De witte juffer van Kwadenoord
Ik zal je eens een verhaal vertellen zoals ik het ergens gehoord heb. En als jij het gehoord hebt, dan kan je het weer verder vertellen. En als je het niet verder wilt vertellen, dan vind ik dat ook goed.

Op kasteel Grunsfoort bij Renkum daar woonde in vroeger tijden een adellijk heer met zijn vrouw. Dat was een heel vervelende kerel die de mensen liet werken dat ze er krom van werden en hij betaalde daar nooit geen cent voor. Dat was in vroeger tijden zo het gebruik: 'vroondiensten' of herendiensten werd het genoemd. Van de vroege morgen tot de late avond was het ploegen en zaaien en eggen en houthakken en plaggen steken en heide maaien en als de boeren dan de hele dag hard gewerkt hadden en doodmoe waren, dan moesten ze 's nachts nog oppassen dat de katten niet miauwden en de kikkers niet kwaakten, anders konden ze thuis niet slapen. Als er op het land niks meer te doen was, dan moesten ze helpen bij de jacht.

Op een keer kreeg de vrouw van de adellijke heer een dochtertje, een scharminkel van een dochtertje en dat was ook al zo'n onding. Toen ze gedoopt werd heeft ze de baakster in de duim gebeten, enkel en alleen van venijn omdat ze gedoopt moest worden.

Op het kinderfeest kwamen alle boeren uit de omtrek en toen werden ze getrakteerd op bier: maar het bier was zo zuur als azijn. Een van de boeren liet het bier staan en toen vroeg de adellijke heer waarom hij niet op de gezondheid van de jonge juffer wilde drinken. Nou, en toen zei de boer dat het bier een beetje zuur was.

De adellijke heer had zelf al wel veel bier gedronken en dat was hem al een beetje naar zijn hoofd gestegen en toen werd hij zo gemeen dat hij de boer heeft laten afranselen, omdat hij niet op de gezondheid van de jonge juffer had willen drinken. En toen kwam er een oud wijf voorbij en die spuwde driemaal op de grond, vlak voor de voeten van de adellijke heer, en die droeg zijn soldaten op om haar te grijpen en ook af te ranselen; maar toen de soldaten haar wilden vastpakken, hielden ze niks als lucht in hun handen, want het was Anneke Tanneke Toverheks geweest.

Toen het meisje groter werd was het een akelige dame die maar niks anders deed als voor de spiegel staan om strikjes in het haar te zetten. En 's avonds laat liet ze de boeren nog helemaal naar Arnhem lopen om drop en zoethout te halen en kralen en linten.

's Zondags als ze in Renkum naar de kerk ging moesten de boerinnen een lange witte linnen loper leggen van het kasteel af, dwars over het kerkhof heen naar de kerk, want ze wilde met haar zijden schoentjes de grond niet aanraken. Als ze weer in het kasteel terug was dan moesten de boerinnen de loper weer opnemen en uitwassen om de volgende zondag weer helder wit neer te leggen.

Op een zondag, toen die deerne er weer zo als een pauw kwam aanstappen met de neus in de wind, toen stond bij de ingang van het kerkhof Anneke Tanneke Toverheks en die zei: "Juffer, juffer, ik moet u waarschuwen. Je wilt deze grond niet betreden maar bedenk dat je er toch ook eenmaal onder komt te liggen. Bezondig je niet, bezondig je niet."

Maar de jonge juffer liep langs haar heen met de neus in de wind en de volgende morgen werden alle boerinnen op het kasteel ontboden en ze moesten daar een nieuwe, nog veel mooiere loper weven van witte wol met rode randen. Ze mochten niet naar huis voordat de loper af was. De zondag daarop werd de nieuwe loper uitgelegd van het kasteel tot aan de kerk.

De adellijke heer was gestorven en zijn vrouw ook, ze waren begraven naast elkaar en geen mens was er treurig om en de juffer had er ook niet veel om geleden. Ze had wel een man willen hebben, maar er was geen mens die haar als vrouw wilde hebben. Er kwamen wel graven en baronnen op het kasteel om eens te kijken wat voor dame het was, en ze was ook rijk genoeg, maar ze verdwenen nog sneller dan ze gekomen waren en zo werd de juffer een oude vrijster.

De boerinnen hadden al de dertiende loper voor haar geweven en toen die bijna klaar was ging de juffer dood. Het was voor iedereen een opluchting eindelijk van haar verlost te zijn, maar het liep allemaal even anders.

Haar begrafenis zorgde al meteen voor problemen. Er kwamen wel zes baronnen aan te pas en een heel veel bloemen, het was zonde. Ik zeg, wat heeft nou zo'n dood mens aan bloemen. Maar de ochtend na de begrafenis, toen kwamen er in de vroegte een paar arbeiders aan en die zagen bij het kerkhof veel kraaien vliegen. "Wat kan dat nou zijn?" vroeg de een. "Ja, dat weet ik ook niet," zei de ander, en ze gingen eens kijken, en jawel daar stond de juffer van Grunsfort met kist en al buiten het kerkhof.

Toen hebben ze de kist weer in de grond gestopt nog veel dieper als eerst en ze hebben er een zware zerk bovenop gelegd, maar de volgende morgen stond de kist weer buiten tegen de kerkhofmuur en er kwam een hoop volk bij kijken. Niemand wist wat te doen. Dat had zo een tijdje geduurd. Toen kwam er een oude vrouw langs en die zei: "Dat komt er van," zei ze, "ze heeft vroeger nooit het kerkhof willen betreden en nou moet ze er af, of ze wil of niet. Leg haar maar op een kar met een paard zonder toom ervoor." Ja, en dat hebben ze toen maar gedaan, want je kunt wel begrijpen dat het Anneke Tanneke Toverheks was die het zei.

Toen de kist op een mestkar gelegd was, sloeg het paard op hol. Het ging dwars door alles heen, door struiken en over greppels, het was verschrikkelijk om te zien. En bij Kwadenoord trapte het paard de kar van zich af en de kist met de juffer erin kukelde over de kop in de beek, en er was niemand die hem eruit haalde.

Maar 's nachts dan spookt het daar; en in de maneschijn, als het water net zo wit is als een witte loper, dan kan je de juffer daar nog zien wandelen, en blijf er dan maar uit de buurt, of er kon je nog wel eens iets erg overkomen!

De witte juffer van Kwadenoord
Ja, het is wel treurig dat zo'n stuk ongeluk als die Kwadenoordse juffer nog na haar dood het de mensen zo lastig kan maken, maar zo is het!



Bron: "Veluwsche sagen" geschreven en verlucht door Gust. van de Wall Perné. Tweede bundel. Uitgegeven te Amsterdam bij Scheltens & Giltay, 1921. p. 56-63.