was stil overal. De dorpjes en buurten welke hij door reed, lagen al te slapen tegen de heuvelhellingen. Het ketsen van de hoeven sloeg de stilte stuk en in het bos schreeuwde de bosuil: "Krie-oe, 'k krieg oe." Dat hoorde de boerenknecht wel, maar hij was een onverschillige jongen en hij schreeuwde terug, zodat de slapende echo's er van wakker schrokken.

Diep in de nacht kwam hij eindelijk bij 'Hoge Duvel'. Hij herinnerde zich de verhalen die hij gehoord had over de boze geest Ossaert die daar woonde en een plaag was voor heel de omtrek, totdat de heilige monnik - die aan het Uddelermeer woonde - met een ijzeren kruis de kwelduivel teruggedrongen had op 'Hoge Duvel' en waar hij 99 jaar moest blijven.

De boer bij wie de knecht diende had de boze Ossaert wel in de struiken horen snurken en ook wel een blauw licht op 'Hoge Duvel' gezien. En de buurman had er eens honend geroepen:
"Griepke, griepke grauw
a'j' me griepen wilt, griep me dan gauw."
Toen was er een groot zwart monster met vreselijke zwaarte boven op hem gesprongen. Hij had de klauwen in zijn rug gevoeld en dacht te zullen sterven. Hij had gelopen met de moed der wanhoop totdat het monster ineens losliet, omdat het niet verder dan 'Hoge Duvel' kon komen.

De knecht geloofde van al die verhalen 'helemaal geen zak' en had er om gelachen. Nu hij de berg opreed wilde hij toch wel eens zien, wat er van al die onzin waar was. Gebeurde er iets, dan was het nog niet erg. Als hij aan de andere kant de voet van de berg bereikt had, zou de kwelgeest hem toch moeten loslaten. En boven op de berg gekomen riep hij uit alle macht:
"Griepke, griepke grauw
a'j' me hebben wilt, griep me dan gauw."
Er sloeg een vlam uit de weg omhoog en een dreunende klap volgde. Het paard steigerde hoog, zodat de jongen - als hij een minder goed ruiter was geweest - er af gevallen zou zijn. Tegelijkertijd zag de knecht achter zich een groot zwart gevaarte op hem afkomen, dat met vurige klauwen naar hem greep. Hij zette het paard in draf en met de oren in de nek stormde het met zijn berijder de berg af. De boze Ossaert bleef achter.

Wel was de ruiter wat geschrokken; maar zich bij de eik aan de voet van de berg veilig achtend, nu het monster hem niet verder volgen kon, keerde hij zich op het paard om en lachte de kwelduivel honend uit. Daar stootte de geest een woedend gebrul uit dat ver in het rond weerklonk en uit het bos dat ter weerszijden van de weg gelegen is en 'De Roode Heggen' genoemd wordt, sprongen een aantal weerwolven met groen lichtende ogen te voorschijn. Nu was het lachen uit en de roekeloze knecht werd door een grote angst bevangen.

Het schichtige paard stormde als een wervelwind over de weg. De kop vooruit gestrekt, de neusvleugels trillend van angst. De galop van zijn neerbeukende hoeven sloeg de kluiten en keien uit de grond. Het werd een duivelse rit op leven en dood. In duizelingwekkende vaart sleurde het paard zijn berijder langs takken en struiken en de man zette het tot nog grotere spoed aan, tegelijk doodsangsten uitstaande, dat de krachten van het vermoeide dier uitgeput zouden zijn vˇˇr het einde van de weg.

De boze geest van Hoge Duvel
De weerwolven huilden als een dolle verschrikking vlak achter hen aan; maar het paard won eindelijk iets op de achtervervolgers, die een vreselijk gehuil aanhieven en de vervolging sneller en sneller voortzetten. Nu scheen het paard uitgeput te zullen neerstorten. Telkens struikelde het, maar schoot dan weer vooruit. In de verte zag de ruiter de veilige hoeve al, maar de weerwolven wonnen. Hij hoorde hun gehuil steeds dichterbij komen en voor het laatst zette hij zijn trouwe paard tot uiterste spoed aan. Het dier wankelde, struikelde weer; de ruiter hield het nog op. De takken striemden de jongen in het gelaat. In een razende vaart reden ze het erf op en met de laatste en uiterste krachtsinspanning, droeg het kloeke dier zijn berijder tot op de deel. Het was net op tijd.

Toen de knecht de grote deeldeuren snel dichtsloeg en er de boom voorschoof, waren de spookwolven op geen twee vadem meer van hem af. Hij hoorde hen buiten janken. Het trillende paard zag met verwilderde ogen rond of het zijn eigen stal niet herkende en het was zo nat bezweet, dat het wel leek of het uit het water kwam. De knecht klopte het arme dier vriendelijk en dankbaar op de hals, verzorgde het goed en ging toen naar bed.

Maar de volgende morgen vond de boer zijn zwarte paard dood op het stro liggen. 's Nachts, toen iedereen sliep, had - ondanks dat er een paardenkop boven op de stal stond - de nachtmerrie toch nog binnen weten te komen, om zich te wreken op het onschuldige dier. De boer ontstak in hevige woede toen zijn knecht hem het verhaal van de nachtelijke rit deed en hij zond hem om zijn roekeloosheid op staande voet weg.



Bron: "Veluwsche sagen" geschreven en verlucht door Gust. van de Wall PernÚ. Uitgegeven te Amsterdam bij Scheltens & Giltay, 1921, p. 102-111.