Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 33 min.
Herkomst:

Boekoetsjigan de Luizen-Hadji Een verhaal uit Azerbeidzjan over een door een vos rijk geworden Hadji

Ver in het zuiden van Rusland, waar het rijk der christenen ophoudt en de volgelingen wonen van Allah en de Profeet Mohammed, leefde eens een arme voddenkoopman.

Hij was een gelovig man. En omdat hij in zijn jonge jaren de grote bedevaart had ondernomen naar de Heilige Stad van de Profeet, mocht hij de titel Hadji voeren. Overigens was die titel het enige dat hij bezat, want verder kon hij niet veel meer zijn eigendom noemen, dan de armzalige vodden waarin hij handel dreef. En omdat hij zelf ook in lompen gekleed ging en er met zijn warrige baard en ongekamde haren erg vies en onverzorgd uitzag, noemde men hem in zijn dorp algemeen de Luizen-Hadji. Op een dag merkte de Luizen-Hadji, dat er 's nachts werd gestolen van zijn vodden, die hij achter zijn hutje had opgeslagen. Hij nam een dikke knuppel en ging bij het vallen van de avond op wacht staan, om de dader op heterdaad te betrappen. Het duurde niet lang, of hij zag een vos aankomen, die er al even armoedig uitzag als hij zelf. De vos was uitgehongerd en zijn vacht en staart vertoonden overal kale plekken. De Luizen-Hadji wachtte tot de vos in de stapel met vodden ging wroeten op zoek naar iets eetbaars. Toen sprong hij naar voren, zwaaide met zijn knuppel en riep: "Ha, nu heb ik je betrapt, lelijke dief! Wilde jij van mijn moeizaam bij elkaar gezochte koopwaar stelen. Ik zal je eens een flinke aframmeling geven!"

De vos riep echter: "Kalm aan, kalm aan, Luizen-Hadji! Heb je nooit van het spreekwoord gehoord: Snelle rivieren vinden de zee niet? Niet zo overhaast! Wil je me om die paar armzalige vodden dood slaan, terwijl ik kan maken, dat je niet alleen rijk en beroemd wordt, maar bovendien nog de dochter van onze Khan (koning) tot vrouw krijgt."

"Dat wil ik wel eens zien!" - riep de Luizen-Hadji ongelovig - "Maar denk er om: als blijkt, dat je me maar wat hebt voorgelogen, dan zul je daar nog berouw van hebben."

"Wacht nu maar rustig af" - zei de vos - "Ik zal doen, wat ik gezegd heb. Alleen op één voorwaarde: als je rijk en beroemd bent geworden, dan moet je er voor zorgen, dat ik iedere dag een groot stuk schapenvlees te eten krijg. En zelfs wanneer ik gestorven zal zijn, dan moet je mijn lijk nog in een mooie vette lap vlees wikkelen." En de vos likte zijn lippen af alleen al bij de gedachte aan zo iets heerlijks.

De Luizen-Hadji stemde toe en de vos toog meteen aan het werk. Hij ging naar de grote mesthoop, waar al het afval van het hele dorp werd neergegooid en wroette en groef daar net zo lang in rond, tot hij één zilveren abbas (een twintigkopekenstuk) en één goudroebel had gevonden.

Daarop begaf hij zich naar het paleis van de Khan, die over het rijk regeerde waarin het dorp van de Luizen-Hadji lag. "O, grootmachtige Khan" - riep de vos, terwijl hij zich voor de troon op de grond wierp - "Moge Allah u gezondheid en welvaart schenken tot in lengte van dagen."

De Khan vroeg de vos, wat de reden was van zijn komst. "Ik heb het hele land afgezocht, o Khan, om een mand te vinden, groot genoeg, om er het zilver mee te meten van mijn meester, de edele Boekoetsjigan. Is er in uw paleis misschien zo'n mand, opdat ik die voor één dag zou mogen lenen?"

De Khan liet door zijn dienaren een reusachtige mand aandragen, gaf die aan de vos, maar vroeg tevens nieuwsgierig: "Boekoetsjigan? Wat is dat voor een vreemde naam? Die heb ik nog nooit gehoord? Wat is je meester eigenlijk voor iemand?"

"Mijn meester, de edele Boekoetsjigan, is een groot en machtig vorst, o Khan, en ik ben zijn Grootvizier" - zo sprak de vos en hij nam de mand en vertrok.

's Avonds bracht hij de mand weer naar het paleis van de Khan terug. Van te voren had hij echter eerst de zilveren abbas tussen het vlechtwerk gestoken.

"Die ellendige vos zal me wel weer iets hebben voorgelogen" - dacht de Khan bij zich zelf - "Laat ik eens kijken, of er van zijn praatjes over dat zilver van zijn meester iets waar is." En hij liet door zijn dienaren de mand omkeren en flink uitschudden. Toen viel er de zilveren abbas uit...

"Inderdaad! Het is waar, wat die vos me heeft verteld" - riep de Khan uit - "Kijk, er is van het zilvergeld van zijn meester nog iets tussen het vlechtwerk van de mand blijven zitten! Maar wie is dan die machtige en grote vorst met zijn vreemde naam: Boekoetsjigan?"

De volgende dag in alle vroegte kwam de vos opnieuw naar het paleis. Deze keer vroeg hij een nog grotere mand te leen, want zijn meester wilde zijn goud nameten. De Khan liet de allergrootste mand die er in zijn paleis te vinden was aandragen en aan de vos geven. Deze bedankte en ging heen. Bij het vallen van de avond bracht de vos de mand weer terug. Maar ook deze keer had hij van te voren eerst de goudroebel tussen het vlechtwerk gestoken.

"En?" - riep de Khan al van verre, toen hij de vos zag aankomen - "Is het gegaan met die reusachtige mand?"

"Hij was wel een beetje aan de kleine kant, o Khan" - zei de vos - "Maar omdat we van de vroege morgen tot nu toe aan één stuk hebben doorgewerkt, hebben we al het goud van mijn meester er tenslotte nog mee kunnen nameten. Mijn meester, de edele Boekoetsjigan, laat u nog wel bedanken." En de vos verliet het paleis weer.

Nauwelijks was de paleispoort achter hem dichtgevallen, of de Khan liet ook deze keer de mand omkeren en uitschudden. En toen de dienaren het reusachtige gevaarte wegtrokken, lag daar een goudroebel op de grond...

"Het is waar" - mompelde de Khan, die stil werd van ontzag - "Daar ligt nog een goudstuk, dat tussen het vlechtwerk is blijven zitten. Maar dan moet deze Boekoetsjigan een rijkdom bezitten, waar de mijne geheel bij in het niet verzinkt! Kon ik die machtige en grote vorst maar eens ontmoeten."

De derde dag verscheen de vos echter weer in het paleis van de Khan. "Moet je weer een mand hebben?" - riep deze, die nog maar nauwelijks van zijn verbazing van de vorige keer was bekomen.

"Nee, o Khan, ditmaal kom ik als Grootvizier van mijn meester u om de hand van uw dochter vragen. De edele Boekoetsjigan wil met haar in het huwelijk treden."

De Khan kon zijn oren niet geloven en sprong bijna van zijn troon op van verrassing. Zo'n aanzienlijke en rijke schoonzoon had hij zich in zijn stoutste dromen zelfs niet durven denken. Gretig ging hij op het huwelijksaanzoek in en gaf zijn toestemming.

"Morgen zal ik mijn meester naar hier begeleiden" - sprak de vos verder - "En hij rekent er op, dat u hem in overeenstemming met zijn rang en stand zult ontvangen."

De Khan beloofde dat te zullen doen en hem bovendien nog een gezantschap van hoge edellieden ter verwelkoming tegemoet te zenden. Daarop keerde de vos naar het dorp van de Luizen-Hadji terug. Daar aangekomen, haastte hij zich zoveel wilde bergbloemen te plukken, dat hij er een statiemantel voor de Luizen-Hadji van kon vlechten. Uit een zilverwitte berkenboom sneed hij vervolgens een geweer, dat hij hem over de schouder hing en van een paar goudgele zonnebloemen maakte hij een muts.

En toen de Luizen-Hadji daar stond met zijn mantel van kleurige wilde bergbloemen, zijn geweer van berkenhout en de muts van gele zonnebloemen zag hij er uit zo bont als de regenboog. "Kom nu mee" - sprak de vos - "Dan breng ik je naar het paleis van de Khan. Maar luister goed. Als we straks bij de grote rivier komen, die we over moeten trekken, dan zal aan de andere oever een gezantschap van hoge edellieden op je wachten. Als je nu midden in de rivier bent, moet je net doen of de stroom je meesleurt en je dreigt te verdrinken. De edellieden van de Khan zullen je te hulp snellen en dan zal ik wel zorgen, dat alles verder in orde komt."

De Luizen-Hadji beloofde te zullen doen, zoals de vos hem gezegd had en ze vertrokken naar het paleis van de Khan. Bij de rivier aangekomen, stond inderdaad aan de andere oever reeds een gezantschap van hoge edellieden te wachten. De Luizen-Hadji waadde door de rivier, maar in het midden aangekomen, deed hij net of hij door de stroom werd meegesleurd en hij stortte zich in het water. Op zijn hulpgeroep snelden de edellieden hem te hulp en haalden de Luizen-Hadji weer behouden op het droge.

Maar o wee! Het stromende water van de rivier had zowel de mooie statiemantel van kleurige wilde bergbloemen, als het geweer van zilverwit berkenhout en de muts van gele zonnebloemen meegevoerd en de Luizen-Hadji stond poedelnaakt te midden van de edellieden van de Khan. Deze haastten zich echter hem van nieuwe kleren te voorzien en weldra was de Luizen-Hadji in een prachtig vorstelijk gewaad gekleed, terwijl een met kostbare stenen bezet zwaard hem aan de gordel hing. Nu was onze Luizen-Hadji niet veel anders gewend, dan zijn oude versleten schapenpels en hij voelde zich in zijn mooie nieuwe kleren dan ook allerminst op zijn gemak. Hij deed niets anders dan maar aan zijn kleren te plukken en te trekken, terwijl hij ook ieder ogenblik over zijn zwaard struikelde, dat hem voor de voeten hing.

De edellieden van de Khan zagen dat verbaasd aan en fluisterden elkaar toe: "Vreemd, het is net, of de edele Boekoetsjigan niet gewend is zulke vorstelijke kleren te dragen. En waarom struikelt hij toch altijd zo over zijn zwaard?"

Toen de vos deze woorden hoorde, kwam hij naar voren en sprak: "Natuurlijk voelt mijn meester zich niet op zijn gemak in deze armzalige kledingstukken. Hij moet er eerst aan wennen, want zelf draagt hij altijd heel wat beters."

"Wat pleegt de edele Boekoetsjigan dan te dragen, Heer Grootvizier?" - vroegen de edellieden - "Wij zagen uw meester wel aan de overzijde van de rivier staan, maar de afstand was te groot om duidelijk te kunnen zien, wat hij precies aanhad. Het leek ons echter wel een zeer kleurig gewaad toe. Hij zag er uit als de regenboog."

"Natuurlijk was het statiegewaad van mijn heer vol en rijk van kleur. Het was immers van boven tot beneden geheel bezet met kostbare gekleurde edelstenen. Hebben jullie al die kleuren niet in de zon zien flonkeren en glanzen? En hebben jullie de gouden kroon niet gezien, die hij op het hoofd had?" - zo vroeg de vos.

"Ja" - mompelden de edellieden vol ontzag - "Wij zagen een schittering van kleuren en ook hebben we wel gezien, dat uw meester iets geels op het hoofd had."

"Dat die gouden kroon en die kleurige statiemantel verloren zijn gegaan, is echter het ergste niet" - hernam de vos - "Daar heeft hij toch kisten vol van. Ik vind het echter wel jammer van zijn fraaie zilveren geweer, dat hij nog persoonlijk van de Sultan van Turkije ten geschenke heeft gekregen. Zagen jullie dat niet glanzen in de zon?"

"Wij zagen inderdaad, dat de edele Boekoetsjigan een geweer over de schouder droeg, dat glansde als van zilver" - beaamden de edellieden. "Niets aan te doen" - besloot de vos - "Hij zal zich nu maar tevreden moeten stellen met de kleren die hij thans draagt en met een zwaard in plaats van een geweer. Maar hij moet daar nog even aan wennen." De edellieden keken vol eerbied naar de Luizen-Hadji en men vervolgde zijn weg naar het paleis van de Khan.

Deze ontving zijn aanstaande schoonzoon met alle pracht en praal in de troonzaal van zijn paleis. Toen deze echter de door grote kristallen kaarsenkronen verlichte zaal binnentrad, waar de wanden en het plafond schitterden van het verguldsel en een spiegelende marmeren vloer al dat glanzen en fonkelen weerkaatste, keek hij zijn ogen uit naar al die schoonheid om zich heen en kon geen stap verder doen.

De Khan zag dat verwonderd aan en terwijl hij zich naar de raadslieden naast de troon boog, fluisterde hij: "Het is net, of deze Boekoetsjigan voor het eerst van zijn leven een troonzaal betreedt. Kijk hem eens onhandig en verbaasd doen."

Ook dit hoorde de vos weer en terwijl hij voor de troon trad, sprak hij: "Mijn meester, de edele Boekoetsjigan, biedt u zijn verontschuldigingen aan, o Khan, dat hij zich niet wat beter beheerst en zijn teleurstelling zo duidelijk laat blijken. Natuurlijk had hij niet verwacht, dat uw paleis gelijk in schoonheid zou zijn aan het zijne. Maar nu dit zo sober en eenvoudig blijkt, vormt dit toch wel een teleurstelling voor hem. Uw bescheiden woning hoeft echter geen beletsel te vormen voor het huwelijk, zodat hij bereid blijft uw dochter tot vrouw te aanvaarden. Haar edele geboorte is hem tenslotte meer waard, dan haar geringe rijkdom."

En ook de Khan keek nu vol ontzag naar de Luizen-Hadji en was tegelijkertijd vereerd, dat een dergelijk machtig en rijk vorst zijn dochter ter wille van haar edele geboorte tot vrouw wilde hebben. Het huwelijk werd dan ook gesloten en een volle week duurden de feesten van de bruiloft. Daarop kreeg de prinses van haar vader een grote bruidsschat mee en de Luizen-Hadji maakte zich gereed om met zijn jonge vrouw weet naar huis terug te keren. De Khan, die de bescheiden indruk die zijn paleis had gemaakt, weer enigszins goed wilde maken, gaf het jonge paar een groot gevolg mee van muzikanten, soldaten en edellieden.

Voorop liepen muzikanten met bekkens en bazuinen, met trommen en trompetten, die vrolijke muziek lieten horen. Daarna kwam een stoet ruiters op vurige paarden, die onafgebroken vreugdeschoten afvuurden. En tenslotte volgden met drie paarden bespannen strijdwagens, die het stof hoog deden opdwarrelen.

Het was een prachtige stoet en reeds drie uur van te voren kon men het schetteren van de muziek, het knallen der geweren en het ratelen van de wagens horen.

Toen sprak de vos tot de Luizen-Hadji en zijn jonge vrouw: "Ik ga vast vooruit, om alles in orde te maken voor de ontvangst." En hij rende weg, zo snel als zijn poten hem konden dragen.

Na enige tijd te zijn voortgesneld, kwam hij aan een uitgestrekte steppe, waar een grote kudde koeien aan het grazen was. "Aan wie behoren die koeien?" - vroeg de vos aan de herders die daarbij waren.

"Deze kudde koeien is van de Draak met de zeven koppen."

"Als ik jullie een goede raad mag geven, zeg dat dan nooit meer van je leven" - zo ging de vos verder - "Zien jullie ginds aan de horizon die stofwolk en horen jullie dat machtige leger aankomen? Dat is mijn meester, de edele Boekoetsjigan, voor wie reeds zeven Khans het hoofd hebben gebogen. Thans trekt hij op naar het kasteel van de Draak met de zeven koppen om ook die te verslaan. En als jullie straks gevraagd wordt, van wie deze kudde koeien is, geeft dan ten antwoord: Van de edele Boekoetsjigan. Als jullie tenminste niet door zijn krijgsknechten dood geslagen wilt worden."

Vol vrees beloofden de herders te zullen doen, wat de vos hen gezegd had en deze snelde weer verder. En zo kwam hij achtereenvolgens bij de paardenkudde en de schapenkudde van de draak en diens onafzienbare korenvelden, waar talloze maaiers aan het werk waren. Ook hier vertelde de vos hetzelfde verhaaltje en zowel de paarden - en schapenhoeders als de maaiers van het koren beloofden voortaan aan iedereen te zeggen, dat het de edele Boekoetsjigan was, bij wie ze in dienst waren. De vos echter snelde nog verder, tot hij bij het kasteel van de Draak met de zeven koppen zelf kwam.

"Draak! Draak!" - zo riep hij reeds van verre - "Vroeger heb jij mij eens een weldaad bewezen en dat heb ik niet vergeten. Daarom kom ik je nu waarschuwen voor een groot gevaar dat je dreigt." - "Wat gevaar!" - brulde de draak en hij stak zijn zeven koppen boven de tinnen van zijn kasteel uit - "Mij dreigt geen enkel gevaar, want ik ben bang voor niemand."

Zeg dat niet te snel" - hernam de vos - "Hoor je daar in de verte die krijgsmuziek, dat knallen van geweerschoten en het ratelen van strijdwagens? Dat is mijn meester die daar nadert, de edele Boekoetsjigan. En de legers van zeven aan hem onderworpen Khans volgen hem. Als je door de krijgsmacht van mijn meester niet verpletterd wil worden, maak dan dat je weg komt!"

Inderdaad hoorde de draak in de verte een dof gedreun en gerommel, of er een machtig leger in aantocht was. En toen hij bovendien nog een donkere stofwolk zich boven de horizon zag verheffen, haastte hij zich zijn kasteel uit en vroeg aan de vos:

"Tegen de verenigde legers van zeven Khans ben ik niet opgewassen. Maar weet jij een plaats, vos, waar ik me zal kunnen verbergen?" - "Verstop je hier" - zei de vos, terwijl hij op een grote hooiberg wees, die naast het kasteel stond - "Als je helemaal in het hooi kruipt, zal niemand je daar vinden. En als mijn meester voorbij getrokken is, kun je weer veilig voor de dag komen."

Dat vond de draak een uitstekend idee en hij kroop helemaal weg in het hooi. Nauwelijks had hij dit echter gedaan, of de vos stak de hooiberg aan de vier hoeken in brand. In een ogenblik stond alles in lichterlaaie en de Draak met de zeven koppen kwam jammerlijk om in de loeiende vlammen.

Intussen had de Luizen-Hadji met zijn door de Khan meegegeven gevolg de steppe bereikt, waar de koeien van de draak graasden. "Van wie zijn deze koeien, herders?" - vroegen de edellieden van de Khan die de stoet openden.

"Ze zijn van onze meester, de grote Boekoetsjigan, o edele heren" - antwoordden de herders vol vrees. In diep ontzag over zoveel rijkdom keken de edellieden van de Khan om zich heen naar de duizenden koeien en de stoet trok weer verder.

En zo kwam men achtereenvolgens ook bij de paarden en de schapen van de draak en zijn uitgestrekte korenvelden. En ook daar antwoordden de herders en de maaiers op de vraag, van wie dit allemaal wel was: "Boekoetsjigan is de eigenaar van deze kudden vee en van deze landerijen."

Het gevolg van de Luizen-Hadji geraakte hoe langer hoe meer in verbazing over de ongehoorde macht en de talloze bezittingen van de nieuwe schoonzoon van de Khan. Maar het meest van allen was toch wel de Luizen-Hadji zelf met stomme verwondering geslagen. Hij, die niets anders bezat dan een bouwvallig hutje en een vieze hoop vodden, reed hier nu door onafzienbare kudden koeien, paarden en schapen en temidden van tot de horizon reikende korenvelden, die allemaal opeens van hem bleken te zijn. Hij dacht, dat de wereld volslagen gek geworden was en deed niets anders, dan maar verbijsterd om zich heen kijken.

Tenslotte kwam men bij het vallen van de avond bij het kasteel van de draak. Het was een prachtig gezicht zoals het daar lag in de stralen van de ondergaande zon. Met zijn muren van blinkend wit marmer, zijn glanzende gouden daken en fonkelende spitsen van roodgloeiend robijn. "Van wie is toch dat wonderlijk mooie slot!" - riep het gevolg van de Luizen-Hadji - "Het is groter en fraaier, dan dat van onze heer, de Khan! Het moet een machtig vorst zijn die hier woont."

Op dat ogenblik ratelde de ophaalbrug omlaag en kwam de vos naar buiten: "Welkom, edele Boekoetsjigan! Welkom in uw eigen kasteel!" - zo riep hij uit en hij maakte een uitnodigend gebaar voor de Luizen-Hadji en zijn jonge vrouw om binnen te treden. Het gevolg van de Khan werd nu teruggezonden, om aan hun meester te berichten over de eindeloze bezittingen van zijn nieuwe schoonzoon en diens fraaie kasteel. En de Luizen-Hadji en zijn jonge vrouw bleven verder op het kasteel wonen.

Nu braken er goede tijden aan, zowel voor de Luizen-Hadji en zijn vrouw als voor de vos. Zoals afgesproken, kreeg hij iedere dag een vet stuk schapenvlees te eten en verder had hij niets anders te doen, dan zich in de zon te koesteren en te liggen slapen. En ook de Luizen-Hadji beviel het leven als kasteelheer heel wat beter, dan dat van arme voddenkoopman. Hij werd rond en dik van het luie leventje.

Toen, op een goede dag, dacht de vos bij zich zelf: "Ik heb de Luizen-Hadji nu aan macht en rijkdom geholpen, maar ik zou wel eens willen weten, hoe hij eigenlijk over mij denkt."

En daarom ging hij languit midden op het kasteelplein liggen, net of hij dood was.

Toen de dochter van de Khan de vos daar zag liggen, rende ze naar haar man toe en riep: "Man! Man! Kom eens kijken wat er met onze goede vos is gebeurd. Hij ligt dood op het kasteelplein!"

De Luizen-Hadji ging kijken. En toen hij daar inderdaad de vos zag liggen, zei hij: "Voor mijn part ben je zeven maal dood, want het begint me knap te vervelen, om altijd met een vos samen te moeten wonen."

Nauwelijks had hij dit echter gezegd, of de vos sprong weer overeind en terwijl hij over het kasteelplein ronddanste, zong hij het liedje:

Vertel ik 't? Vertel ik 't niet?
Hoe iedereen zich foppen liet!
Boekoetsjigan is nu van dit slot de heer,
De Luizen-Hadji was dat niet weleer!
Een kroon van zonnebloemen is geen goud,
't Geweer dat was van berkenhout...

Toen de Luizen-Hadji dat hoorde, schrok hij hevig en hij viel op zijn knieën voor de vos neer en smeekte hem om vergiffenis. Want o wee! als de dochter van de Khan te weten zou komen, dat ze eigenlijk met een voddenkoopman getrouwd was!

De vos was grootmoedig en vergaf de Luizen-Hadji zijn ondankbaarheid. En toen leefden de Luizen-Hadji, de dochter van de Khan en de vos nog lange jaren gelukkig samen.

Aan alles komt echter een eind, en op een zekere dag ging de vos dood. De Luizen-Hadji, die bang was, dat de vos hem ook ditmaal weer voor de gek hield, deed nu gauw, wat hij vroeger had moeten beloven: hij wikkelde de dode vos in een mooi, vet stuk schapenvlees.

En als de vos ook die keer de Luizen-Hadji weer niet bij de neus heeft genomen, dan zit hij daar nu nog in...


*   *   *

Boekoetsjigan de Luizen-Hadji Samenvatting
Een verhaal uit Azerbeidzjan over een door een vos rijk geworden Hadji. Een vos helpt een arme voddenkoopman, de Luizen-Hadji. Het dier zorgt ervoor dat de man de dochter van de khan als vrouw krijgt en een kasteel in een groot rijk dat van een draak is geweest. Ook zorgt het dier voor een rijk leven voor zichzelf. Lees het verhaal

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes van Oost-Europa" verzameld en bewerkt door Doedy Bevelander. C.P.J. van der Peet, Amsterdam.

Herkomst: Azerbeidzjan
Verteltijd: ca. 33 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook