Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 15 min.
Herkomst:




Aldar-Kose en de duiveltjes Een volksverhaal uit Kazachstan over duiveltjes te slim af zijn

Aldar-Kose was eens in slaap gevallen bij het haardvuur. Toen hij wakker werd en zijn ogen op wilde slaan, voelde hij dat er naast hem iets bewoog. Hij zette één oog op een kiertje en zag twee duiveltjes. Ik zal doen alsof ik dood ben. Aan een dode hebben ze toch niks, dacht hij. Hij deed snel zijn oog weer dicht en hield zich heel stil.

De duiveltjes hadden honger. Op zoek naar eten botsten ze tegen Aldar-Kose aan. "Luister eens, Koelan," zei de een, "laten we hem slechte gedachten influisteren. Als hij dan wakker wordt, doet hij alles wat we hem gezegd hebben." - "Ja, laten we dat doen, Toelan," zei de ander. "Als we hem voor ons laten stelen, kunnen we rijk worden!"

Ze sprongen op zijn schouders en begonnen hem van weerskanten van alles in te fluisteren. "Kazach, Kazach, ga uit stelen," fluisterde Toelan. "Kazach, Kazach, ga mensen beroven!" fluisterde Koelan. Maar Aldar bleef voor dood liggen. De duiveltjes fluisterden, schreeuwden, schudden hem heen en weer. Maar hij verroerde geen vin. Moe van het schreeuwen gaven de duiveltjes het op. Als hij nu nog niet wakker was, moest de man wel dood zijn. "Kom, we gaan," zei Koelan. "Wat moeten we met een dode?" - "Nee," zei Toelan, "hij kan ons best van pas komen. Laten we hem tot leven wekken. Dan kan hij voor ons gaan werken." - "Goed, maar hoe?" vroeg Koelan zich af. "Kijk, hij was zo arm dat hij niet eens een behoorlijke begrafenis heeft gehad. En arme mensen zijn hongerig. Als we wat worst en koemis pakken en die onder zijn neus houden, komt hij vast weer tot leven."

Hé, dacht Aldar, zo gemakkelijk gaat dat niet! Maar toen ze de worst eenmaal onder zijn neus duwden, hield hij het niet meer uit. Zijn mond ging vanzelf een stukje open. De duiveltjes sprongen op en neer van plezier. Ze voerden hem de worst en goten hem vol met de paardenmelk. Ten slotte deed Aldar zijn ogen open en stond op. Onmiddellijk werden de duiveltjes onzichtbaar en sprongen op zijn schouders om hem in te fluisteren wat hij moest doen. Aldar-Kose begon luid te huilen: "Wie heeft mij tot leven gewekt? O, o, waar was dat voor nodig? Mijn ziel had net de rust die hij verdiende. En nu moet ik wéér een leven doorstaan. Nee, dat laat ik niet gebeuren, ik ga mezelf verdrinken!"

En in gespeelde wanhoop greep hij zijn hoofd met beide handen vast. Daardoor kwamen de duiveltjes klem te zitten tussen zijn hoofd en zijn armen. Hij waggelde naar de rivier. De duiveltjes schrokken hevig. Als de man echt in het water zou springen, zouden ze mee verdrinken! Snel maakten ze zichzelf weer zichtbaar. "Luister, jongeman," zei Toelan, "waarom zou je niet blijven leven? Wij zullen je vrienden zijn en met z'n drieën zullen we fantastische rijkdommen vergaren."

"Wie zijn jullie dan?" vroeg Aldar-Kose alsof hij er niets van begreep.

"Wij zijn duivels, ik ben Toelan en dit is Koelan. We zullen je leren stelen en oplichten, en de buit zullen we altijd delen!"

Aldar-Kose liep tot de oever van de rivier. Hij dacht even na en zei toen: "Nee vrienden, dat lukt toch niet. Want jullie zijn onzichtbaar, dus als we gepakt worden, ben ik degene die de klappen krijgt. En ik ben al zoveel geslagen in mijn leven! Nee, ik kan mezelf beter verdrinken. En ik zal jullie meenemen: jullie hebben er geen idee van hoe geweldig het is om dood te zijn! Nooit meer iemand die je lastigvalt, nooit meer geldzorgen!"

Hij deed nog een stap dichter naar de rivier. De duiveltjes waren doodsbenauwd. Toelan schreeuwde: "Wacht, wacht! Niet springen! We zullen jou ook onzichtbaar maken!"

"Dat klinkt al wat beter," zei Aldar. "Wat moet ik daarvoor doen?"

Toelan gaf hem een muntje. Aldar legde het onder zijn tong en veranderde onmiddellijk in een duivel. Met z'n drieën vertrokken ze naar de stad. Ze liepen en liepen en liepen. Toen gaf Toelan Koelan een knipoog en stelde voor: "Luister eens, vrienden, waarom zouden we onszelf zo moe laten worden? Laten we liever om de beurt op eikaars schouders gaan zitten. Aldar is de sterkste, die kan ons beiden op zijn schouders dragen. Daarna kunnen wij hem samen dragen."

Aldar en Koelan vonden het een goed idee.

"Wie loopt er het eerst, jij of wij?" vroeg Toelan.

"Ik zou wel willen," zei Aldar-Kose, "maar sinds mijn dood ben ik nog niet helemaal de oude. Laat mij eerst maar op jullie schouders zitten. Dan rust ik wat uit en kan ik jullie dragen."

"Goed," zeiden de duiveltjes, "maar we moeten wel afspreken hoe lang we elkaar dragen."

"O, maar dat is gemakkelijk. Ik zal een liedje zingen terwijl ik op jullie schouders zit. Als het lied is afgelopen, ben ik genoeg uitgerust om jullie op mijn schouders te kunnen nemen."

De duiveltjes gingen akkoord met het voorstel. Aldar ging op hun schouders zitten en begon te zingen: "Lalalaaa, lalaa-lalaa, laridaaa."

De duiveltjes liepen en liepen, maar het lalalaa hield maar niet op. Het liep al tegen de avond en het lied was nóg niet afgelopen. Toelan werd ongeduldig: "Zeg vriend, wanneer is je lied nou eens afgelopen?"

"O, dit is nog maar het eerste couplet," zei Aldar-Kose. "Nu komt het tweede: tatataaa, tata-tataaa."

De duiveltjes waren zo moe van het gewicht op hun schouders dat ze tegen een boom aanleunden om uit te rusten. Maar de boom was oud en viel om door het gewicht van de drie reizigers. In het gat dat was ontstaan, zat een goudstaaf zo groot als een paardenhoofd. Toelan zag hem het eerst en ging er snel op zitten. "Het spreekwoord luidt: rijkdom haalt het slechtste in de mens naar boven," zei hij. "Ik vrees dat we ruzie gaan krijgen om deze buit. Laten we hem geven aan degene die de meeste eerbied verdient. En degene die de meeste eerbied verdient, is degene die het oudst is!"

Koelan gniffelde. Duiveltjes worden immers duizenden jaren oud. Aldar-Kose begreep ook dat het er niet helemaal eerlijk aan toe ging, maar hij liet niets merken. Hij zei: "Goed. Laten we dan kijken wie van ons de oudste is."

Toelan zei: "Ik denk dat ik de oudste ben. Want toen ik geboren werd, was de aarde nog maar zo groot als een eiland. Nee, nog kleiner, als een zadel. Nee, nu weet ik het weer: de aarde was zo groot als een hand."

Koelan verbaasde zich: "Och, och, wie had ooit gedacht dat jij jonger zou zijn dan ik? Toen ik geboren werd, zat de aarde nog aan de hemel vast, en de paardenrace die ter ere van mijn geboorte gehouden werd, moest op de wolken plaatsvinden." Triomfantelijk keken de duiveltjes naar Aldar. Maar die zette een keel op, zo hard dat de vogels uit de lucht vielen. De duiveltjes dachten dat hij treurde om het goud dat nu zijn neus voorbijging. Ze begonnen hem te troosten. Maar Aldar leek ontroostbaar: de tranen stroomden uit zijn ogen en hij viel op de grond en riep snikkend: "O, o, mijn oogappel! Nooit zal ik jou weer zien! Nooit!"

"Nou, niet meer huilen hoor," zei Toelan. "Afgesproken is afgesproken, Koelan krijgt het goud."

"Wat zou ik met goud moeten!" riep Aldar-Kose met tranen in zijn ogen. "Al krijg ik honderd kilo goud, ik krijg toch niet terug wat ik verloren heb! Och, Koelan, toen je vertelde over je geboorte heb je bij mij een groot verdriet tot leven gewekt. Ik probeer het steeds te vergeten, maar nu heb je het weer aangeroerd. Want tijdens de paardenrace ter ere van jouw geboorte is mijn jongste zoon door een rotte wolk gevallen in het zwarte gat waar later de aarde is gekomen. O, ik mis hem zohohoo!"

Aldar-Kose begon weer te snikken en hij huilde zo hartverscheurend dat de duiveltjes er duizelig van werden. Om hem op te laten houden boden ze hem het goud aan. Maar zelfs toen hij het goud gepakt had en weer op hun schouders zat, bleef Aldar nog twee dagen doorhuilen. Zijn verdriet was zo overtuigend dat ze geloofden dat hij de waarheid had gesproken. De duiveltjes waren boos, omdat ze het goud kwijt waren en omdat ze Aldar, die nog steeds niet was uitgezongen, nu al dagen op hun schouders droegen.

Op een avond kwamen ze bij een diepe smalle kuil en besloten daar te overnachten. Toelan zei: "Luister eens, Aldar-Kose. Aan jouw lied komt nooit een einde. We geven toe dat je ons te slim af bent geweest. Maar laten we nu afspreken dat de sterkste van ons gedragen mag worden. Laten we vechten!" Aldar-Kose dacht even na en ging akkoord: "Het is weliswaar niet volgens de afspraak, maar vooruit dan maar. Waarmee vechten we? We hebben alleen een korte zweep en een lange stok." - "Daarmee zullen we vechten," zei Toelan, en blij dacht hij al bij zichzelf: mooi zo! Deze keer zullen we hem een lesje leren! Aldar vergeleek de lange stok met het zweepje en gaf toen de stok aan Toelan: "Het is eerlijker dat jij deze neemt. Jij bent kleiner, dus heb je een langer wapen nodig. Dan neem ik de zweep." Die is niet goed wijs, dacht Toelan. Hij geeft het beste wapen aan zijn tegenstander! Aldar-Kose pakte de zweep, keek ongerust om zich heen en zei: "Laten we liever in de kuil vechten. Straks ziet iemand ons en slaat alarm."

"Ja ja, dat is goed!" riep Toelan. "En nou vechten!" Ze sprongen in de kuil en begonnen te vechten. Aldar sloeg het duiveltje links en rechts met de zweep. Toelan probeerde Aldar ook te slaan, maar zijn stok was zo lang en de kuil was zo smal, dat hij in plaats van Aldar alleen de randen van de kuil raakte.

"Stop, stop!" schreeuwde hij. "Laten we van wapen ruilen!"

"Goed," zei Aldar, "ik had er toch al spijt van dat ik jou het beste wapen had gegeven. Maar laten we toch maar boven de grond vechten: het is hier zo stoffig."

Toelan was blij dat hij de kuil uit kon. Eenmaal boven de grond zou hij Aldar wel een lesje leren!

Ze klommen uit de kuil en begonnen weer te vechten. Met de lange stok sloeg Aldar Toelan bont en blauw, terwijl het duiveltje onmogelijk dichterbij kon komen met zijn zweepje.

Die nacht vertrokken de duiveltjes na een kort overleg. Ze lieten Aldar-Kose achter met het muntje en het goud.


*   *   *

Aldar-Kose en de duiveltjes Samenvatting
Een volksverhaal uit Kazachstan over duiveltjes te slim af zijn. Als de schelm Aldar-Kose ligt te slapen wordt hij gewekt door twee duiveltjes die hem slechte gedachten proberen in te fluisteren. Aldar houdt zich groot en het lukt hem op een slimme manier de kwelduiveltjes van zich af te schudden. Lees het verhaal

Toelichting
Vergelijk dit verhaal met het motief 'de duivel bedrogen', het Gelderse volksverhaal De bedrogen duivel.

Aldar-Kose is bedrieger van beroep. Hij verdient zijn brood door mensen voor de gek te houden. Niet zomaar alle mensen, vooral de gierige rijkelui zijn de pineut. Want zij kunnen best wat missen, vindt Aldar-Kose. De ene keer troggelt hij hun een paard af, de andere keer geld, en soms zelfs een mooie dochter. 'Aldar' betekent in het Kazachs dan ook 'bedrieger'. Zijn tweede bijnaam 'Kose' (spreek uit 'kossè') betekent 'kin waar geen haar op groeit'. Want al is Aldar-Kose een volwassen man, zijn baard wil maar niet groeien.

De verhalen over Aldar-Kose op de Volksverhalen Almanak:
  • Hoe Aldar-Kose trouwde
  • De gierige vriend van Aldar-Kose
  • Aldar-Kose en de rijke man die boer wilde worden
  • Aldar-Kose en de duiveltjes
  • De wonderjas van Aldar-Kose
  • Hoe Aldar-Kose de rijke man genas
  • Hoe Aldar-Kose de knechten trakteerde op een schaap
  • Aldar-Kose en de vrek

  • Trefwoorden

    Verhaalsoort

    Bron
    "Sprookjes uit Kazachstan. Oplichters en andere helden" door Els de Roon Hertoge. Koninklijk Instituut voor de Tropen, Amsterdam / Novib, 's Gravenhage, 2000. ISBN: 90-6832-905-7

    Herkomst: Kazachstan
    Verteltijd: ca. 15 min.
    Leeftijd: vanaf 9 jaar

    Lees ook