In het begin van de 17e eeuw waren kunstzinnige vorming en vermaak een zaak van de Rederijkerskamers, genootschappen voor de gegoede burgerij. In 1632 splitste een kleine groep, waarvan Brederode, Coster en Hooft deel uitmaakten, zich af en stichtten een eigen genootschap. Zij wilden meer aandacht aan het toneel besteden en in plaats van het gebruikelijke latijn de eigen landstaal gebruiken. Hun motto werd ‘Door Yver In Liefde Bloeyende’. Op
3 januari 1638 werd de eerste (houten)
stadsschouwburg geopend aan de Keizersgracht, ontworpen door Jacob van Campen. Speciaal voor de opening schreef Joost van de Vondel de ‘Gysbrecht van Aemstel’. Deze voorstelling was vanaf dat moment lange tijd de traditionele openingsvoorstelling van het nieuwe jaar.
(Tekst van de originele Gijsbrecht op DBNL) In mei 1772 brandde het gebouw tot de grond toe af. Om een grotere lichtopbrengst op het toneel te krijgen had men het aantal kaarsen, in die tijd de enige lichtbron, verdubbeld. Het gevolg was dat de gordijnen vlam vatten.