Egbert van Loenen
Niet ver van de Waal stond vroeger in de Betuwe een machtig slot dat eigendom was van ridder Egbert van Loenen. Egbert was dapper en krijgshaftig, maar door de naburige bewoners werd hij gevreesd, want hij was ook wreed en roofzuchtig. Zijn vrouw Ada was een vrome vrouw en ze vond het verschrikkelijk dat hun rijkdommen afkomstig waren van roof- en plundertochten en vaak bad ze deemoedig voor het kruisbeeld.

Toen ridder Egbert weer eens uittrok om te roven en te moorden liet Ada een kerkklok maken en ze schonk die aan de kerk van Herveld. De inwoners bepaalden de dag waarop de klok zou worden ingewijd en dat zou met Kerstmis zijn. Kort voor die plechtigheid kwam de ridder weer terug op zijn slot en toen hij hoorde wat Ada had gedaan en dat de klok plechtig zou worden ingewijd zwoer hij dat hij dat zou voorkomen.

Egbert zond zijn knechten uit naar alle ridders en jonkvrouwen in de omgeving met de boodschap om de dag voor Kerstmis naar het kasteel te komen om een groot feest te vieren. Natuurlijk sloeg niemand die uitnodiging af en op de dag voor Kerstmis werd er een losbandig feest gevierd. Ada kon het bijna allemaal niet meer aanzien en vol schrik dacht ze aan Egberts laatste oordeel. Doen kon ze echter niets en ze besloot nu maar af te wachten.

Toen kreeg Egbert een afschuwelijk idee en hij riep tegen zijn gasten: "Straks geeft Ada de klok aan de priester, maar eerst moet die luiden op óns feest!" Niemand van de gasten sprak Egbert tegen of probeerde hem tot andere gedachten te brengen. Alleen Ada waarschuwde Egbert voor het Godsoordeel, maar tevergeefs. "Breng mijn vrouw naar de torenkamer," riep Egbert. "Ze verstoort ons feest."

De uitgelaten gasten lieten toen de klok luiden, maar terwijl ze dat deden stak er een vreselijke storm op. De wind huilde en gierde. Bomen braken af, de Waal werd opgezweept tot een kolkende massa ijsschotsen, dijken dreigden door te breken en de regen viel in stromen, zo zelfs dat van een wolkbreuk gesproken mag worden. Hoe harder de wind gierde, hoe harder de drieste gasten de klok lieten luiden.

Toen brak de dijk en het woedende water sleurde het slot mee in de diepte. Egbert en al zijn gasten verdronken jammerlijk. De vrome Ada werd gespaard en de rest van haar leven bracht zij in een klooster door als non.

Op de plaats waar Egbert van Loenens slot had gestaan hoorde men jaren later in de kerstnacht nog klokgelui en het gehuil van de storm.



Bron: "Spokerijen in Gelderland. Verhalen over reuzen, heksen, witte juffers, weerwolven, ridders en jonkvrouwen uit de 'Geldersche Volks-Almanak' van 1835 tot 1904, 1942 en 1947" opnieuw verzameld en bewerkt door Ria Lissenberg-Hörter. Europese Bibliotheek, Zaltbommel, 1974.