De marketentster van de Fransebaan
Trientje de Fransman was een marketentster. Dat was in 1813. Ze is toen met het leger van Napoleon meegekomen over de Franse Baan. Napoleon is daar in de Franse Baan verslagen. De mensen maakten er een versje van:
"Trieneke de Fransman
die met het leger hier kwam
Napoleon is over de Franse Baan
met de legers op de vlucht gegaan."
Trientje was een marketentster. Haar man was bij het leger en zij liep met hem mee. Achteraan. Ze had een leren riem om en daar hing een kruikje met jenever aan. Haar man is met Napoleon weggevlucht en nooit meer teruggekomen. Trientje is toen hier 'op de hei' blijven wonen. Ze bouwde een hutje van masten (dat zijn van die lange dennen) en van rijshout (dat zijn lange wilgentakken). Met dennen en takken vlocht ze de muren van het hutje en smeerde dat dicht met leem en koeienpoep. Dat werd dan heel hard.

Ze verkocht in haar huisje jenever, tabak en bier. Er kwamen ook veel stropers. De mannen kwamen bij Trientje wat drinken. Ze was altijd de hele nacht op. Ze ging niet naar bed. Toen ze hier kwam als marketenster was ze nog een meisje van 23 jaar. Ze heeft hier nog tot 1870 gewoond. Ze was toen 80. Toen werd ze ziek. De mensen zeiden dat ze haar ziel aan de duivel had verkocht. Dat was, omdat ze de mannen in haar huisje liet zuipen en lallen tot diep in de nacht.

Het ging als een lopend vuurtje rond: "Trientje de Fransman is doodziek!"

Nu woonde er in Haaren een zekere 'Keesje'. Hij was zo ongeveer dokter. Hij had allerlei kruiden. Hij was naar Trientje toegegaan en had gezegd: "Trientje, je gaat dood. Wil je de pastoor hebben?" - "Nee," zei Trientje, "dat wil ik niet. Dat werk ik zelf wel met Onze Lieve Heer af."

Nou, er zijn vijf pastoors geweest: uit Haaren, Boxtel, Oirschot, Moergestel en uit Oisterwijk. Maar Trientje wilde van de pastoors niets weten. De pastoors dachten dat ze recht naar de hel ging. Ze hebben het allemaal geprobeerd. Alleen de Oisterwijkse pastoor bleef. Trieneke moest van hem de duivel afzweren: ze mocht niets meer met hem te maken hebben. Ze moest zeggen: "Ik verzaak aan de duivel." Maar Trieneke zei niets.

"Zeg het nu," zei de pastoor. Maar Trieneke zei niets. "Zeg het nu," zei de pastoor weer. Tenslotte zei Trieneke: "Ik verzaak aan Mijnheer de Duivel."

"Waarom zeg je nu 'mijnheer' tegen de duivel?" vroeg de pastoor.

"Ik ben niet gek," zei Trieneke. "Als ik toch naar de hel moet, dan houd ik de duivel liever tot vriend."



Bron: Geschreven en verteld door Marleen Groenland voor het project 'Nederlandse gemeenten en hun sagen'. Oktober/november 2008.

Mede mogelijk gemaakt door de gemeente Oisterwijk.