Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 45 min.
Herkomst:

Ali's vreemde avontuur Een Arabisch sprookje over een jongen die toverkunsten leert

Ali's vreemde avontuurIn de provincie Chorasmia (Uvârazmiya) woonde eens een arme boerenarbeider. Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat werkte hij hard op de akkers van de boeren, maar ondanks dat kon hij soms geen stuk droog brood voor zijn avondmaal kopen. Deze man had een zoon Ali, die de enige vreugd in zijn bestaan was. En op zekere dag kwam de jongeman naar zijn vader toe en deelde hem mee, dat hij van plan was de wereld in te trekken. "Hoe wil je de kost verdienen en wat wil je gaan doen in die grote wereld, licht van mijn ogen? Je bent nog een jongen en je kent de mensen nog niet. Ze zullen je bedriegen en voorliegen en dat zullen ze."

"Niet bang zijn, vader, ik red me wel," antwoordde de jongen.

"Ja, dat beweer jij!"

"Maar het is zo, ik weet het zeker. Wedden om wat u maar wilt," zei Ali lachend en de blik in zijn ogen bewees wel, dat hij zijn besluit had genomen en daarvan niet meer af te brengen zou zijn.

Zijn moeder bakte dan ook een groot brood voor hem, bond het in een doek, gaf hem haar zegen en Ali ging van huis. Hij liep recht voor zich uit zijn neus na en waar zijn ogen hem brachten en door zeven dalen en over zeven rivieren ging hij zijn weg naar de verre verre bergen.

Hij liep en liep maar en toen hij uitgeput raakte, ging hij zitten op de rand van een put in de schaduw van een paar waterwilgen. En omdat hij honger had gekregen, nam hij het brood uit de doek en tastte toe. Hij at overigens niet het hele brood op, want hij moest aan de dag van morgen denken; honger is nu eenmaal een kwade metgezel. Hij borg de helft van het brood weer op voor de komende dag, waarna hij zich bukte om in de kom van zijn handen wat water op te scheppen en zijn dorst te lessen. "Och," zei hij zuchtend, "ik wou dat dit water wijn was."

Hij had het nog niet gezegd of uit het niets verscheen een klein mannetje, dat niet verder reikte dan tot aan zijn knieën, maar een baard met zich omtorste die minstens zeven maal zo lang was.

"Je hebt me geroepen, jongen, hier ben ik," zei dat mannetje.

"Ik? Maar ik weet niet eens hoe u heet!" riep Ali.

"O nee? En je riep 'Och' en zo noemt iedereen me."

"Ik zei och, maar dat was meer een zucht," legde de jongen uit.

"Goed dan," zei de dwerg, "maar nu ik er toch eenmaal ben, zou je me best kunnen vertellen waar je heengaat."

"De grote wijde wereld in," zei Ali.

"Welke wereld, beste jongen, welke wereld? Vertel me dat eens."

"Is er dan meer dan een? Zijn er soms zoveel werelden als kippeneieren?"

"Wie weet. Meer wel misschien. Als je eens meeging naar de mijne, dan kun je wat beleven," antwoordde Och en hij nam Ali mee naar een oude holle walnotenboom, die dicht bij hen zijn takken uitspreidde. Nadat hij in de duistere holle stam was gestapt, ontdekte Ali tot zijn verrassing dat het eigenlijk een klein gewelfd poortje was, dat toegang gaf tot de mooiste weide vol bloemen, die ooit door de zon was beschenen.

Ze liepen verder door laag dik gras, waarin bloemen bloeiden, die als noten waren gevormd en hen van alle kanten een welkom toeknikten. Vlinders klapten op door de zon verwarmde stenen hun vleugels open en dicht en die kleurige vleugels leken op het rimpelpatroon dat een pas gekraakte walnoot vertoont. En de kleine huisjes aan de overkant van de weide, die ze inmiddels naderden, waren halve doppen van kokosnoten, waarin deuren en ramen waren uitgesneden en op elk dak stond een schoorsteen van knobbelige pinda's.

"In welk huis wil je wonen? Zoek er maar een uit," zei de walnotenkabouter.

"Ze zijn allemaal zo mooi, klein dwergje. Ik zou het liefst in elk huis gaan wonen."

"Nou, nou, jij bent ook de bescheidenste niet, zeg vriend. Wat denk je van dat middelste huis, waar je mijn dochter bezig ziet met schoonmaken?"

Ali ging naar het huisje toe. Binnen trof hij een jong meisje aan, dat gekleed was in een jurk van notenbladeren en dat de vloer veegde.

"Ga je voor mijn vader werken?" vroeg het meisje aan de jongen.

"Weet ik nog niet. Zeg jij me eens, moet ik dat doen?"

"Je kunt hier een massa dingen leren - dingen die de mensen niet weten. Maar luister goed naar wat ik zeg. Mijn vader is een boosaardige tovenaar en heeft al heel wat leerlingen opgeleid. En allemaal zijn ze op dezelfde manier aan hun eind gekomen - zodra ze al zijn toverkunsten kenden, heeft hij hen een voor een als komkommers in de pekel gezet in vaten, die nu in de grote kelders staan die onder al deze huizen doorlopen. Als hij oud begint te worden en zijn toverkunsten gaat vergeten, wil hij zijn geheugen opfrissen met behulp van die arme ingepekelde stakkers, die jong en fris zijn gebleven.

Toen hij dat hoorde begon Ali te beven van angst. Hij wilde zich omkeren en wegvluchten, maar het meisje greep hem bij de hand. "Waar ga je heen, domme jongen!" fluisterde ze. "Denk je werkelijk, dat Och je nu nog laat gaan? De opening in de walnotenboom die naar de wereld van de mensen leidt, was in de dikke schors getoverd. Die zul je nooit terugvinden. Maar je hoeft niet bang te zijn. Ik vind je lief en ik zal je zeggen hoe je hier veilig en wel vandaan kunt komen. Als mijn vader begint je alle knepen van zijn vak te leren, luister je heel goed, maar laat hem niet merken dat je er ook maar iets van begrijpt. Gedraag je als een onnozele knaap, hou je van de domme. Na verloop van tijd zal Och er genoeg van krijgen, omdat het nutteloos zal lijken jou in de pekel te zetten. En hij zal je terugsturen naar de wereld van de mensen."

En zo gebeurde het. Och besteedde al zijn tijd en krachten aan de opleiding van Ali in de verschillende onderdelen van zijn kunst - alchemie, scheikunde en astrologie, maar ook hoe hij met toverformules geiten en koeien kon genezen, die een opgezwollen maag hadden en het voornaamste, hoe hij de gedachten van mensen kon lezen. En hij leerde Ali hoe hij zich in verschillende dieren kon veranderen.

Hij gaf de jongen een heel jaar lang onderricht en na afloop daarvan kon hij verklaren, dat zijn leerling de domste jongen was die hij ooit in de leer had gehad en dat al zijn inspanning nutteloos was geweest. Daaruit blijkt wel hoe goed Ali de raad van het meisje ter harte had genomen en hoe handig hij de dwerg had weten te misleiden wat betreft zijn vorderingen tijdens de lessen.

Och zag in dat hij alleen maar een extra mond had open te houden, zonder dat daar voor hem ook maar enig voordeel tegenover stond. Op zekere dag toen hij voor de duizendste keer vruchteloos had geprobeerd Ali te leren hoe hij zich in een muis kon veranderen, keek hij de jongen aan en zei: "Heb jij soms heimwee, vriendje? Zou je niet liever teruggaan naar de wereld van de stervelingen?"

"Ja, graag, antwoordde de jongen. "Daar is het nu lente en de bomen beginnen in bloei te komen."

"Omdat je zo'n schrandere leerling bent geweest, zal ik je wens vervullen. Ik breng je er dadelijk heen."

Ali kreeg nauwelijks de tijd afscheid te nemen van de tovenaarsdochter, de dwerg wilde hem het liefst zo gauw mogelijk kwijt. "Kom, we moeten opschieten," voegde de walnotenkabouter de jongen toe. "Het is niet vroeg meer en we mogen ons niet door de duisternis laten overvallen."

Ze liepen of liever draafden naar de oude walnootboom. Onderweg mompelde Och zijn toverformules. Vervolgens begon hij op de stam te slaan alsof hun leven ervan afhing. Zodra de stam zich had geopend, zag Ali de put en de waterwilgen, het pad naar het dorp, de akkers en de steppe en de bergen in de verte.

Met een zware zucht van opluchting sprong Ali uit de holle stam op de bruine aarde, die veilig aanvoelde. Heerlijk was het terug te zijn! Terwijl hij over zijn schouder keek, zag hij nog de baard en de gebalde vuist van de dwerg, die hem naschreeuwde: "Ik wil je nooit terugzien, stommeling. Pas op als ik je hier ooit weer aantref. Je hebt me heel wat zweetdruppels gekost en wat heb je geleerd? Niets! Alleen de koekjes op te eten, die mijn dochter bakte. Dat was het enige waarvoor je deugde! Och!"

Zijn stemgeluid werd steeds zwakker en de baard werd langzaam in de holle boom teruggetrokken en was ten slotte geheel verdwenen.

"Je zult je zin hebben. Als je niets meer van me wilt weten, dan wens ik je het beste!" riep Ali in de richting van de boom. Daarna gaf hij een ferme slag op de putrand en ging er ijlings van door naar huis.

Zijn ouders waren niet weinig verheugd, toen ze hun zoon terugzagen en de vragen rolden hen van de lippen in een niet te stelpen stroom. Waar was hij dat hele jaar gebleven en wat mochten ze hem voorzetten om zijn thuiskomst te vieren? Het was een nobel aanbod, maar helaas waren de planken leeg en stonden de wijnkruiken droog. Er heerste bittere armoede in het gezin en dat was aan alles te merken.

"Maken jullie je daarover geen zorgen, lieve vader en moeder," zei Ali. "Morgen, vader, moet u zich zodra het licht wordt klaarmaken om naar de stad te gaan, maar voor u vertrekt moet u eerst even in het hondenhok op het erf kijken. U zult er een prachtige jachthond vinden met een halsband om. Neem hem mee en verkoop hem en 's avonds zullen er zilverstukken op onze tafel rinkelen. Aan een ding moet u denken. Vergeet niet de hond voor u hem verkoopt de halsband af te doen en steek die band in uw zak."

De volgende morgen was Ali voor dag en dauw op, sloop naar het erf, mompelde een toverspreuk en sloeg met zijn hand op de grond, zoals hij het van Och had geleerd. Op hetzelfde ogenblik veranderde hij in een schitterende jachthond.

Niet veel later trippelde hij met zijn vader mee naar de stad. Toen ze ongeveer halverwege waren gekomen, ontmoetten ze een wagen, waarin vier jagers met grauwe baarden zaten, die pijlen en boog over de schouder hadden en het jachtmes in de gordel.

"Waar gaat u met die prachtige hond naar toe?" vroeg de oudste jager.

"In de stad verkopen."

"Hoeveel moet hij kosten?"

"Dertig zilverstukken. Maar zonder de halsband."

"Dat neem ik aan," zei de jager. "Een halsband kan ik overal kopen, maar zo'n hond kom je niet elke dag tegen." En bereidwillig betaalde hij de vader van Ali dertig zilverstukken.

De arme man die nu niet arm meer was, stak het geld in zijn buidel, die nauwelijks groot genoeg was, en de hond werd door de jagers in de wagen getild. Ze waren nauwelijks een kwart mijl verder gereden, toen er vlak voor het paard plotseling een haas te voorschijn sprong. De hond kreeg lucht van het wild en begon te trillen alsof hij koorts had en maakte aanstalten de haas na te zetten. De oude jager moest hem met beide armen omklemmen om hem te beletten uit de wagen te springen.

"Laat hem toch gaan. Laten we eens kijken of hij een spoor kan volgen. Je wilt toch ook graag weten of hij deugt?" zei een van de andere jagers.

"Vrienden, ik vrees dat hij er vandoor zal gaan en niet terugkomt."

"Het is alsof je voor het eerst op jacht bent. Wie heeft er nu ooit gehoord dat een jachthond die dertig zilverstukken gekost heeft, aan de haal gaat als een dorpshond van onbestemd ras? Doe ons het plezier, laten we eens kijken of hij het spoor scherp volgt, of hij snel is en of hij de prooi in de nek weet te grijpen en aan je voeten te leggen. Of ben je soms bang een miskoop te hebben gedaan?"

Deze uitlatingen deden het bloed van de oude man koken en hij zei woedend: "Hoe durven jullie zoiets zeggen! Heb ik niet de kwaadaardigste evers neergelegd, heb ik niet met een enkele pijl de snelste fazanten geschoten? Bij de baard van de Profeet, jullie zullen zien wat een schitterende jachthond ik gekocht heb. Ga je gang, jongen. Haal me die haas!"

De bevrijde jachthond ging er als een pijl uit de boog vandoor, volgde het spoor van de haas over de akker en verdween uit het gezicht. De jagers bleven in de wagen wachten. Het werd een lange wachttijd. Ten slotte begon het hen te vervelen en ze dachten: "Wat kan ons die haas nog schelen? Kwam die ellendige hond maar terug, dan konden we naar huis gaan." Maar de hond was nergens te bekennen.

"Wie betaalt me mijn dertig zilverstukken terug?" riep de oudste jager bijna huilend. "Jullie mogen wel eens in de buidel tasten en me iets van de koopprijs vergoeden. Doordat jullie zo aandrongen, heb ik hem losgelaten; het is jullie schuld, dat hij spoorloos verdwenen is. Jullie stommiteit heeft me dertig zilverstukken gekost."

Op het ene woord volgde het andere en allen vergaten de tijd. Toen ze eindelijk op de gedachte kwamen terug te rijden en na te gaan of de hond toevallig naar Ali's vader terug was gelopen, was het na twaalf uur en de weg lag te gloeien in de hitte van de middagzon. Ali's vader was onderwijl allang weer thuisgekomen en genoot een stevige maaltijd met zijn zoon, die tijdig zijn ware gedaante had hernomen. En terwijl ze aten, lagen er inderdaad zilverstukken op tafel.

"Heel verstandig van u mijn raad op te volgen en de jachthond zonder halsband te verkopen," zei Ali tegen zijn vader. "Als u morgen net als vandaag doet wat ik zeg, krijgen we goud op tafel in plaats van zilver. Ga bij het aanbreken van de dag naar de geitenstal en breng het dier dat daar zal staan, naar de markt in de stad. U zult er een goede prijs voor krijgen, maar een ding moet u onthouden - wat er ook gebeurt, verkoop niet de teugel, al zou men er u het hele koninkrijk van de sjah voor bieden."

In een voortreffelijk humeur gingen ze slapen.

De volgende morgen sloop Ali weer voor dag en dauw de deur uit en het erf op, waar hij de geheime bezwering uitsprak en een meter de lucht insprong, zoals hij het van Och had geleerd. Op hetzelfde ogenblik was er geen Ali meer; op zijn plaats stond een fraaie gazelle met een gouden teugel om de hals.

De mensen verdrongen zich om de vader van de jongen, toen hij met dit dier aan de teugel op de markt verscheen. Gazellen zijn misschien wel de mooiste dieren op aarde en dit was zeker de mooiste van alle gazellen.

Tussen de toeschouwers stond de zoon van de sjah, die met zijn leermeester naar de bazaar was gekomen om te genieten van wat er daar te zien viel, om de geuren op te snuiven. Toen zijn blik op de gazelle viel, kwam de begeerte bij hem op dat dier te bezitten om ermee te spelen in de paleistuin.

"Ik moet dat prachtige dier hebben. Koop het voor me!" zei hij tegen zijn leermeester en tezamen baanden ze zich een weg door de mensenmenigte en klampten de koopman aan.

"Wat moet u voor dit dier hebben? Noem ons de prijs en we zullen niet afdingen!"

"Honderd goudstukken en moge mijn huis in puin vallen, als ik er ook maar een goudstuk afdoe," antwoordde Ali's vader brutaal.

"We gaan niet onderhandelen, vriend," zei de leermeester; hij draaide zich om naar de dienaren en gaf hen een wenk, waarop ze een tapijtje in fraaie kleuren ontrolden; daarop telde hij honderd gloednieuwe goudstukken uit. Ali's vader borg ze weg in een zak, want zijn buidel kon niet meer dan een kwart van de hoeveelheid bevatten en begon vervolgens de gazelle van de teugel te ontdoen.

"Waarom doet u hem die prachtige teugel af, die het dier zo mooi staat?" zei de prins lachend. "Die koop ik ook en u kunt ervoor krijgen wat u vraagt, zelfs tot de helft van het koninkrijk van mijn vader. Weet u, de gazelle zou weglopen zonder die teugel en dat zou me verschrikkelijk spijten."

"Deze gazelle heeft geen teugel nodig, hoogheid, hij is tam en zal u volgen waar u gaat. U hebt alleen wat rozijnen nodig," zei Ali's vader en hij stopte de teugel snel in de zak met goudstukken.

De prins verzocht zijn leermeester een pond rozijnen te kopen; hij liet die rozijnen in zijn zak glijden en gaf er de gazelle telkens een, terwijl ze doorliepen. En werkelijk, als een goed afgerichte hond volgde de gazelle hem op de hielen en de prins genoot van zijn sierlijke bewegingen. Wat was het een lief en volgzaam dier! Hij stak warempel de neus al in zijn zak!

Dat vond de prins zo leuk, dat hij zijn zak zo ver mogelijk openzette, zodat de gazelle gemakkelijker bij de rozijnen kon komen. Het gevolg was dat het vreemde dier nu probeerde behalve de bek ook de voorpoten in de zak te steken!

"Kijk eens, de gazelle wil in mijn zak klimmen! Hij zou zich het liefst in de rozijnen begraven," zei de prins tegen zijn leermeester.

De leermeester keek beter toe en zag tot zijn verbijstering kop en hals van het dier in de zak van de prins verdwijnen, waarna schouders, romp en buik en ten slotte de achterpoten volgden, zodat alleen de hoeven nog zichtbaar waren - en ook die waren even later verdwenen. De gazelle was geheel en al in de zak van de prins weggekropen en had daarover maar een paar minuten gedaan; allen die dit ongeloofwaardig gebeuren hadden aanschouwd - en dat waren minstens vijftig mensen - konden bij de pantoffels van hun vader zweren dat ze zich niet vergist hadden!

Met uitpuilende ogen en een van verbazing openhangende mond begon de prins met zijn hand in zijn zak te tasten. Waar was zijn sierlijk speelmakkertje gebleven? Het arme diertje moest tot de omvang van een muis ineengeschrompeld zijn, als hij plaats in die zak kon vinden!

Zijn vingers kwamen met een of ander in aanraking, maar in plaats van de harige pels van zijn speeldiertje voelde hij iets dat aan vogelveren deed denken en op hetzelfde ogenblik vloog er met snorrend geluid een spreeuw uit zijn zak en de lucht in. Eer men besefte wat er gebeurde, was hij als een stipje in de hemel verdwenen. De leermeester greep de prins bij de hand en draafde met hem terug naar de bazaar, waar hij de vreemdste koop van zijn leven had gesloten. Maar waar hij ook zocht, de man die hem de gazelle had verkocht, was nergens meer te bekennen.

Onderwijl was Ali's vader al een heel eind gevorderd langs de stoffige weg naar huis; hij had zo snel gelopen dat de ontsnapte spreeuw hem niet ver voor was. Maar zodra de vogel met zijn vleugel de huisdeur aanraakte, stond Ali weer voor het huis. En toen zijn vader ook thuiskwam, zag hij zijn zoon in de deuropening wachten en ze begroetten elkaar hartelijk.

Ze gingen naar binnen en de vader liet de inhoud van de zak op de tafel rollen. Verrukt keken ze toe. De gouden glans verdreef de schaduwen tot uit de uiterste hoeken van de kamer. "Het ziet ernaar uit dat we eindelijk rijk zijn, zoon," zei Ali's vader. "Maar ik zou nog meer willen hebben, zodat ik nooit meer de hand aan de ploeg hoef te slaan. Ik zou de rest van mijn dagen graag willen slijten met eten en drinken en leven als een vorst."

"Zoals u wilt," zei Ali. "Ga morgenvroeg naar de stal en u zult er een ezel aantreffen zo fraai, dat geen ander lastdier met hem kan wedijveren. Breng hem naar de markt, maar vergeet niet hem de halster af te nemen, voor u hem verkoopt."

De volgende ochtend stond de jongen ook weer heel vroeg op, mompelde de toverspreuk, balkte driemaal luid zoals Och het hem geleerd had en op zijn plaats stond een schitterende grijze ezel met een vel dat glansde als zilver en die ezel droeg een oude versleten halster om de nek.

Ali's vader kwam even later de stal binnen en bracht met trots gelaat de ezel naar de markt. De marktbezoekers staakten het loven en bieden zodra hij verscheen en kwamen het mooie dier bewonderen, het mooiste dat ooit in de stad was vertoond.

Helaas stond ook Och tussen de mensen. De dag tevoren had hij twee reizigers die onder de walnotenboom zaten uit te rusten, horen praten over de gazelle, die in de zak van de prins was verdwenen. Hij had even nagedacht en was tot de conclusie gekomen, dat alleen Ali dit gedaan kon hebben.

"Geen enkele jongen die de geheimen van mijn kunst kende, heeft ooit naar de wereld van de stervelingen mogen terugkeren," dacht Och. "Ze liggen allemaal veilig in de pekel in die vaten in mijn ondergrondse kelders. Alleen Ali heb ik, stommeling die ik was, vrijgelaten. Hij heeft met nog meer geestdrift de onnozele hals uitgehangen dan de koekjes van mijn dochter verslonden, maar hij is met mij nog niet klaar!"

Met de punt van zijn magische hazelaartak trok de dwerg een kring ter grootte van een molensteen en op hetzelfde ogenblik was hij veranderd in een welgestelde molenaar, die zijn schreden naar de markt in de stad richtte... En nu stond hij daar voor de ezel en herkende ogenblikkelijk Ali aan de kleur van zijn ogen.

"Nou, nou, vriendje, het heeft niet veel tijd gekost je te vinden," zei hij in zichzelf en wendde zich tot de man die de halster in de hand hield.

"Zeg eens, brave man, hoeveel moet je voor je ezel hebben?" vroeg hij.

"Tweehonderd goudstukken," antwoordde Ali's vader. Er werd door de omstanders verbijsterd gemompeld, want het was een ongehoord hoog bedrag voor een ezel.

"U vraagt bepaald geen zacht prijsje, maar goed! Het is werkelijk een fraai dier en dat weet u ook." En de tovenaar haalde zijn buidel te voorschijn en wilde het koord al openmaken, toen zijn hand verstarde, want Ali's vader deed de ezel de halster af.

"Wat doet u nou?" riep de molenaar, die de dwerg was. "Dat dier moet de halster omhouden."

"Ach, beste man, wat hebt u nu aan zo'n oude versleten halster? Die past toch niet bij dit fraaie dier?" kreeg hij te horen.

"Houd me ten goede, maar ik weet een en ander van ezels af. Het dier is aan deze halster gewend en zal zich als een lam laten meenemen."

"Nee, ik kan u de halster niet verkopen, hij is me door mijn vader nagelaten. Dat zult u kunnen begrijpen."

"Ik geef u er honderd goudstukken voor."

"Het spijt me, nee. Laten we er niet meer over praten."

"Tweehonderd! Wat zegt u nu?"

"Dat u me niet in verleiding moet brengen."

En zo ging het door. Ali's vader hield voet bij stuk en de dwerg ging steeds hoger met zijn bod en ten slotte bood hij het bedrag van vijfhonderd goudstukken. Tegen zoveel geld had de man geen weerstand meer, zijn gezond verstand moest het tegen zijn hebzucht afleggen. "Vijfhonderd, zei u? Voor die halster? Hij is verkocht en veel geluk ermee."

Tevergeefs keek de ezel die Ali was, zijn vader mistroostig en smekend aan. Tevergeefs balkte hij vertwijfeld. De boerenknecht, blind en doof voor alle smeekbeden, maakte zijn zak al open om het geld van de tovenaar in ontvangst te nemen.

Och betaalde het geld uit, sprong op de ezelrug en nam de kortste weg naar de stadspoort en zijn huis.

"Je wilde mij dus te slim af zijn, hè?" zei de dwerg tegen de ezel, zodra ze zich buiten de stadsmuren bevonden. "Weet je welke straf een leerling krijgt, die zijn leermeester belachelijk durft te maken? Dit zal je duur te staan komen. Wacht maar!"

En daarna plantte hij zijn hakken in de flanken van de ezel en hij deed het zo gewelddadig, dat het arme dier balkte van pijn en vlugger begon te lopen. Het duurde niet lang of ze hadden de put en de oude walnotenboom bereikt en Och dreef de ezel de holle stam binnen en de notenweide op.

"Haal me een mes uit je keuken," schreeuwde hij zijn dochter toe, zodra hij op de grond stond. "Ik heb trek in gebraden ezelvlees voor het avondeten."

"Zo'n prachtige ezel! En kijk die verdrietige ogen eens!" zei het meisje. "Spaar zijn leven, vader. Het is jammer zo'n mooi dier te doden. Geef hem liever aan mij als rijdier."

"Stomme meid," snauwde de dwerg. "Kijk hem eens goed in de ogen. Zijn het geen ogen die je eerder hebt gezien? Ik zal je eens wat zeggen. Dit is Ali. Hij heeft me bedrogen, maar nu heb ik hem weer in mijn macht."

De dochter van de dwerg vloog naar het huisje, waar ze altijd notensoep en notenpastei, notenkoekjes en notengebak voor Och maakte. Ze griste het mes van de tafel en besloot het in de diepe plas aan de rand van de weide te gooien. Op die manier kon ze mogelijk het leven van Ali nog redden. Zodra ze het gedaan had, ging ze terug naar de dwerg en vertelde hem: "Vader, ik wilde het mes in de plas afspoelen en toen is het aan mijn hand ontglipt!"

"Wie had tegen je gezegd dat je het moest afspoelen, onhandige sukkel!" schreeuwde Och woedend. "Ga dat mes dadelijk uit het water opvissen."

"O nee," zei het meisje, "de plas is te diep. Ik zou er misschien invallen en verdrinken."

"Kom hier en houd de ezel bij de halster, dan zal ik het mes gaan halen," zei de dwerg, "maar laat de halster niet aan je vingers ontglippen. Denk eraan, dat je hem goed vasthoudt."

Nauwelijks was de dwerg verdwenen, of het meisje nam haastig de ezel de halster af. Ali mompelde een toverspreuk en op de plaats van de ezel fladderde een duif, die zich met klapperende vleugels hoog in de lucht verhief.

"Wat krijgen we nou? Onze ezel is op de wieken gegaan!" krijste Och ziedend van woede, zodra hij de duif in het oog kreeg. Op hetzelfde ogenblik veranderde hij zich in een havik en zette de duif na. De duif die het gevaar zag naderen, vloog ijlings naar de tuin van de sjah, waar hij zich tussen de heesters liet vallen en zich in een fraai rode roos veranderde. Onverwijld veranderde Och zich van een havik in een baardige derwisj en ging voor het gestileerde smeedijzeren hek staan, dat toegang gaf tot de tuin.

Het duurde niet lang of hij werd opgemerkt door de wacht, die zich dadelijk naar de sjah begaf om de komst van de bezoeker te melden. De sjah zat te rusten in de schaduw van dezelfde heester, die de roos droeg waarin Ali zich veranderd had, toen de schildwacht hem kwam vertellen dat de heilige aan de poort stond.

"Geef de man een aalmoes en zend hem heen," antwoordde de sjah en gleed weer weg in zijn aangename sluimering.

De wacht haastte zich het bevel uit te voeren, maar toen hij bij de derwisj kwam, riep de heilige: "Houdt uw geld, mijn vriend. Ik zoek geen geld, maar schoonheid. Ik zou zo graag die fraaie roos boven het hoofd van de sjah willen plukken."

Voor de tweede maal werd de sjah uit zijn slaap gewekt, maar hij voldeed bereidwillig aan het verzoek, om maar zo gauw mogelijk met rust te worden gelaten.

En zo werd Och in de vermomming van een derwisj, een heilig man, in de tuin gelaten. Zijn lange magere vingers grepen al toe, toen de roos plotseling omhoog vloog en veranderde in een smaragd, die neerviel in de kroon van de sjah. Dit was zoiets vreemds, dat de sjah meende een droom te beleven; smaragden vliegen nu eenmaal niet als sprinkhanen door de lucht. Met een tevreden zucht sloot hij de ogen dan ook weer en vouwde zijn handen samen op zijn buik.

Nog eens werd hij in zijn rust gestoord, toen hij de stem van de derwisj hoorde zeggen: "Moge Allah u boven alle heersers op aarde verheffen, majesteit. En mag ik die smaragd hebben?"

"Goed, goed, die kunt u krijgen," zei de sjah, opgeschrikt uit zijn sluimer en niet beseffend wat hij zei. En hij nam de kroon van zijn hoofd en wilde de smaragd eruit trekken. Op hetzelfde ogenblik veranderde de groene steen evenwel in een rode granaatappel, die als een overrijpe meloen openbarstte en de zaden in het dichte gras verspreidde.

De derwisj liet zich niet van de wijs brengen en veranderde zich op slag in een haan, die de zaden een voor een zo vlug mogelijk oppikte. Voor hij daarmee klaar was veranderde een zaad dat aan zijn pikkende snavel was ontsnapt in een jakhals, die de haan besprong, hem de kop afbeet en tussen de heesters verdween.

De sjah kroop vergezeld van de vele dienaren, die om hem heen waren komen staan, op handen en voeten de jakhals na en bereikte juist op tijd de rand van een open plek om het dier in een vijgenbosje tot staan te zien komen. En met open monden keken allen toe, terwijl de jakhals driemaal de oren spitste; daarna scheurde zijn vacht op de rug open en er kwam een krachtig gebouwde knappe jongeman te voorschijn. Ze renden naar hem toe en vroegen hem wie hij was en hoe hij bij al die tovenarij betrokken was geraakt en Ali, nu weer in het bezit van een mensenstem, deed zijn verhaal.

De sjah liet zich met gekruiste benen in het gras neer en draaide met zijn duimen, terwijl hij de wonderbaarlijke avonturen van de jongeman beluisterde. En al gauw begon hij met het hoofd te knikken. Dit alles was zo zonderling, dat het alleen uit een droom kon stammen. Terwijl Ali doorvertelde, viel de sjah vast in slaap.

Ali keerde terug naar de hut van zijn vader en de twee betrokken een huis niet minder groot dan het paleis van de sjah. Maar Ali was wel zo verstandig nooit meer te reppen van de dwerg of van zijn toverkunsten. En hij liep met een grote boog om de oude walnotenboom heen.


*   *   *

Ali's vreemde avontuur Samenvatting
Een Arabisch sprookje over een jongen die toverkunsten leert. Een arme jongen komt een walnootkabouter tegen die Och heet. Deze neemt hem gevangen en leert hem toverkunsten in zijn eigen onderaardse rijk. Door zich dom te houden weet de jongen te ontsnappen. Met behulp van de geleerde toverkunsten - waarmee hij zich in allerlei dieren en dingen kan veranderen - maakt hij zijn vader rijk. Lees het verhaal

Toelichting
Vergelijk met het Russische sprookje De boskoning Och. Aan het eind komt het motief voor, dat we ook vinden in het sprookje van de gebroeders Grimm De gauwdief en zijn meester, De toverleerling uit Denemarken, het Indiase Meneer Bhoenga en het Friese sprookje De jongen die leerde lezen. Hetzelfde motief vindt men ook in O. Preussler: "Meester van de zwarte molen."

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Perzische sprookjes" bewerkt door Margot Bakker. Uitgeverij N. Kluwer N.V., Deventer, 1972. Afbeelding van Luděk Maňásek. ISBN: 9020200151

Herkomst: Oezbekistan
Verteltijd: ca. 45 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook