Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 27 min.
Herkomst:




De bergprins en de maanprinses Een oud Italiaans volkssprookje over de Dolomieten

De bergen in Noord-Italië, de Dolomieten, zijn niet altijd zo schitterend wit geweest. Lang geleden waren ze donker en somber, het leek wel alsof ze alle zonlicht tegenhielden. Prinses Lucia werd er zelfs bleek en ziek van. Iedereen hoopte dat de zon het landschap op zou vrolijken. Maar het was uiteindelijk de maan - en de kracht van de liefde - die de donkere bergen veranderde in blinkende toppen.

En dat gebeurde zo...

Heel lang geleden... toen de Dolomieten nog grauw en donker waren, werd het land bestuurd door een goede, rechtvaardige koningin, die weduwe was.

Haar man - de bij iedereen zeer geliefde koning - was omgekomen tijdens de jacht. Dit gebeurde kort na de geboorte van hun eerste kind.

De koning had zijn zoontje maar een keer in zijn armen kunnen houden.

De jongen groeide op en bleek even goed en vriendelijk als zijn vader te zijn. De mensen werden ineens veel vrolijker als de jonge prins in de buurt was. Het leek wel alsof zijn glimlach zelfs de donkerste hoeken van het paleis lichter maakte.

Als de koningin haar zoon meenam op reis. waren alle mensen blij hem te zien. "Kijk. daar komt prins Solatio!" riepen ze dan. "Prins Zonneschijn! Ach. wat lijkt hij toch veel op zijn vader!"

Ook zijn leraren waren erg trots op hem. want de prins was een vlugge leerling.

Hij kon zingen en dansen, en hij leerde hoe hij toespraken moest houden voor grote groepen mensen.

"Hij wordt later vast een prima koning," zei zijn moeder.

Alleen Maga Rosa, zijn kindermeisje (ze was eigenlijk te oud om nog kinder'meisje' genoemd te worden, ze had ook al voor de koningin gezorgd toen die nog klein was!) merkte wat vreemds aan de jonge prins. Ze betrapte de prins vaak terwijl hij 's nachts uit het raam naar de hemel stond te staren.

"Kun je op de maan komen?" vroeg hij dan altijd.

De jaren gingen voorbij, en toen de prins negentien zou worden, vond de koningin het hoog tijd voor een huwelijk.

"Ik wil best trouwen," zei de prins. "Maar alleen als zij van mij houdt en ik van haar." - "Maar natuurlijk," antwoordde zijn moeder. "Je zult je toekomstige vrouw herkennen op het moment dat je haar ziet," fluisterde Maga Rosa.

Er werd een groot verjaarsfeest gehouden. Prinsessen van heinde en verre werden uitgenodigd. Een voor een werden ze aan de prins voorgesteld.

"Heel mooi is die prinses, maar ze wordt mijn vrouw niet," zei de prins in zichzelf. En bij een andere prinses, die zo mogelijk nog mooier was, mompelde hij: "Nee, zij is het ook niet."

De prins danste met alle prinsessen. Hij praatte met ze, maakte grapjes met ze, en alle mensen van het hof keken toe.

Hoewel de prins aardig en vriendelijk genoeg was, werd algauw duidelijk dat geen van de mooie prinsessen zijn hart veroverd had.

Aan het eind van de avond ging de prins naar buiten om een luchtje te scheppen.

Het was volle maan, en de hele tuin werd verlicht door het bleke schijnsel En plotseling... daar zag hij haar, daar was ze - de prinses van zijn hart!

Hij probeerde haar aan te raken, maar zijn handen voelden niets dan lucht. Toen hoorde de prins een zoemend geluid, hij kreeg een licht gevoel in zijn hoofd en hij dacht bijna dat zijn hart uit zijn borstkas werd gerukt. De prins gaf een verschrikkelijke gil.

Zijn ogen brandden alsof hij blind geworden was. Zo strompelde hij naar de grote hal van het paleis terug.

Iedereen begon te fluisteren. "Wat is er met de prins aan de hand?" Hij draaide in het rond en strekte zijn armen uit alsof hij iets probeerde te pakken. Toen viel hij op de grond.

"De prins is ziek geworden!" riepen de gasten toen de koningin naar haar zoon snelde.

"Raak hem niet aan, majesteit," zei Maga Rosa tegen de koningin. "Hij heeft een visioen gehad."

Maga Rosa knielde bij de prins neer en fluisterde zachtjes in zijn oor, net zo lang tot hij zijn ogen opsloeg. Ze hielp hem overeind en bracht hem weg, terwijl de gasten toekeken.

Twee dagen en nachten lag de prins ziek in bed. Hij lag te woelen en te draaien en hij herkende niemand. Steeds maar weer riep hij: "Luna, la luna- de maan, de maan!"

De derde dag ging het wat beter met hem, en Maga Rosa bracht de koningin bij het bed van haar zoon.

"Ik heb haar gevonden, moeder," riep hij meteen. "Maar helaas, ik zal haar nooit kunnen krijgen." En de prins beschreef het prachtige meisje dat hij in het maanlicht had gezien.

"Wij gaan haar zoeken. Stuur boodschappers uit," zo begon de koningin te bevelen. Maga Rosa legde haar hand op de arm van de koningin. "Het heeft geen zin, majesteit," sprak ze. "Zij is niet van deze wereld."

"De maan," riep de prins. "Ze woont op de MAAN..."

Langzamerhand kwam de prins op krachten, maar vanaf die tijd was er nog maar één ding waar hij belangstelling voor had.

Hij sliep de hele dag. Pas na zonsondergang stond de prins op en kleedde zich aan. Dan ging hij naar de heuvels waar hij de hele nacht naar de maan bleef zitten staren.

De mensen begonnen hem prins Pazzo (dat betekent maanziek) te noemen.

"De arme prins heeft zijn verstand verloren," zeiden ze, en ze maakten grapjes over hem.

Wanneer de maan nog maar een klein sikkeltje was, werd er gezegd: "Wat zal prins Pazzo vannacht verdrietig zijn."

Zo dol als de mensen vroeger op hem waren. zo bang waren ze nu voor hem.

"Wie moet er nu regeren. wanneer de arme koningin sterft?" vroegen ze zich af.

En de arme koningin? Die dacht dat haar hart zou breken.

Op een nacht, toen hij weer in de heuvels naar de maan stond te kijken, hoorde prins Pazzo gehang in de verte.

Altijd maar zwerven,
dag en nacht door.
Nooit ergens rusten,
waar doen we het voor?
We hebben geen huis meer,
geen plek om te blijven.
Wat voor zin had het
ons te verdrijven?

Daar zag hij een groep mannetjes. Het leken wel dwergen, ze zagen er heel vreemd uit en droegen grote rugzakken.

"Wie zijn jullie?" riep de prins.

De dwergen stonden stil, verstijfd van angst. Toen deed hun leider een stap naar voren.

"Waarde signorino?" sprak hij. "Wij behoren tot het volk van de Salvani. beschermers der natuur. Lang geleden zijn wij verdreven van de plek waar we leefden, door mensen die de natuur voor zichzelf wilden hebben. Nu zwerven we van de ene plaats naar de andere om een nieuw bos te vinden waar we kunnen wonen. Maar zodra we ergens blijven. en de mensen ons zien. worden ze bang - omdat we anders zijn. Vaak moesten we vluchten voor ons leven. We hadden gehoopt ergens in deze donkere bergen een stille plek te vinden. Waarde signorino. doe ons geen kwaad. We zullen verder trekken."

"Ik denk er niet aan jullie kwaad te doen," antwoordde de prins. Hij zweeg even. "Ik weet wat het is als de mensen bang voor je zijn. Ik ben een prins. maar toch is mijn volk bang voor me. Ik ben anders geworden dan de mensen hadden verwacht. Soms denk ik dat het beter zou zijn om weg te gaan... voor altijd."

"Arme signorino. Is er iets dat we voor je kunnen doen?" vroeg de kleine leider.

"Nee, ik zou niets weten. Maar bedankt voor het aanbod, jullie zijn erg vriendelijk," antwoordde de prins. "Misschien kan ik iets voor jullie doen?"

"We vragen niet veel," zei de leider van de Salvani. "Alleen een rustige plek voor onszelf, waar we in vrede een simpel leven kunnen leiden."

"Ik zal aan mijn moeder, de koningin, vragen of jullie hier in de bergen een plaats uit mogen kiezen om te wonen. Intussen kunnen jullie hier de nacht doorbrengen. Morgen kom ik dan het antwoord brengen," zei prins Pazzo. "Maar nu ga ik naar de maan kijken."

"Naar de maan kijken?" vroegen de Salvani verbaasd. "Waarom doe je dat?"

Prins Pazzo vertelde de Salvani over zijn visioen. "Ik zou alles willen geven wat ik heb, als ik maar naar de maan kon gaan om mijn geliefde te zoeken."

"Tja," zei de leider van de Salvani. "Dan zullen we je niet langer ophouden. Wij gaan een slaapplaats in orde maken en wachten op je antwoord."

De volgende dag ging prins Pazzo naar de vertrekken van zijn moeder. Die was overgelukkig dat haar zoon op klaarlichte dag rondliep.

Toen hij vroeg of de Salvani in de bergen mochten blijven, zei ze onmiddellijk ja. "Ah," dacht ze bij zichzelf, "hij denkt eindelijk weer eens aan iets anders dan aan de maan."

De Salvani waren erg blij dat ze weer een plaats hadden om te wonen. Ze bedankten de prins, en daarna zei de leider: "Beste prins, misschien kunnen wij jou ook helpen. Er is namelijk een manier waarop je op de maan kunt komen."

"Vertel op!" riep de prins uit.

"Ga, wanneer het volle maan is, naar de hoogste bergtop en neem de mooiste roos mee die je kunt vinden," zei de leider.

"Wanneer je op de top bent, zul je twee mannen zien. Ze dalen altijd af met het licht van de volle maan om te zien hoe het hier op aarde toegaat, het zijn verkenners. Vertel dat je een cadeautje voor de jongste dochter van de maankoning bij je hebt en laat ze de roos Zien. Als ze je zeggen dat je de roos achter kunt laten en dat zij haar af zullen geven, vertel ze dan beleefd dat je een prins bent en dat je de roos persoonlijk aan de prinses wilt overhandigen... De roos zal haar hart veroveren, want ze is dol op haar tuin. Niets doet haar meer plezier dan bloemen die ze nog nooit gezien heeft, en niets doet de maankoning meer plezier dan het geluk van zijn jongste dochter. Maar wees voorzichtig. Het licht van de volle maan is zo fel dat je er blind van wordt als je te lang blijft. Deze toverbril zal voor een tijdje wel helpen. Maar zorg dat je bezoek niet te lang duurt! Veel geluk en goede reis!"

De prins was dolgelukkig. Hij telde de nachten tot het weer volle maan zou zijn. De mensen in het paleis hoorden hem zelfs zingen.

Toen de avond aanbrak dat het volle maan zou worden, ging de prins naar zijn moeder om haar van zijn reis te vertellen.

De arme koningin huilde, want ze dacht dat haar zoon nu helemaal gek was geworden.

Maga Rosa troostte haar: "De wonderen op deze aarde en in het heelal zijn groter dan wij ons voor kunnen stellen, majesteit. Heb vertrouwen."

De koningin zuchtte en ging naar de paleistuin om de mooiste roos te plukken. Die gaf ze aan de prins.

"Zal ik je ooit terugzien?" vroeg ze. Ze kreeg geen antwoord. Ze kuste haar zoon en gaf hem haar zegen. Door een waas van tranen zag ze hoe de prins wegliep, de nacht in.

Prins Pazzo klom naar de top van de hoogste berg. en daar gebeurde alles precies zoals de Salvani het hadden voorspeld.

De prins arriveerde op de maan.

De maankoning ontving hem als eregast. Er werd een schitterend banket georganiseerd, en de prinsessen werden een voor een binnengeleid, om aan de prins voorgesteld te worden.

Toen de jongste prinses, Lucia, de hal binnenkwam, hield prins Pazzo zijn adem in. Daar was ze, de prinses van zijn hart! Hij gaf haar de prachtige roos.

"Kijk eens, vader!" riep ze uit. "Wat een schitterende bloem! Dank je wel, prins-van-de-aarde, voor de meest bijzondere en mooie bloem die ik ooit heb gezien. Vertel me eens hoe het bij jou op aarde is."

En ze bleven samen praten, de hele avond lang. De prinses vertrouwde de prins toe dat de twee verkenners haar wel eens over hem hadden verteld. Ze was toen - nieuwsgierig geworden - naar de tuin van de prins gegaan om een glimp van hem op te vangen. Ze had daarna steeds stiekem gehoopt dat de prins een manier zou vinden om de maan te bereiken.

Aan het eind van de avond was het iedereen duidelijk dat de prins en de prinses verliefd op elkaar waren geworden.

Prins Pazzo won de harten van alle mensen in het koninkrijk, en de maankoning was erg blij dat zijn dochter zo gelukkig was.

De dagen gaan heel vlug voorbij als je verliefd bent.

Op een ochtend, toen de prins wakker werd, brandden zijn ogen en stroomden de tranen hem over de wangen. Toen herinnerde hij zich de waarschuwing van de Salvani: hij zou blind worden door het felle maanlicht. De toverbril kon zijn ogen niet langer beschermen.

De maandokters onderzochten hem en bedroefd vertelden ze dat de ogen van de prins alleen maar konden genezen als hij naar de aarde terug zou keren.

De prins wilde daar niets van weten. "Ik ben liever blind dan dat ik afscheid moet nemen van mijn geliefde," verklaarde hij.

De prinses was het daar niet mee eens. "Ik zou geen dag meer gelukkig zijn als ik wist dat je voor mij blind was geworden. Maar waarom zouden we afscheid van elkaar nemen? Ik kan toch samen met jou naar de aarde teruggaan."

De maankoning trof de voorbereidingen voor het vertrek.

"Ik zal je missen, Lucia," sprak hij. "Maar jouw geluk vind ik belangrijker!"

En zo vertrokken ze naar de aarde. De koningin was dolgelukkig dat haar zoon terug was. En ze sloot prinses Lucia meteen in haar hart.

De ogen van de prins waren na een paar dagen genezen, en toen werd er een feest gevierd dat wel een week duurde. Op de laatste dag trouwden prins Pazzo van de Dolomieten en prinses Lucia van de maan met elkaar.

De prinses vond de aarde net zo mooi en bijzonder als de prins de maan had gevonden, en algauw hield iedereen van Lucia.

"Wat zijn we dankbaar dat we onze prins en prinses hebben. Wat zullen ze later een fijne koning en koningin zijn," zeiden de mensen.

Naarmate de tijd verstreek, merkte iedereen dat de prinses steeds bleker werd. Je kon haar vaak horen zuchten en klagen over een zwaar gevoel in haar hart. Prins Pazzo merkte dat ze steeds minder vaak lachte.

Het kwam vooral door de bergen, vertelde Ze. De hoge, donkere bergen die zelfs het licht van de zon tegenhielden.

's Nachts kon ze niet slapen. Ze zat uren bij het raam naar de maan te staren. En ze huilde van angst wanneer het donker was. Er werden een heleboel brandende kaarsen en lantarens om haar heen gezet, zelfs overdag.

Maar het hielp allemaal niets. De prinses werd steeds magerder, bleker en lustelozer.

De prins was wanhopig.

"Liefste vrouw," zei hij. "We gaan terug naar de maan. Dat is onze enige hoop. Ik ben liever blind dan te moeten zien hoe ziek je bent."

De prinses wilde er niets van horen en smeekte de prins nog een poosje te wachten. Ze zou vast gauw beter worden, zei ze. De prins zette overal in haar kamer bloemen neer, in de hoop dat dat zou helpen. Maar het hielp niet.

Alle vreugde was uit het koninkrijk verdwenen.

Het ging steeds slechter met de prinses. Tenslotte kondigden de artsen aan dat ze niets meer konden doen, prinses Lucia zou sterven.

Prins Pazzo sloot de deur en keek uit het raam. Hij dacht Maga Rosa te zien, op een paard dat weg galoppeerde de donkere nacht in. onder de sikkel van de maan.

Een paar nachten later, toen het volle maan was, hoorde de koningin dat er op haar balkondeur geklopt werd. Ze deed de deur open en stapte toen verschrikt achteruit. Een groep vreemde, kleine mannetjes kwam naar binnen.

"Majesteit," zei een van de mannetjes, "wees niet bang, we komen om te helpen, niet om kwaad te doen." Het was de leider van de Salvani die dit zei. "U bent erg goed voor ons geweest. Nu komen we onze schuld inlossen. Vertrouw ons en wacht maar af."

Toen draaide hij zich om naar de andere Salvani en zei: "Kom op, vrienden, we moeten aan de slag want we hebben niet veel tijd."

En ze verdwenen over de rand van het balkon.

"Riep u, majesteit?" vroeg Maga Rosa, die achter het gordijn had staan kijken. "Ze zeiden dat ze konden helpen, deze vreemde kleine mannetjes," antwoordde de koningin verbijsterd. "Alles wat we moeten doen, is op ze vertrouwen en afwachten."

De volle maan klom steeds hoger aan de hemel. Plotseling hoorde je vanaf de bergtoppen in de verte zacht zingen.

Pak de stralen,
vlecht ze dicht.
Maak dan netten.
wit en licht.
De prinses wordt gelukkig.
haar hart wordt weer sterk.
Heb vertrouwen.
en zegen ons werk.

Het waren de Salvani. Ze waren naar de toppen van de allerhoogste bergen geklauterd.

Ze verzamelden de stralen van de maan en draaiden er dikke, lichtgevende koorden van. Algauw was het licht dat van die touwen afkwam even helder als dat van de maan zelf.

Toen vlochten ze van de koorden stralendlichte netten die ze over de donkere toppen uitspreidden. De ene berg na de andere kwam aan de beurt.

De maan scheen over de toppen, waarvan de donkere kleur veranderd was in blinkend wit, blauw, roze en geel.

De koningin keek er stomverbaasd naar. Toen rende ze, met Maga Rosa achter zich aan, door de gangen naar de kamer van de prins en de prinses.

"Kijk eens, kinderen," riep ze. "Er is een wonder gebeurd."

Prinses Lucia kwam overeind. Toen ze de schitterend-blinkende bergen zag, kwam er een blos op haar wangen. Ze glimlachte en riep prins Pazzo.

"Lieveling," zei ze zachtjes. "Dat licht is hetzelfde als thuis, op de maan. Ik voel het door mijn aderen stromen!"

En toen de volle maan verdwenen was, waren de bergen nog steeds wit.

Toen de zon de aarde begon te verwarmen, dacht iedereen dat het afgelopen zou zijn. Maar de bergen van de Dolomieten straalden zelfs nog meer licht uit dan 's nachts.

De zon weerkaatste in het wit van de bergen; wat eens een donker landschap was geweest, werd nu een plaats vol licht en vrolijkheid.

Na korte tijd was de prinses helemaal beter. De mensen waren erg blij en vertelden elkaar steeds opnieuw over de bergen, en waarom en hoe ze veranderd waren.

Jaren later droeg de koningin het koningschap over aan prins Pazzo en prinses Lucia, die het land goed en wijs regeerden. Ze hadden een lang, gelukkig leven en kregen veel kinderen.

En Maga Rosa wilde - hoewel ze al erg oud was - beslist hun kindermeisje zijn!


*   *   *

De bergprins en de maanprinses Samenvatting
Een oud Italiaans volkssprookje over de Dolomieten.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"De bergprins en de maanprinses. Een oud Italiaans volkssprookje," opnieuw verteld en getekend door Tomie de Paola. Uitgeverij J.H. Gottmer, Haarlem, 1980. ISBN: 90-257-1426-9

Herkomst: Italië
Verteltijd: ca. 27 min.
Leeftijd: vanaf 7 jaar

Lees ook