Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 29 min.
Herkomst:

Aïcha, de dochter van de koopman Een Marokkaans volksverhaal over een scherpzinnige vrouw

Er woonde eens in Fez een heel mooi meisje dat Aïcha heette. Haar vader was een rijke koopman in de stad. Daarom noemden de mensen haar Lalla Aïcha bent et-tajar (dochter van de koopman), om haar te onderscheiden van alle andere Aïcha's in Fez.

Lalla Aïcha bent et-tajar kwam elke morgen naar buiten op het terras om er de basilicum te begieten. Zij zorgde extra goed voor dit plantje omdat ze zo van de geur en de smaak ervan hield.

Op een morgen zag de zoon van de koning haar en hij vond haar mooi als de maan. Hij informeerde naar haar en hoorde dat zij Aïcha heette. De volgende ochtend riep hij haar dan ook zonder inleiding toe: "O Aïcha bent et-tajar! weet je wel hoeveel blaadjes er aan de basilicum zitten die je daar begiet?" Aïcha liet zich niet overdonderen en gaf geen krimp. Ze antwoordde meteen: "O sidi Mohammed, zoon van de koning! Jij die het boek van God bestudeerd hebt. weet je wel hoeveel sterren er aan de hemel staan, hoeveel vissen er in het water zijn en hoeveel punten er in de Koran staan?" De zoon van de koning was zo verbaasd over dit gevatte antwoord dat hij zo gauw niets wist te antwoorden. Daarom begon hij haar te bespieden om haar op een fout te betrappen, zodat hij de spot met haar zou kunnen drijven zoals zij met hem gespot had. En Aïcha, die niets vermoedde, ging rustig door om elke morgen het dakterras te beklimmen en haar basilicum te begieten. Op een morgen zag de prins dat zij een schaal vol koekjes op de grond van het terras zette. Zij koos een koekje uit en al etend hield zij zich bezig met haar plantje. Een kruimeltje viel toen op haar mouw. Ze zette haar gietertje neer, nam het kruimeltje tussen haar vingers en stopte het in haar mond. De zoon van de koning zag alles en hield zich stil. Maar de volgende morgen kwam hij opeens te voorschijn op het terras en riep spottend uit: "O Aïcha bent et-tajar, weet je wel hoeveel blaadjes er aan de basilicum zitten die je daar begiet?" zij antwoordde: "O, sidi Mohammed, zoon van de koning! Jij die het boek van God bestudeerd hebt. weet je wel hoeveel sterren er aan de hemel staan, hoeveel vissen er in het water zwemmen en hoeveel punten er in de Koran staan?" Toen kon hij zich niet inhouden en riep: "Gisteren was je zo uitgehongerd dat je een piepklein kruimeltje van je mouw hebt gepakt en opgegeten!" Zij was stomverbaasd en begreep dat de koningszoon haar in de gaten hield. Zij ging hetzelfde doen. Zij bespiedde hem, volgde hem in de straat zonder dat hij het merkte en bespiedde hem uiteindelijk voor een winkeltje. Hij stond een granaatappel te proeven, toen een zaadje op de grond rolde. De zoon van de koning bukte zich, raapte het gevallen zaadje op en at het onbeschaamd op.

Mijn wraak zal zoet zijn, verheugde Aïcha zich. De volgende morgen begon het steekspel weer opnieuw.

"O Aïcha bent et-tajar!, weet je wel hoe veel blaadjes de basilicum heeft die je begiet?" - "O sidi Mohammed, koningszoon! Je hebt het boek van God bestudeerd, ken je echter wel het aantal sterren aan de hemel, vissen in het water en punten in de Koran?" - "Eergisteren was je zo uitgehongerd dat je een kruimeltje van je mouw hebt gepakt en opgegeten. " Aïcha antwoordde: "En jij, armste onder de armsten, jij hebt van de grond een granaatappelzaadje opgeraapt en het doorgeslikt!" De zoon van de koning werd heel boos. Hij had te maken met een sterke tegenstander, maar hij zwoer zichzelf de strijd te winnen. Hij dacht enkele dagen diep na en zon op wraak. Op een morgen kwam hij een joodse koopman tegen die zijn ezel voortdreef, volgeladen met vis, terwijl hij luid riep: "vis te koop! verse vis te koop!" De prins kreeg een ingeving en stelde de koopman voor zijn vis en ezel aan hem te verkopen. Hij bood hem er zoveel geld voor dat de koopman er hem zijn kleren nog bij gaf. De koningszoon trok ze aan en ging met de ezel op weg naar het huis van Aïcha.

"Vis te koop, lekkere verse vis!," riep hij.

Maar daarop kwam Aïcha niet naar buiten. Daarom riep hij nog wat harder: "Ik heb vis, verse vis! wie wil vis kopen? Het is niet duur!" Hij schreeuwde zo uit alle macht dat Aïcha uiteindelijk te voorschijn kwam. "Ja," zei ze, "hij ziet er wel fris uit, hoeveel wil je ervoor hebben?" - "Ik geef je al mijn vissen voor een klein kusje op je wang." Aïcha aarzelde. Ze keek eens om zich heen en zag niemand. Niemand in de straat, niemand voor de ramen, noch op de terrassen.

Toen nam ze haar besluit en hield hem haar wang voor. De koningszoon gaf er een stevige kus op, gaf haar al zijn vissen en ging weg met blijdschap in het hart. Aïcha keerde naar huis terug en maakte een heerlijke feestelijke vismaaltijd klaar. De volgende morgen ging zij natuurlijk weer naar haar terras.

Toen de prins kwam keurde ze hem nauwelijks een blik waardig. Hij was zeer opgetogen en begon: "O Aïcha bent et-tajar..." Daarop begon het gebruikelijk woordenspel, maar toen riep de prins triomfantelijk: "Gisteren was ik viskoopman en op de wang van Aïcha heb ik een dikke kus gedrukt!" Aïcha werd woest bij het idee zo beetgenomen te zijn. Zij besloot hard terug te slaan en rende weg van het terras. Ze vroeg aan haar vader om zwarte verf voor haar te kopen. Een week lang smeerde zij elke morgen haar lichaam daarmee in en toen leek zij net een zwarte Afrikaanse vrouw. Daarop vroeg ze haar vader haar naar de slavenmarkt te brengen en haar te verkopen, maar zo duur dat alleen de prins haar zou kunnen betalen. Haar vader weigerde natuurlijk. Maar Aïcha drong zo lang en vastberaden aan, dat zij er uiteindelijk in slaagde hem te overtuigen. Daar moet wel bij verteld worden dat Aïcha's vader een grenzeloos vertrouwen had in de intelligentie en de scherpzinnigheid van zijn dochter. Hij nam haar dus mee naar de slavenmarkt en verkocht haar. Aan de zoon van de koning, zoals Aïcha hem nadrukkelijk gevraagd had.

Diezelfde avond werd Aïcha uitgenodigd in de kamer van sidi Mohammed. Zodra zij binnen was, deed zij net alsof zij thee ging zetten voor de koningszoon. Die liet zich verwennen en bewonderde zijn nieuwe slavin, die hem erg beviel. Zij reikte hem een glas aan dat hij in één teug leegdronk. Als een plank viel hij op de divan neer en sliep in, want Aïcha had een sterk slaapmiddel in zijn glas gegoten! Toen nam zij uit haar wijde mouw een scheermes en schoor de helft van de prachtige baard van de jongeman af. Vervolgens nam ze kool en maakte zijn oogleden zwart. Daarna smeerde zij een dikke laag rouge op zijn wangen en trok hem haar eigen kleren aan. Ze liet hem in diepe slaap achter en vluchtte nadat ze om ongemerkt te kunnen ontsnappen de kleren van de prins had aangedaan.

De jongen sliep twee dagen achtereen. Toen hij wakker werd zochten zijn ogen de zwarte slavin die hij zo aardig vond maar er was niemand! Hij stond op en zag in de grote spiegel een schrikbarend beeld: hij was gekleed als vrouw, het gezicht buitensporig opgemaakt en het ergst van alles: de helft van zijn gezicht was baardeloos! En het was onmogelijk om de vrouw te vinden die dit alles zo geregeld had! Hij sloot zichzelf zeven dagen in zijn kamer op, de tijd die zijn baard nodig had weer aan te groeien en zwoer dat hij die slavin ter dood zou laten brengen onder de meest gruwelijke folteringen wanneer hij haar in handen zou krijgen. Na zeven dagen kwam hij met zijn aangegroeide baard voor het eerst weer buiten om een luchtje te scheppen.

Toen hij daar Aïcha met haar basilicum bezig zag, kon hij het niet laten haar te plagen: "O Aïcha bent et-tajar..." En de gebruikelijke dialoog herhaalde zich, totdat Aïcha kon eindigen door zegevierend te roepen: "Vorige week was ik een zwarte slavin in het paleis van de koning en zijn zoons gezicht heb ik opgemaakt en zijn baard heb ik aan één kant afgeschoren en als vrouw heb ik hem vermomd!" De zoon van de koning voelde zich zo beschaamd dat hij er snel vandoor ging. Hij bracht de nacht door met diep nadenken en had de volgende ochtend zijn besluit genomen. Hij zocht zijn vader op en verklaarde luid en duidelijk: "Ik wil gaan trouwen. Het meisje dat ik zal huwen is Lalla Aïcha bent et-tajar." De koning was stomverbaasd: "Wat! Je hebt prinsessen geweigerd te trouwen en ministersdochters, allen jou waardig en jij kiest voor de dochter van een eenvoudige koopman!" - "Ik wil haar hebben en geen ander. Ik moet haar hebben. Zo niet, dan zal er geen sprake van een huwelijk zijn." De koning hield van zijn zoon. Daarom stemde hij toe en liet voor hem Aïcha's hand vragen. Zij gaf haar jawoord. Maar zij vroeg haar vader om in het geheim een ondergrondse tunnel te laten graven die het paleis met haar huis zou verbinden. Want zij maakte zich nauwelijks illusies over de liefde van de koningszoon voor haar en over de redenen van deze verrassende bruiloft. De tunnel werd gebouwd en korte tijd later werd de bruiloft gevierd. De feesten duurden zeven dagen en zeven nachten en aan het eind van de week waren Aïcha en sidi Mohammed met elkaar alleen.

"Je hebt flink de spot met mij gedreven, Aïcha koopmansdochter!" Aïcha glimlachte zonder antwoord te geven. "Nu je mijn vrouw bent, ben je aan mij overgeleverd. Geef dus toe, wie is de slimste: de man of de vrouw?" - "De vrouw, mijn heer," antwoordde zij.

Toen werd de koningszoon verschrikkelijk kwaad. Hij beval om Aïcha, de opstandige Aïcha, in een kerker op te sluiten die vroeger gediend had als opslagplaats voor het graan. Niemand behalve hijzelf mocht haar opzoeken. Elke dag bracht hij haar in de gevangenis brood en een kruikje water en riep haar toe: "Aïcha, beken je nederlaag of je zult gevangene blijven! Wie is nou de slimste, man of vrouw?" En Aïcha antwoordde: "Het is de vrouw, mijn heer." Dan vertrok hij weer en dezelfde scène herhaalde zich de volgende dag. Dat duurde zo een aantal dagen. De koopman begon zich ondertussen bezorgd te maken omdat hij niets meer van zijn dochter hoorde. Hij ging eens informeren bij het paleis en hoorde daar dat Aïcha in een kerker gevangen werd gehouden. Hij liet daarom meteen de tunnel van richting veranderen zodat die in de gevangenis van zijn dochter uitkwam. En vanaf dat moment kon Aïcha elke dag naar huis toe, waar ze de heerlijkste hapjes te eten kreeg en op zachte donzen kussens sliep, in plaats van het droge brood en de kale vloer in de kerker. Bij het ochtendgloren keerde zij terug in haar gevangenis, vlak voordat de zoon van de koning haar zoals elke dag kwam vragen: "Aïcha, erken je nederlaag of je blijft gevangen! wie van de man of de vrouw is de slimste?" En zij antwoordde altijd met een spottend lach je: "Dat is de vrouw, mijn heer."

Op een morgen kwam sidi Mohammed bij Aïcha en vertelde haar dat hij enkele dagen weg zou gaan om samen met zijn beste vrienden een beetje uit te rusten in Sour. Sour was niet ver van Fez vandaan en de schaduwrijke bomen en de stromende beekjes maakten het tot een heel aangename verblijfplaats. Aïcha wenste hem veel plezier en zodra hij vertrokken was haastte ze zich naar haar vader.

"Vader, ik wil dat je zo snel mogelijk een grote, mooie tent voor me klaarmaakt en dat je enkele lijfwachten en dienstmeisjes voor me vindt om mij te begeleiden. Ik vertrek naar het platteland! En ik wil dat mijn tent in Sour geplaatst wordt, voordat mijn man er is!" Ze vertrok met het rijtuig van de koopman. En toen de prins in Sour aankwam trof hij daar een prachtige tent aan die met goud bestikt was en bewaakt werd door rijk uitgedoste slaven. Hij werd er erg door geïntrigeerd en terwijl zijn eigen tent er niet ver vandaan werd opgezet, stuurde hij een van zijn vrienden om inlichtingen over de bewoner van zo'n mooie tent in te winnen. De vriend keerde terug met het nieuwtje dat de bewoner een bewoonster was. Diezelfde avond zond de koningszoon een slaaf om de mysterieuze vrouw uit te nodigen hem te komen bezoeken. De slaaf kwam terug met het antwoord: een vrouw hoeft zich niet te vermoeien, het is de man die de vrouw moet komen opzoeken.

Sidi Mohammed wachtte niet langer en hij vertrok naar de tent. Daar werd hij ontvangen door een prachtige jonge vrouw die hem een uitgebreide maaltijd toediende en hem met gastvrijheid overstelpte. Zij deed dat zo goed dat sidi Mohammed drie hele dagen bij haar bleef. Zij aten en dronken samen, luisterden naar muziek en amuseerden zich.

Toen moest de koningszoon tot zijn spijt vertrekken en hij gaf haar als afscheidsgeschenk een van zijn ringen. Nauwelijks had hij de tent verlaten of Aïcha gaf haar dienaren het teken van vertrek. En toen sidi Mohammed - klaar voor het vertrek - nog een laatste blik wilde werpen op de plek waar hij zulke verrukkelijke uren had doorgebracht, zag hij niets meer! Alles was verdwenen! Toen hij in het paleis teruggekomen was, ging hij Aïcha een bezoekje brengen, die zojuist weer teruggekeerd was naar haar kerker.

"Aïcha de gevangene, ik heb me kostelijk vermaakt. Ik ben een fantastische vrouw tegengekomen! Ik heb drie dagen met haar doorgebracht," zei hij tegen haar, in de hoop dat zij zich nu wel gewonnen zou geven. Maar Aïcha antwoordde geslepen: "Ik ben erg blij voor u, mijn heer." Hij liet haar alleen en was erg boos, maar ondanks alles vergat hij niet om haar alle dagen brood en water te brengen. Zij ging ondertussen door met het bezoeken van haar ouderlijk huis en ze verzorgde zichzelf goed, want ze was in verwachting. Na negen maanden kreeg zij een zoontje, dat zij Sour noemde. Zij liet hem bij haar vader maar kwam hem elke dag verzorgen. En elke dag kwam sidi Mohammed de eeuwige vraag stellen: " Aïcha, erken je nederlaag, of je zult een gevangene blijven! Dus, wie van beide is het slimst: de man of de vrouw?" En hij kreeg eeuwig hetzelfde antwoord: "Het is de vrouw, mijn heer." Op een morgen kondigde hij aan enkele dagen weg te gaan, ditmaal naar Dour. Aïcha haastte zich naar haar vader, die alles gereed liet maken zoals de eerste maal en zo zat zij tegenover de koningszoon in Dour. Net zoals de eerste keer stuurde sidi Mohammed een slaaf naar haar toe, die hetzelfde antwoord kreeg en net als daarvoor kwam hij bij haar, heel verbaasd haar daar aan te treffen. Ditmaal waren de feesten die zij voor hem organiseerde zo vol pracht en praal en zo vol plezier dat hij vijf dagen bij haar bleef. Maar hij moest haar toch weer verlaten en gaf haar als herinnering zijn sierdolk. Hij had zich nog niet omgekeerd of Aïcha gaf het vertreksignaal en in een ommezien was alles weer verdwenen. Zodra hij thuis was, haastte de prins zich naar de kerker.

"Ik heb me nog beter vermaakt dan in Sour! Ik heb achter elkaar gefeest. Een grote zaligheid. En ik heb vijf dagen met dezelfde vrouw doorgebracht. Zij is zo prachtig dat je er nooit genoeg van krijgt." - "Ik ben erg blij voor u, mijn heer." Hij was ontevreden over haar antwoord en haar spottende toon.

Maar zij was opnieuw zwanger en beviel, toen de tijd daarvoor gekomen was, van een tweede zoon. Die kreeg de naam Dour en ook hij verbleef bij de koopman, samen met Sour. Regelmatig bleef de koningszoon komen, nog steeds hopend dat hij haar weerbarstigheid kon breken.

"Aïcha, erken je nederlaag of blijf gevangen! Wie van de man of vrouw is het slimst?" - "De vrouw, mijn heer." Zijn woede nam steeds grotere vormen aan door de koppigheid van zijn vrouw. Op een dag kwam hij haar een derde reis melden, ditmaal naar Lalla Hammamet Laqsour.

Evenals de vorige malen was Aïcha er nog eerder dan hij, en ze intrigeerde hem en bracht hem net zo in verrukking. Zij had hem zeven dagen te gast en toen hij haar verliet schonk hij haar een prachtig exemplaar van de Koran, versierd met kostbare edelstenen.

En negen maanden later bracht Aïcha een meisje ter wereld, dat zij Lalla Hammamet Laqsour noemde.

Op een dag kwam de koningszoon, die het te veel werd, Aïcha opzoeken en sprak tegen haar: "Ik heb er genoeg van. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zo koppig is als jij. Omdat de zaken er zo voor staan heb ik besloten te hertrouwen. Mijn vader heeft de hand van mijn nicht voor mij gevraagd. Zij is jong en mooi en is tenminste volgzaam." - "En wanneer zal mijn heer trouwen?" - "Morgen," antwoordde hij en hij keerde haar meteen de rug toe.

Aïcha verloor geen seconde. Zij rende naar haar vader, vertelde hem het nieuws en gaf hem instructies. Hetzelfde deed ze bij haar kinderen. Daarna gaf ze aan de eerste de ring, de tweede de dolk en de derde, het kleine meisje, de Koran. De volgende dag, de huwelijksdag, nam de koopman de kinderen mee naar het paleis. Zij waren zo mooi en zo goed gekleed dat men ze hield voor prinsenkinderen en ze werden binnengelaten.

Daar begonnen ze onmiddellijk alles te vernielen en omver te gooien. Ze sprongen op de matrassen, smeten het aardewerk kapot en gooiden de glazen leeg en schopten waar en wie ze maar konden. En tegen ieder die wilde ingrijpen schreeuwden zij zoals Aïcha het hun had geleerd: "Wij zijn hier thuis. waarom jaagt u ons weg? Wij zullen onze vader roepen!" Dat deden ze net zo lang en luidruchtig, totdat men sidi Mohammed ging halen om een beetje orde op zaken te stellen zodat het feest kon doorgaan. De zoon van de koning stond aan de grond genageld bij de aanblik van deze chaos en streng sprak hij de kinderen toe: "Wie zijn jullie? Waar komen jullie vandaan?" De kinderen antwoordden in koor: "Ik heet Sour." - "Ik heet Dour." - "Ik heet Lalla Hammamet Laqsour." Hij was verstomd. Die namen herinnerden hem aan de drie schitterende feesten die hij met de verbazingwekkende vrouw had doorgebracht. Maar hij was nog meer verbijsterd toen de kinderen hem de ring lieten zien en de dolk en de Koran.

Toen begreep hij het en vroeg gretig aan hen: "Wie is dan jullie moeder? Waar is zij?" - "Onze moeder, onze enige echte moeder is Aïcha de gevangene!" Sidi Mohammed wist niet hoe hij het had. Hij vloog naar de kerker en boog zich over Aïcha: "Aïcha, je kunt het me nu zeggen. De man of de vrouw, wie van beide is het slimst?" En Aïcha antwoordde: "Het is de vrouw, mijn heer." En deze keer was sidi Mohammed wel genoodzaakt toe te geven dat zij gelijk had. Hij liet Aïcha uit de kerker halen en begeleidde haar naar de zaal waar de bruiloft werd voorbereid. Daar schoof hij zijn jonge nichtje, die er niets van begreep, opzij en liet Aïcha op haar stoel plaatsnemen, met de drie kinderen aan haar zijde.

Het feest duurde zeven dagen en zeven nachten. Er was zoveel muziek, zoveel dans en gezang dat men het aan de andere kant van de bergen kon horen. En het feest was zo mooi dat er vandaag nog over gesproken wordt!


*   *   *

Aïcha, de dochter van de koopman Samenvatting
Een Marokkaans volksverhaal over een scherpzinnige vrouw. Als een knappe jonge prins een meisje het hof maakt en haar daarna in de steek laat, zorgt zij er voor dat ze toch bij hem in de buurt komt. Pas als ze drie zonen van hem heeft maakt ze zich bekend. Lees het verhaal

Toelichting
Marokkaanse verteltraditie. Dit verhaal is een versie van het verhaal Het Basilicummeisje uit de Turkse verteltraditie. Hetzelfde motief is ook te vinden in: De Geduldsteen. Zie ook het Italiaanse verhaal Viola uit de Pentamerone.

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. List en Bedrog Verhalen over gastvrijheid, eerlijkheid, list en bedrog, uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Herkomst: Marokko
Verteltijd: ca. 29 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook