De verborgen schat van kasteel Ravenhorst
Op de plek waar bij Winterswijk de Ravenhorster- en de Jachthuisbeek bij elkaar komen, ligt een boerderij die het Ravenhuis heet. Om er te komen moet men de smalle zandweg volgen, dicht langs de beek, die nu gekanaliseerd is. Vroeger lag hier bij het Ravenhuis een stuw in de beek, waardoor een molenrad werd aangedreven. Thans is de stuw verdwenen en kabbelt het water rustig verder en ruisen alleen nog de hoge eiken om het hoge huis. Aan het vroegere kasteel herinnert enkel nog een schuur, een zogenaamde korenspieker. Het is een gebouwtje in vakwerkstijl en de zolder van zwaar eikenhout waarop eertijds de oogst geborgen werd, is nog lang niet versleten. In de weiden rondom het huis zit nog veel puin. Puin waarmee de dubbele gracht rondom het kasteel gedempt is. Van het eigenlijke kasteel is niets meer overgebleven. Enkel een paar verhalen en aantekeningen in oude archieven.

Het moet gebeurd zijn in de duistere middeleeuwen. Op het Ravenhuis, toen de Ravenhorst geheten, gebeurden dingen die niet in de haak waren. Argeloze voorbijgangers, vooral reizende kooplieden, werden overvallen en geplunderd. Op het kasteel immers woonden drie broers, drie roofridders, voor wie geen mens veilig was. De broers moesten onderhand schatrijk zijn, fluisterde men, want al jarenlang hadden zij hun oneerbaar beroep uitgeoefend. En veel mensen hadden het leven moeten laten in de donkere gewelven van het kasteel.

Ook de keizer waren de kwade geruchten ter ore gekomen. En toen het krijgsrumoer in zijn land even verstild was, rustte hij een strafexpeditie uit om de roofridders gevangen te nemen. Een legertje sloeg het beleg voor het kasteel en na korte tegenstand werd het ingenomen.

Maar de drie broers waren spoorloos verdwenen en niemand die kon zeggen hoe ze waren ontsnapt. En wat nog erger was: van alle schatten die in het kasteel opgeslagen moesten zijn, was niets te vinden. Het was onmogelijk dat de drie roofridders alles hadden kunnen meenemen. Nog lang werd naar de schat gezocht. Het hele kasteel werd aan een grondig onderzoek onderworpen, maar het enige wat men vond, was een geheime gang die uit een van de kelders diep het bos in voerde. Nu wist men tenminste hoe de rovers ontkomen waren. Maar de schat van de Ravenhorst was nergens te vinden.

De aanvoerder van het legertje, een trouwe vazal van de keizer, kreeg het kasteel in leen. Met zijn vrouw, twee zoons en een paar dochters nam hij zijn intrek in het roofslot. Maar lang werkeloos in het vuur zitten staren, was hem niet vergund. Dat wenste hij ook niet. Met zijn oudste zoon was hij meer thuis op de vele slagvelden van de keizer. Echte ridders waren het. De jongste zoon, heer Herman, was anders. Hij was huiselijk van aard en de krijgsroem lokte hem minder. Hij had een hekel aan geweld. Wanneer zijn vader en broer op reis waren, beheerde hij het kasteel. Hij trachtte de omliggende landerijen, die erg verwaarloosd waren, uit hun verval op te heffen.

Op een dag kwam een boodschapper melden dat zijn vader en broer gesneuveld waren, gevallen in dezelfde slag. Heer Herman bleef achter met zijn moeder en zusters. Er brak een moeilijke tijd voor hen aan. Hun leenheer, die door zijn vele oorlogen in moeilijkheden was gekomen, eiste hoe langer hoe meer schatting. Er bleef nauwelijks voldoende over voor de bewoners om van te kunnen leven en het machtige kasteel kwam steeds meer in verval. Geld om de nodige herstelwerkzaamheden uit te voeren, was er niet. Vaak had de heer over de verborgen schat horen praten, maar ook hij had niets kunnen vinden. En zo leefden ze in behoeftige omstandigheden verder.

Op een avond, diep in de herfst, terwijl de wind om het hoge kasteel gierde en het water uit de gracht hoog tegen de muur opjoeg, werd er aan de poort van het kasteel geklopt. Gastvrij als de bewoners waren, lieten ze de vreemdeling, die voor de deur stond, binnen en nodigden hem uit op het kasteel de nacht door te brengen. Het was een pelgrim, naar zijn kledij te oordelen, en zijn komst gaf meteen de nodige afleiding aan het eentonige leven op het slot. Wellicht kon de man vertellen over zijn reis naar het Heilige Land. Ze deelden het maal met hem en de pelgrim verhaalde zijn avonturen. Al pratende kwam ook heer Herman met zijn zorgen voor de dag. Ze zouden op deze wijze niet lang door kunnen gaan, zonder helemaal tot armoede te vervallen. Het leek hem beter het kasteel helemaal horig te maken, zodat ze verlost zouden zijn van alle geldzorgen. De pelgrim op zijn beurt luisterde vol belangstelling en het was al laat toen ze naar bed gingen.

De volgende morgen wilde de pelgrim weer verder trekken, maar voordat hij ging, riep hij heer bij zich. "U zult mij wellicht niet kennen en ik kende u niet. Maar deze plaats, dit slot, ken ik maar al te goed. Ik heb hier te lange jaren gewoond om niet elke steen van het kasteel te kennen." Heer Herman schrok van de woorden van de pelgrim. Hij begon te vermoeden wie hier voor hem stond in dit kleed. "Het zou toch niet."

"Ja," zei de pelgrim en hij glimlachte, "ik ben een van de roofridders die hier op het kasteel gewoond hebben. Toen we moesten vluchten, hebben we eerst met ons drieŽn rondgezworven en ons leven op dezelfde wijze voortgezet. Rovend en moordend. Tot het berouw kwam over onze slechte daden. Om van onze zonden verlost te worden, zijn we naar het Heilige Land gegaan, maar op de terugweg zijn mijn twee jongere broers gestorven. Mij, de oudste, liet God in leven om een hard werkend en eerlijk mens de schat te tonen, die hier in het kasteel nog steeds verborgen ligt. U hebt het zonder uw schuld moeilijk gekregen. Om een klein beetje van mijn oude schuld af te lossen, zal ik u wijzen waar de schat van de Ravenhorst verborgen ligt."

Heer Herman wist niet wat hij hoorde. Maar hij volgde de pelgrim naar een van de diepe kelders van de Ravenhorst. Hier drukte de pelgrim in een van de hoeken op de muur. Er sprong een deur open en in het gat van de muur glinsterde het van goud en zilver. "Dat is onze roversbuit," zei de pelgrim. "Ik schenk hem u, want ik weet dat het geld een goede bestemming zal krijgen. Ons bloedgeld kan in uw handen tot een zegen worden voor de gehele streek."

Na die woorden ging de pelgrim weg. Blijven wilde hij niet. Het was zijn lot om verder te zwerven en te trachten rust te vinden voor zijn gemoed. Heer Herman heeft de schat goed gebruikt. De welvaart keerde terug op het kasteel en tot ver in de omtrek roemde men de weldadigheid van de bewoners van de Ravenhorst. En nu, zoveel eeuwen nadien, weten de mensen nog dit verhaal te vertellen. Maar een schat vinden ze er niet meer. Of het moeten een paar oude kannetjes zijn, die misschien vroeger nog aan een heer hebben toebehoord.



Bron: "Volksverhalen uit Gelderland" samengesteld door G.J.H. Krosenbrink. Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1979. ISBN: 90-274-7082-0