Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 89 min.
Herkomst:

De bloeddorstige rechter Een Gronings volksverhaal over een moordende rechter

De heer Rudolf de Mepsge van Faan wist vanaf zijn vroegste kinderjaren zijn wrede aard en aanleg voor de buitenwereld te verbergen. Toen hij nog als kind met kinderen speelde, leek het er zelfs op of hij een teergevoelige ziel bezat. De tranen sprongen hem zeer gemakkelijk in de ogen, en wanneer zijn vriendjes zich wreed vermaakten met een kikker, meikever, vlinder of vogel keek hij wel toe, maar hij stak nooit een hand uit om hen te helpen. Nooit zou hij zelf in een boom klimmen om vogelnesten uit te halen. Liever bleef hij beneden aan de stam staan, en als zijn brutale kameraad met de muts in de mond, waarin de gespikkelde eitjes lagen, naar beneden klauterde, vroeg hij niets van de buit. Hij keek onbewogen toe, hoe in de schaal aan de spitse en de stompe kant een klein gaatje werd geprikt, en hoe het donkergeel en slijmerig wit kwakje onverschillig op de grond werd geblazen, waar het als een stervend jong leven nog even op het mos natrilde.

Hij was geen vriend en geen vijand van dieren. Andere jongens hadden nog wel eens een jonge kraai die op hun schouders zat, alsof zijn eigenaar de liefste knul ter wereld was, of ze hadden een jong hondje, dat wild voor zijn jeugdige baasje uit sprong. Bij Mepsge van Faan was nooit een wezen te bekennen dat hij liefhad. Zij ogen waren schaduwen zonder licht, die diep in zijn bleke gezicht lagen; zijn lippen waren bloedeloos. Lachte Meps-ge van Faan wel ooit? Deze vreemde jongen, die voor niets en niemand bang was, zat het liefst in zijn eentje. Toen hij ouder werd, zag men hem weinig met jonge edellieden, en men zei van hem dat hij mensenschuw was. "Zou hij ooit wel aan de vrouw komen?" spotte men. "Wat een vraag! Hij en van een vrouw houden? Bestaat niet!" Het leek of hij de meisjes voorbijliep. Ze lachten wel eens aarzelend tegen hem, omdat hij eenmaal een Mepsge van Faan was, en omdat ze het vreemd vonden dat hij hen negeerde. Welke aantrekkelijke jonge vrouw kan dit verdragen?

Een keer was er een meisje geweest dat zijn belangstelling had gewekt. Ze had hebzucht in hem opgeroepen, zoals een kind ernaar verlangt een nieuw stuk speelgoed in zijn bezit te krijgen, maar hij was haar voorbijgegaan.

In de loop der jaren waren de wallen onder zijn ogen dieper geworden en zijn lippen waren nog bleker dan in zijn knapentijd. Toch, ondanks het feit dat hij zijn spieren weinig had geoefend in het spel of tijdens de jacht, had hij de schouders en armen gekregen van zijn sterke voorgeslacht. Men had de indruk dat hij zware gewichten kon heffen, hard metaal kon breken en snel wild kon volgen, als hij dat zou willen. Maar hij wilde het niet.
Er bestaan mensen die geen vreugde kennen en geen verdriet. De heer van Faan was zo iemand. Tot hij ontdekte dat er iets in het leven was dat hem kon wekken uit zijn onverschilligheid.

Op een keer, toen er boerenkermis in het dorp was, zag hij hoe een paar jongens een gans knuppelden. De stokken sloegen op het weke, gevoelige vlees, en het dier krijste hartverscheurend. Mepsge stond erbij en staarde ernaar, als in een droom verzonken. Zijn handen trilden en de wallen onder zijn ogen werden donker van kleur.

"Is dat prettig?" vroeg hij met een toonloze stem. De jongens keken verwonderd op van hun wrede bezigheid en ze zagen hem aan. "Wil de heer het misschien zelf eens proberen?" zei een van de ruwe kornuiten. "Gaat u gerust uw gang, heer..." - "Ik zie liever dat jullie het doen. Ga maar door. Zou hij nog lang leven? "Niet lang meer," antwoordde een boerenjongen met een kennersblik. "Hij nadert zijn einde." - "Mooi rood is het bloed op de veren. Kijk zijn ogen eens. Het leven is mooi."

"Voor de gans niet." Nu lachten ze allemaal. "Knuppel de gans niet verder," beval de heer. "Als je hem slaat, zal hij 't bewustzijn verliezen. Laat hem voelen dat hij pijn heeft, laat hem voelen dat hij leeft!" Mepsge van Faan sloot hierbij zijn ogen. "Raak hem niet aan. Kijk hem kruipen. Ja, dit doet me goed." - "Heeft mijnheer nooit 't vogelschieten en 't palingtrekken gezien?" - "Ik zal er naar komen kijken - waarschuw me maar, als 't zover is!" - "En wil mijnheer echt niet zelf knuppelen?" - "Nee," zei Mepsge vastbesloten, "ik heb liever dat anderen het doen, jongens!"

Hij wachtte de dood van de gans niet af. Langzaam en in gedachten verzonken verliet hij de kermis. "Mepsge van Faan," fluisterde een stem in zijn bloed, "dat was mooi - dat zie je niet elke dag. Vandaag heb je het leven recht in de ogen gezien."

Niet lang daarna reed hij er weer eens alleen op uit, en tijdens zijn eenzame tocht verdwaalde hij. Toen hij een tijdje rondgezworven had, sprong hij van zijn paard, en hij bond het dier aan een boom. Toen hield hij zijn hand achter zijn oorschelp, om scherper te kunnen horen of er niet ergens een geluid weerklonk, een klokje in de verte, het blaffen van een hond, of menselijke stemmen.

Hij was geheel geconcentreerd op het luisteren (zijn ogen keken niet, zijn neus rook niet, hij gaf al zijn aandacht aan de klanken). Plotseling drong er een geluid, dat hij tevoren niet had gehoord, in zijn bewustzijn. Er ritselde iets in het dichte struikgewas, alsof er iets over de grond schuurde. Zijn instinct zei hem dat het een gewond dier moest zijn. Hij vergat alles, en haastig, als een jonge minnaar die op zijn geliefde toesnelt, liep hij rechtstreeks de bosjes in, zonder te letten op de takken die hem in het gezicht zwiepten.

In een kleine kuil in de bodem lag een stervend hert, dat uit zijn keel bloedde. Het lag uitgestrekt als een geslacht rund, de poten dicht bij elkaar, de nek naar achteren gebogen. De punten van het veeltakkig gewei raakten bijna de rug. Mepsge staarde ernaar, onder de indruk van de schoonheid van het beeld. Hij zag hoe het rode bloed over het mos vloeide, en hij greep met zijn handen naar zijn keel, zo ontroerd was hij. "Zou hij lijden... zo vlak voor zijn dood?" peinsde hij. Zijn ogen schitterden koortsig en hij voelde op zijn voorhoofd klam zweet. Plotseling kwam hij weer tot zichzelf. Langzaam zonken zijn armen terug, en hij kwam net zo onverwacht tot bezinning, als hij in trance was gekomen. Zijn ogen waren leeg, als schaduwen. "Rudolf de Mepsge van Faan," zei de stem van zijn geest tot zijn kwijnende ziel, "is dit je ware zelf of is dit een ander? Waarom verlustig je je in dit leed? Mepsge! Zou je soms willen dat dit dier... een mens was?! Wil je zo weerloos uitgestrekt een mens zien liggen?"

Hij ging naar de rand van het bos, en leunde tegen de greppelwal, die het struikgewas van de weg scheidde. Toen stroomden hem de tranen over de wangen. Op dat ogenblik voorvoelde hij zijn noodlot en hij werd bang van zijn eigen wezen. Hij doolde de hele avond rond, tot hij laat op de avond zijn troosteloos slot Bya bereikte. In de zaal banjerde hij die nacht vele malen heen en weer, en hij drukte zijn nagels in de palm van zijn hand. Als er nu eens een klein dier in deze holte lag - zo dacht hij dan - zou ik het dan niet willen dooddrukken? Hij stond stil... klonk er in de hoek niet een zacht gerochel... en waar het maanlicht over de vloer streek, lag daar geen bloed? "Ik moet mensen zien lijden," dacht hij, "dat is het enige dat me redden kan."

Hij werd tot rechter benoemd. Een slechter rechter dan hem had men in Oosterdeel-Langewold niet kunnen treffen. Wee de streek waarover hij regeerde! Toen hij zijn macht verwierf, kon hij vele nachten van geluk niet slapen. Voor het eerst in zijn leven had hij geglimlacht en de schaduwen onder zijn ogen waren minder diep. Hij had zijn medewerkers die voor hem de boeven moesten vangen, Jan Engelberts en Pieter Nannes, bijna vrolijk ontvangen. Ze stonden voor hem en wachtten op zijn bevelen. Hij hield zijn hoofd gebogen, terwijl hij sprak. "Er is misdaad genoeg in Zuidhorn en Oldekerk, en die moeten we bestrijden. Ik verlang van jullie, dat je misdaad vindt - en hij die schuldig is, zullen we met de dood bestraffen." Hij wreef zich in de handen. "Maar het kan zijn, dat ze niet willen bekennen. Dan zullen we ze pijnigen, net zolang tot ze hun schuld belijden."

Jan Engelberts en Pieter Nannes keken hem verwonderd aan. Hoe kon de heer het zeggen, dat er in Oosterdeel-Langewold zoveel verborgen misdaad was? Ze kenden de streek door en door.

"Wat bedoelt mijnheer?" vroeg Pieter Nannes. De jonge rechter rilde. Hij stond op, en betastte hun sterke schouders en armen. "'t Is goed," was al wat hij zei, "ze zullen ervan lusten." Hij liep in de kamer heen en weer, zonder hen nog een blik waardig te keuren. De helpers merkten dat zijn vingers trilden. Ze wisten niet of ze moesten blijven of vertrekken.

Eindelijk stond hij stil, en staarde naar de twee dienaren alsof hij ze nu pas opmerkte. "Ga maar weg," zei hij moe. Zodra hij alleen was, legde hij de handen voor het gezicht, om in volkomen duisternis te kunnen nadenken. Hij had het gevoel of hij in een kamer met gesloten blinden zat. Zijn angst voor zichzelf was over, ja, hij verheugde zich over de mooie toekomst die was aangebroken! "Met wie moet ik beginnen en welke misdaad moet ik uitzoeken?"

De wrede rechter begreep dat hij niet zonder onderzoek kon pijnigen en doden. De mensen waren geen willoze dieren, die men kan striemen en snijden en kerven zoveel men wil. Er waren wetten, vervloekt!

Hij liet zich het olielampje brengen en bij het walmend licht las hij de dikke boeken van het Ommelander landrecht, artikel na artikel, en eindelijk, bij de studie van het zevende boek glimlachte hij. "Ze zullen me dus in Groningen niet tegen kunnen houden," dacht hij blijmoedig, "wanneer ik deze vreselijke misdaad uitvoer. Alleen wanneer ik doden wil, heb ik mederechters nodig. Poeh! Ze weten niet waarom ik het doe. Ze zullen menen dat ik rechtvaardig ben. Ze weten niet dat ik bloed wil zien vloeien. Alle mensen zijn mijn vijanden... ik zal genieten als ik ze zie lijden."

Toen kroop het bitter berouw, al vóór de zonde was gedaan, hem van het hart naar de keel, en legde daar een band zwaar en vastsluitend als een ketting. Zó zeker was het dat hij voor de zonde zou kiezen. De zonde was een bloedhond, die zijn spoor rook. Hij kon er niet voor vluchten.

"Als de nacht komt," peinsde hij, "zal ik alleen zijn. Ik wil de schimmen om mij heen zien, van de mensen die door mijn hand zullen sterven."

Het duister daalde eerder in de zaal dan daarbuiten. Het olielampje walmde, en walmde uit. Toen zette de nacht zich vast in de verste uithoek van de zoldering, als een spin die een web bevestigt, en de donkere draden werden geweven. De man in zijn eenzame zaal werd er door omgeven voor hij het wist, en met de nacht keerde langzaam de absolute stilte in hem terug. "Laat me nadenken," smeekte hij zijn geest. Vele malen moest hij met zijn fijne vingers zijn voorhoofd beroeren, voor hij zijn krioelende gedachten kon ordenen. Hij probeerde in deze stilte schrikwekkende gedaanten op te roepen, het lukte hem zijn schimmen te lokken die hij in een duistere rij voor zijn geestesoog zag verschijnen.

Er werd aan zijn deur geklopt... hij hoorde het niet. Hij wreef zich in zijn handen van hevig geluk. Nog een keer werd er geklopt - toen kwam de oude dienstbode binnen. Ze bleef staan tot vlak voor de drempel en probeerde in het donker te zien. "Kan ik nog iets voor mijnheer doen?"

De edelman voelde dat de gedaanten hem ontglipten, en zijn woede was zo groot, dat hij een zware kandelaar opnam, en deze in haar richting gooide. Hij raakte haar net niet. "Wat doet mijnheer nou?" vroeg ze verschrikt en nederig. "Ik wou dat ik je geraakt had," zei hij woest. "Ik wou dat ik je een oog had uitgegooid." Zij vluchtte en hij begon in zichzelf te spreken. "Er gaan kwade dingen in je om!" mompelde hij. "Maar het moet zo zijn. Ik ben niet bang voor de eenzaamheid." De nacht ging voorbij, met al zijn figuren. In de morgen zat hij nog op dezelfde plek en haastig stond hij op. Hij riep luid om zijn knecht. "Zadel mijn paard," beval hij. "Ik ga uit rijden."

Hij gaf het dier de sporen, en hij voelde zich vrij en vrolijk. De wegen waren van hem. Het bos was van hem. De wereld was van hem. Hij was meester van leven en dood. Terwijl zijn paard voortholde tot aan het slot Hanckema, zag hij plotseling dat ook de jonge zuster van Zuidhorns burchtheer de brug over reed. Mepsge hield zijn paard in en zwaaide naar het jonge meisje. Zij verbaasde zich over zijn uitgelatenheid, en groette hem stijfjes terug.

"Verdoemd!" zei hij, ze weet zeker nog niet welk een macht ik heb. Hij naderde haar en sprak haar aan. De twee paarden liepen naast elkaar voort. "Dit is voor mij een grote vreugde, jonkvrouw, dat ik u als eerste mag ontmoeten sinds ik benoemd ben tot rechter in het gebied Oosterdeel-Langewold. U mag mij gelukwensen." Ze keek hem aan, en peilde hem tot in de schaduw van zijn ogen, en op hetzelfde ogenblik was het vonnis over de rechter geveld.

"Was u op weg naar mijn broer om hem het nieuws te vertellen?" - "Mag ik met u meerijden?" - "Ik rij liever alleen. Bovendien is uw tijd nu te kostbaar geworden." - "De misdaad en de straf kunnen wel één dag wachten." - "Niet in Oldekerk en Zuidhorn, heer rechter!" zei ze spottend. "Daar kunt u vast elke dag wel een schavuit vangen en laten hangen."

Hij was beledigd door de spot in haar stem en zei fel: "Reken maar dat ik ze opspoor en met ze afreken." Om hem te kalmeren, vroeg ze: "Heeft u uw mederechters al gekozen?" - "Ja," zei hij, "Alting en Froon."

Nu keek ze hem verwonderd aan. "Alting en Froon? Maar heer... men spreekt niets dan kwaad van deze mensen!" - "Ik ben het niet gewend dat men mij tegenspreekt! Wilt u dat ik anderen benoem? 't Is toch om het even, jonkvrouw! Waren het anderen... och het zouden dezelfden zijn." - "Maar Alting en Froon! Wat is dan uw bedoeling? Daar moet u een bedoeling mee hebben!" - "Ik een bedoeling? Mijn bedoeling is een rechtvaardige rechter te zijn." - "U - u - u!" Ze stopte abrupt en boog haar hoofd. Wat had ze voor recht hem haar minachting te tonen? Koeltjes praatte ze verder. "U bent hier toch niet gekomen om met mij te rijden?" - "Nee," zei hij, "ik ben hierheen gereden na een slapeloze nacht, om een eind te rijden en de warmte van mijn bloed te voelen. Maar toch kwam ik hier om u te zien. Alleen wist ik dat niet." - "U kunt zich de moeite besparen," antwoordde ze ijzig. "Ik kom u liever niet tegen."

"Dat is tenminste eerlijk gesproken tot de rechter van de streek," hoonde hij, "en zo hoort het. Wonderlijk hoe vrouwen zijn. Trouwens, dat slot daar ligt mooi, het is mooier dan mijn paleis. U bent rijker dan ik." Hij speelde met zijn degen. "Weet je wel dat ik aan niemand verantwoording hoef af te leggen?" Zij lachte. "Probeert u mij soms te bedreigen? Wat heb ik u misdaan? Wat wilt u van mij?" - "Vroeger, als ik u met andere edelknapen samen zag, heb ik u gehaat, niet om u, maar om mijzelf, ik haatte u omdat ik u niet durfde te benaderen. Ik dacht toen... later woont ze in een groot en rijk slot, en ze zal zich mij herinneren als een dorpsjongen. Ik was somber en alleen. Ik maakte zelf de muur tussen ons, en toch... ik wilde u. Ik dacht... ik zal tot macht komen, en wanneer ik eenmaal macht heb, zal ik hem gebruiken ook. Er zijn veel jaren overheen gegaan, en nu ik u zie, schieten mij die oude, dwaze gedachten weer te binnen. Nee jonkvrouw, het zijn geen loze bedreigingen die ik uit, het zijn feiten. Ik kan nu mijn eigen zin doen!"

"Wat wilt u dan van mij?" Ze herhaalde haar vraag en streelde het paard over de nek, uiterlijk volkomen kalm. "Ik wil dat u van mij houdt." Zij lachte geforceerd, en hij, hoe onaangedaan hij ook leek, ergerde zich aan haar vrolijkheid. Hij boog zich naar haar toe. "Denkt u soms dat ik op uw vrije wil reken? Ik weet wel dat er voor mij geen liefde is te verwachten. Ik heb de mannen bespied die met hun glimlach de glimlach wekken, en ik heb ingezien dat ik op die manier niets kan bereiken. Mij is een andere macht gegeven!"

"En wilt u voor mij het zonlicht bederven door daarover te praten?," vroeg ze. Hij maakte een hoffelijke buiging. "Het onderwerp is voor mij en voor u belangrijk genoeg om het zonlicht, de vogeltjes en de bloemen, alles waarover de dichters lyrisch doen, te vergeten. Wat een geluk dat ik deze richting ben uitgereden. Want daaraan heb ik het te danken, dat u misschien binnen een paar dagen al mijn vrouw zult zijn."

"Ik weet dat er een ding is dat erger is dan sterven. Dat is om uw vrouw te zijn." - "Het is uw dood niet die ik zoek," zei hij somber. "U hoeft uw eigen dood niet te sterven. Als u mijn vrouw niet wilt worden, is het met uw broer gedaan." - "Uw armen zijn te kort, Rudolf Mepsge. U kunt hem niet aan."

"Mijn armen reiken verder dan u denkt, dat verzeker ik u! Ik vraag u voor de laatste keer of u mijn voorstel aanneemt." - "En dit is mijn antwoord: nooit, nee nóóit zal ik uw vrouw worden!"

Hij keek haar aan met een blik vol bedwongen haat, en wendde zijn paard. Hij groette niet. Zij liet nu haar schallende lach over het land galmen. Van alle kanten klonk de echo, en zij lachte haar angst weg. Het was dwaas om bang voor de rechter te zijn, sprak ze zichzelf moed in. Ze zou haar broer niet inlichten over het gebeurde, anders zou hij zich maar onnodig zorgen maken.

De volgende dag hoorde ze dat de Lipsker gevangen genomen was. Het was het eerste signaal dat er een vreemde storm over het land ging woeden. Een misdaad, waarvan men in de streek nog nooit had gehoord, werd de Lipsker ten laste gelegd, en als getuige hadden ze de blinde Willem Jans opgeroepen. Wat maalde Mepsge erom dat zijn bewijzen zwak waren? Zijn armen reikten ver.

Hij liet de arme Lipsker voorkomen. De twee andere rechters zaten naast hem. De beide medewerkers joegen de pechvogel voor zich uit. Hij viel op zijn knieën, zodra hij de tafel van de rechter was genaderd.

"Kenade, edele, krootmoekende herren! lek heb niemmer wat van de daad keweten, edele, krootmoekende herren! Lat miek nar mien Heimat troekziehen, edel krootmoekende herren! lek bin zo onsjoeldig als een lammetje iem Hiemmel, krootmoeken-de herren!"

Hij kroop onderdanig over de grond als een geslagen dier. Hierdoor kreeg Mepsge zin om hem te trappen. "Lipsker," begon hij, "Het is mij om uw vel niet te doen, maar men heeft me verteld dat de heer van Hanckema nog schuldiger is. Als je dat toegeeft, ben je een vrij man." - "Ak oen Weh! Ak oen Weh! Krootmoekende herr, iek weis doch selb nicht, was das vor miesdaad ies. Daar ies een Got iem Hiemmel, die miek heurt oend ook siet, oend iek niem dien tot ketoike, ja - iek niem dien tot ketoike." Froon en Alting lachten om de malle klanken van de Lipsker tot de tranen hen over de wangen rolden. Maar Mepsge lachte niet, evenmin als hij gelachen had bij het knuppelen van de gans of bij het doodbloeden van het hert. En toch voelde hij zich vele malen gelukkiger dan zijn mederechters. Hij zag naar de lijdende, vernederde mens, en hij genoot van zijn macht over leven en dood. Hij proefde deze vernedering als een buitengewone lekkernij op verhemelte en tong. In het aangezicht van pijn en dood, voelde hij dat hij leefde. "Zo," zei hij langzaam, "je wilt dus niet bekennen?" - "Iek hab nieks..." De rechter grijnsde.

"We hebben nog wel eiken stokken uit Hilbrands bos. Geef hem met de lange Hilbrands, mensen, tot hij van wroeging krimpt en zijn schuld bekent.
"
Engelberts en Pieters namen zonder aarzelen de lange Hil-brands, en ze begonnen genadeloos op hem los te beuken. Bij de eerste slag schreeuwde de Lipsker al zo, dat Froon en Alting hun oren met hun handen dichtstopten. Natuurlijk bleef Mepsge onbewogen. Hij leunde ietwat voorover, als wilde hij het slachtoffer van zo nabij mogelijk bekijken. "Sla hem niet dood. We moeten eruit halen, wat erin zit." De Lipsker ging tegen de grond, hij was waarschijnlijk bewusteloos, en pijn scheen hij niet meer te voelen. Bloed vloeide in vele kleine straaltjes uit verschillende plaatsen van zijn lichaam, en waar de huid bloot was, het hoofd en de handen en een deel van de voeten, was het opgezwollen, alsof hij in een mierennest had liggen slapen.

"Laat hem even bijkomen," beval Mepsge. Hij stond op, evenals Froon en Alting, en gezamenlijk bogen zij zich over het roerloze lichaam. "Je hebt hem stevig geknuppeld," zei Mepsge voldaan. "Dat gaat wel," antwoordde Pieter Nannes bescheiden. "Wat kon die kerel schreeuwen!"

Na lange tijd opende de Lipsker de ogen, maar hij sloot ze weer toen hij recht in de dode ogen van de heer van Faan keek. Hij leed vreselijke pijn, en hij wrong zich in bochten. Mespge legde nu zijn hand op de schouder van de gepijnigde, op een manier die men bijna vriendschappelijk zou kunnen noemen. "Luister nou eens," zei hij, "het helpt je niets, bekennen zul je toch. Als je tegen mij zegt dat er meer schuldigen zijn... en als je hun namen noemt... zijn zeven zakken met goudstukken gevuld voor jou. Je mag ze in jouw Lippe gaan opmaken! Maar één ding zeg ik je, kreng van een tichelwerker..."

"Oek... mien edel, mien kroetmoekende herr, verleen miek kenade! Kenade! Kenade!" jammerde deze. Hij kroop nog steeds over de grond, en omklemde de voeten van de rechter. "lek bin een woerm oend u bint een kroetmaktike leuwe." Opnieuw schaterden de anderen het uit, terwijl Mepsge onbewogen bleef.

"Vuile smerige hond," zei hij schamper, "je begrijpt dat ik maar een woord hoef te zeggen om je naar de andere wereld te helpen. Als je me geen tien namen van je medeschuldigen opgeeft, dan zal ik je dood laten ranselen - maar wanneer je je mond open doet, ben je rijk." De arme drommel snikte. "U bint de krootste edelman, die woont tusjen Rusland oend Frankreich, uw kiender zollen kezegnet sain, en uw klainkinder zollen op krootvaters sjoot tanzen."

Hoe was het mogelijk, dat ook nu de heer van Mepsge niet lachte! De anderen kromden zich van pret, zoals de arme drommel van pijn kreunde. De twee rechters konden hun vrolijkheid niet meer bedwingen: ze dansten als jongelui door de zaal, en dikke tranen rolden over de wangen. "Namen! Ik wil namen!" schreeuwde de rechter woedend. "Ik heb nou lang genoeg gewacht. Moeten de lange Hilbrands je soms nog eens mores leren?"

De lange Hilbrands moesten er nog aan te pas komen, voor de Lipsker namen noemde, maar die van Hanckema was er niet bij. Mepsge probeerde die er nog uit te slaan, maar dat was vergeefse moeite. Men had de beklaagde murw geslagen, en zelfs het greintje geest, dat hij in gewone tijden bezat, was hem ontsnapt. Hij was helemaal van de wereld. Hij lag op de grond als een hoop vodden en zijn jammerlijk gesteun was volkomen werktuiglijk. De heer van Faan wreef zich de handen. "We hebben namen," riep hij uit, "en uit de namen zullen andere namen komen, tot ik diegene heb die ik zoek. Hem wil ik in mijn handen. Vanavond nog moeten alle mensen die de Lipsker heeft aangewezen, gearresteerd worden." Engelberts zei: "Er is helemaal geen plaats voor." - "Dat is het bewijs dat wij de misdaad al te lang geduld hebben. Men had sterke kerkers moeten bouwen met dikke muren, onderaardse gewelven, waar men het gepeupel kan doen lijden, zoveel men wil." De rechter huiverde even en sloot zijn ogen. "Is er in de koestallen soms geen plaats? Bind ze vast aan kettingen als beesten en laat ze vasten, dan worden ze wel tot bekennen gedwongen. Zuidhorn zal ervan lusten."

Niet alleen in Zuidhorn, maar ook in Niekerk sloot men de mensen op in dierenstallen. In Niekerk zette men twee mannen samen gevangen, zonder ze eten en drinken te geven. In de muur had Mepsge een klein gat laten houwen... en soms reed hij naar de hoeve, alleen om door de opening te kunnen kijken. In het begin hadden de beide gekerkerden heel stil gelegen. Soms hoorde hij ze even met elkaar praten... dan zwegen ze weer. Er kwam een dag dat ze tegenover elkaar begonnen te klagen: "Ik heb dorst." - "Zal ik mijn vrouw en kinderen ooit terugzien?" - "Ik heb dorst." - "Ze zullen ons martelen met hun lange Hilbrands." - "Ik heb dorst." - "Och man... hou je mond... er komt niks anders uit dan 'ik heb dorst'." - "Ik heb dorst - ik heb dorst - ik heb dorst," gilde zijn metgezel.

Mepsge van Faan, hun wrede cipier, zag het aan en luisterde. Even later haatte hij de nacht, die zijn pikzwarte gordijnen voor het kleine luikje schoof, zodat hij niets meer kon waarnemen.

Bij het eerste daglicht al was hij teruggekeerd, en hij merkte tot zijn vreugde dat het spel van sissen en blazen al was begonnen. De beide ongelukkigen stonden tegenover elkaar. Zij, die misschien ooit vrienden waren geweest, haatten elkaar nu, ja ze loerden op elkaar als twee verwilderde katten. Had men hen ooit mensen genoemd? Er was nu zeker niets menselijks overgebleven. Hadden ze ooit in een huis gezeten, een meisje het hof gemaakt, hun vrouw en kinderen bemind, ze ernstig of lachend toegesproken?

"Zeg eens wat anders als dat je dorst hebt," hoorde de rechter de een tot de ander zeggen. Het klonk vuil, en hij had zijn handen tot vuisten gebald.

"Doo -ooo-rst! Doo -ooo-rst - doo -ooo-rst!" Meteen sloeg de ander hem bij wijze van antwoord met de vuist recht in het gezicht. Het werd een strijdkreet: "Doooo-ooorst!" waarmee hij de ander te lijf ging. Hun ketenen rinkelden. Bloed stroomde over hun gezicht, en degene die het eerst geslagen had, viel ook het eerst neer. "Doo-oo-rst," kreunde hij, terwijl hij op de grond lag. "Je zult daarmee ophouden." - "Ik heb niks anders." De man betastte niet zijn wonden, maar zijn hoofd. Daar was een klein duiveltje aan het tikken, en het spelde de woorden: "Ik heb dorst." - "Ik vermoord je nog met je dorst."

Zoals hij had gestaard naar het stervend hert, zo staarde Mepsge van Faan naar deze twee veroordeelden. Zijn genot was sterker dan dat van een drinker: immers hij beleefde zijn roes bewust. Hij voelde zich als een kunstenaar die in zijn geest het einde van zijn boek beleeft of die de laatste klanken van zijn opera nog één keer in zichzelf laat klinken, voor hij ze definitief aan het witte papier toevertrouwt. Hij voelde zich een groot man, dat hij deze bijzondere vorm van pijniging had uitgevonden.

Iedere morgen ging hij naar de boerderij en dan drukte hij zijn gezicht tegen het gat in de muur om maar niets te hoeven missen van het schouwspel. Op het laatst waren de twee mannen zo verzwakt, dat ze onmachtig op de grond bleven liggen, vastgebonden aan hun kettingen. De een wist niet meer van het bestaan van de ander; maar degene die zich tegen het "dorst" roepen had verzet, kreunde nu zachtjes dezelfde klacht. Ook zijn geest was aan de waanzin ten prooi gevallen. Zij kenden niets meer van de taal dan het woord "dorst." Ieder ander zou zijn ogen hebben afgewend bij het zien van deze erbarmelijke situatie waarin deze twee verkeerden. Zo niet de rechter. Hij genoot van hun ellende tot het bittere einde toe. Toen hij op een ochtend merkte dat de twee onbeweeglijk op de grond bleven liggen, riep hij zijn dienaren, die de lijken begroeven.

Lange tijd kon men aan de muur van de boerderij waar dit is voorgevallen, een bloedvlek zien zitten, die men er met geen mogelijkheid af kon wassen. De ouden van dagen kunnen het zich misschien nog herinneren. En er gebeurden meer wonderlijke zaken. Dikwijls als men in de vervloekte boerderij begon te eten, zag men de schotels en borden onder de handen wegschieten. Ze zweefden in de lucht, zonder enig gerinkel. Waren het de doden die terugkeerden en die bij het aanschouwen van het smakelijk voedsel dat hen was onthouden, zin hadden om zich te wreken? Waren het spotgeesten die aangelokt werden door de vreemde echo's die nog lange tijd in de boerderij naklonken?

Mepsge, een wreder man heeft er niet geleefd in de huizen op aarde, hoorde van de bloedvlek en hij ging alleen de stal binnen. Er stond geen beest meer in. De stal was leeg, maar de ruimte leek gevuld met de zware adem van levende wezens. "Ben je een oog, dat naar me kijkt?" vroeg hij de bloedvlek. "Ik weet wat je bent. Je bent een oog dat alles ziet." Wie luisterde naar hem? Hoorde hij lachen? Hahaha! Alle duivels ter wereld! Hij had het gevoel alsof om zijn keel een ijzeren band knelde. Hij snakte naar lucht, en wankelde terug naar buiten. Verdwaasd keek hij om zich heen. Stond daar geen dreigende gestalte?

"Vervloekt!" riep hij uit. Met één sprong zat hij op zijn paard. Het land was hier vrijwel nog zonder wegen, en de landerijen lagen vol stenen. Toch struikelde het dier niet. De ruiter gaf het telkens de sporen, om het opzettelijk te pijnigen. Dan steigerde het even, en de machteloze drift van het dier kalmeerde de ruiter.

Het was al laat, toen hij in de buurt van Hanckema aankwam. In het donker reed hij tot vlak voor de brug. Hij bleef daar geruime tijd staan, om te genieten van zijn gevoel van macht. Hij was als een kat die geen haast maakt om zijn prooi te grijpen, omdat hij er zeker van is dat deze hem niet meer kan ontsnappen. Voor de rechter mocht het altijd nacht blijven.

De volgende morgen was er een groot gejammer in Zuidhorn! Engelberts en Nannes namen in veel huizen mannen gevangen, die zij naar de stallen brachten. Ze legden hen aan kettingen als dieven en wachtten op nadere bevelen van de rechter. Die zei: "Sla ze met de lange Hilbrands. Ik wil namen horen. Hebben jullie wel eens honger geleden? Ik honger naar een naam. De honger rammelt in mijn ingewanden en maakt mijn hoofd leeg. En honger zullen ook zij in de stal voelen. Als je ze met de lange Hilbrands hebt geslagen, en ze bekennen niet, laat dan de honger voor ze komen, tot ze erger worden dan beesten. Vraag dan of de heer Hanckema niet medeschuldig is en beloof wat je wilt, goudstukken bij honderden, als ze tegenover mij en ook tegenover Froon en Alting die naam willen uitspreken. Beloof ze in dat geval onmiddellijke vrijheid!" - "De heer van Hanckema heer! Dat durven we niet. Hij zal ervan horen en ons aanpakken." zei Pieter Nannes. "Onzin. Ik bescherm jullie. Ik ben de rechter, niemand anders heeft wat te zeggen. Denk eraan, ik kan jullie evengoed aan de ketting leggen. Weet wat je doet, als je je verzet." Hierop zwegen ze, de beide handlangers. Ze begrepen dat er nu geen weg terug meer was, en dat er niets anders op zat dan gehoorzamen.
Ze sloegen er met de stokken zo op los, dat twee van de opgesloten mannen aan hun verwondingen stierven. Maar de naam van Hanckema was door geen van beiden genoemd. Toen liet men de lange Hilbrands rusten en de honger kwam. Men kon op zijn gemak wachten op de uitwerking van deze langzame marteling, die genadeloos invreet tot in het diepste van de ziel. Zo nu en dan ging een van de twee kijken naar de toestand van de gevangenen. Bijna altijd trof hij er de heer van Faan, die de pijn der velen op zich in liet inwerken.

Eerst leed men in stilte. Men probeerde te lopen, voor zover de kettingen het toelieten. Men wilde de honger en dorst, waarmee geen enkel ander leed is te vergelijken, vergeten. Maar juist het op en neer lopen scheen de ellende te verergeren. De honger begon met een gevoel van een gapende leegte in de buik, die groter en groter werd, alsof een inwendig monster je opvrat. Toen de honger voortduurde, leek het een tijd of hij rustte. De schreeuwende behoefte aan voedsel verdween. De spieren van armen en benen verslapten, zoals bij een man die de hele dag zware landarbeid heeft verricht, en de lucht trilde voor de ogen van de gevangenen, zoals de lucht danst in zomerhitte of boven een gloeiende oven. Tegelijkertijd leek het alsof er een strak koord om hun hoofd was gespannen, dat ieder uur dieper in de schedel snoerde en dat op de kwetsbare slapen een ondraaglijke druk veroorzaakte. Hoewel de mond droog was, kleefde de tong dikwijls aan het verhemelte vast, en de mannen leken hun tong slechts met moeite los te krijgen. Dit was de eerste fase van de honger. Het kon nog erger. De handen begonnen te beven, en in plaats dat de lucht voor de ogen zacht, blauwachtig, trilde, schoten er lekkende vlammen, zonder hitte, vlak langs de wimpers. De tong lag vlak en zwaar in de mond; zoals men dit wel ziet in de kop van een geslachte koe. Het leek erop dat zij zo niet meer konden praten. Het koord om het hoofd had scherpe naalden gekregen, een rij van naalden, die in de weke hersenen waren doorgedrongen. De buik was één diepe wond.

"Wie namen noemt, is vrij," zei de heer van Faan onbewogen. "Hij kan naar zijn huis gaan, waar moeder de vrouw de pot met eten gevuld aan de ketting zal hangen. De spijs wordt gaar... een lekkere damp hangt in de kamer. De vrouw zoekt een grote ham uit. Wacht maar even," zal ze zeggen, "ik zal eens een flink mals stuk voor je afsnijden. Hoort niemand het haar zeggen? Nou, horen jullie het haar zeggen?" Hij keek ze een voor een aan, en zij zagen in zijn schaduwogen de lege afgrond van zijn ziel. Zijn stem klonk gemaakt vrolijk en onbevangen, alsof hij gezellig met hen stond te babbelen. "Waarvan houden jullie het meest, van Maastrichts, Amersfoorts, of van Gronings bier? Verkiest er iemand Franse wijn boven Rijnwijn, bevalt de koele Bourgogne jullie het beste? Ik denk dat koel, helder water, heel diep uit de put geschept, waar nooit het zonlicht komen kan, jullie trouwens ook niet slecht zou smaken."

Zij zwegen heldhaftig. Ze drukten de nagels diep in het vlees om het niet uit te schreeuwen. Met hun laatste restje trots wisten ze zich nog tegen deze verleiding te wapenen. Nog een paar dagen... er volgden lange uren van bittere, ingehouden strijd, maar de razernij van de honger gistte intussen bij velen tegelijk. Er waren er die gek werden en die elkaar aanvielen als wilde beesten. Hun tanden beten door de kleren heen en ze probeerden het vlees van het lichaam van de ander af te scheuren. Na zo'n aanval leek de vloer van de stal op een slachtplaats, en zij die nog niet geestesziek waren, staarden angstig naar het bloed, bang dat ook zij in de greep zouden raken van de gekte.

Toen gebeurde het dan eindelijk dat een van de gevangenen, een enkele maar, de moed verloor. Hij vond de honger wreder dan de zweep met striemende koorden, want er was geen seconde zonder pijn. Dof zat hij in een hoek, toen tot hem doordrong dat het noemen van één enkele naam hem redden kon. Mepsge had niet voor niks gewacht, hij kreeg de naam, als een duivelse beloning voor zijn geduld.

Nooit is bekend geworden wie de heer Maurits Clant van Hanckema waarschuwde voor wat er was gebeurd. Deze zat rustig in zijn burcht toen de poortwachter met het bericht kwam dat iemand hem dringend wilde spreken. Hij liet de boodschapper binnen komen. "Wat wil je?" vroeg de heer nors, geërgerd dat men het waagde zijn rust te verstoren. "Heer van Hanckema, we leven in een tijd, dat de laaggeborene en de edelman broeders zijn geworden. Het roofdier Mepsge zwerft hier rond, en uw bloed smaakt hem net zo goed als het mijne..."

De heer Hanckema lachte onbevangen, of hij een goed glas wijn had gedronken, en nu met een vriend in een onderhoudend gesprek was verwikkeld. Wat betekende deze bedreiging ook voor hem? De bode ging verder. "Er valt niks te lachen. Maakt u zich liever klaar voor een reis." - "Wat wil de heer Rudolf de Mepsge van Faan mij doen? Je hebt zeker te veel brandewijn gedronken." Hij werd driftig. Waar haalde zo'n dorpeling eigenlijk het lef vandaan hem te waarschuwen? "Ga naar je vuile kroeg terug."

"Heer van Hanckema! Ik vertrek niet voor u vertrekt." - "Je durft wel... en als ik je door mijn knechten het kasteel uit laat gooien?" - "Dan bent u een verloren man, en de hele streek met u. Als u eenmaal in zijn macht bent, zal hij alle mannen en jongelingen gevangen zetten."

"Hoor eens," zei de edelman ongeduldig, "heb je bewijzen..." Abrupt hield hij midden in zijn zin op.

De bode ging een stap opzij, en een jong meisje trad binnen. Ze keek verwonderd van de een naar de ander, maar op hetzelfde ogenblik begreep zij. Niet voor niets had ze al die tijd in angst gezeten, bang voor elk geluid van buiten. De uil die schreeuwde, was dat niet iemand die zijn handlanger in het duister de plaats liet weten waar hij zich verstopte? Het hoefgetrappel dat ze hoorde, waren dat geen mannen die haar broeder kwamen halen? In de lucht, in de zwarte lucht, zweefde op vleermuisvleugels een duister gevaar.

Er waren nachten dat ze plotseling recht overeind in haar bed zat, met het klamme zweet op haar voorhoofd, en haar armen wild om zich heen maaiend tegen een denkbeeldige bedreiging. Toch herinnerde ze zich niet dat ze een nachtmerrie had gehad. In haar kamer voelde ze de vreemde ogen van Mepsge op zich gericht, en dan beefde ze over heel haar lichaam Na een van deze nachten, besloot ze om haar broer in te lichten en met Mepsge te trouwen. Ze wilde niet langer in angst leven. Maar haar broer lachte haar vrouwenangst weg. Ze voelde zich gerustgesteld door hem. Ja inderdaad, wat kon Mepsge eigenlijk tegen de heer van Hanckema beginnen? Ze schaamde zich om haar vreesachtigheid, maar deze liet zich toch niet wegredeneren. Ze hoorde steeds meer berichten over de vreselijke wreedheden die de rechter bedreef, en nu schrok ze elke nacht wakker. In haar slaap wist ze dat het ogenblik moest komen dat Mespge haar in zijn bezit zou krijgen, en ze verzette zich met grote kracht tegen deze gedachte. Het lukte haar nooit hem uit haar hoofd te bannen.

Ze kreeg de geest en het uiterlijk van een slapeloze, die spieren en zenuwen niet meer in bedwang heeft. Mepsge had haar levenskracht opgezogen, en ze wankelde door het huis als was ze een levende dode.

Toen zij op deze dag haar broer en de bode samen zag, viel zij op haar knieën. "Ik wist het! Ik wist het!" jammerde ze. "Broeder! Broeder! Nu moet je dit kasteel verlaten. Vlucht naar Groningen! Zorg dat je de hoofdmannenkamer op je hand krijgt. De hoofdmannen-kamer is het enige dat Mepsge kan stoppen. O mijn broeder, laat Mepsge je niet te pakken krijgen!"

"Stil!" riep de heer uit, "wie bewijst me dat Mepsge mij moet hebben?"

"Met zijn eigen mond heeft hij me gezegd dat hij zich op jou zou wreken, mijn broeder! Ga, doe het voor mij. Als je mij de rust wilt teruggeven, die ik voor jou al zo lange tijd moet missen, mijn broeder, laat dan onmiddellijk de paarden inspannen. Een uur later, en het kan je dood zijn."

"Hij heeft uw naam gezocht," zei de bode somber. "Wie uw naam noemde, kreeg vrijheid."

"Ben ik dan in een gekkenhuis beland? Ik, de heer Maurits Clant van Hanckema, een van de machtigste mannen van heel het land, zou vluchten voor een Mepsge? Ik zou het mezelf nooit vergeven." De bode gooide het over een andere boeg. "Gaat u niet dikwijls naar de stad, heer? Kunt u in plaats van een andere dag niet vandaag gaan? Als vanavond de dienaren van Mepsge nog niet hier zijn geweest, kunt u met een gerust hart terugkeren, en u hoeft voortaan niemand meer te geloven die u ongeluk voorspelt."

"Broeder - mijn broeder - het is mijn dood, als je dit weigert. Wil je me soms zien sterven van angst?" Ze vouwde de handen als een vroom nonnetje, en boog het hoofd. Men kon denken dat ze bad.

"Goed dan! Ik zal dit keer toegeven. Zwijg tegen iedereen over deze zaak. Zeg dat ik onverwacht voor zaken in de stad ben weggeroepen. Ik wil niet dat er om mij gelachen wordt. Dit zullen jullie toch wel begrijpen!"

De paarden werden ingespannen. De koetsieren zaten statig op de bok. Niemand wist dat de heer van Hanckema voor Mepsge vluchtte. Zelf steeg hij onverschillig in, of hij uitsluitend uitreed om in Groningen zijn bezoeken af te leggen en de volgende morgen, na in de Doelen te hebben geslapen, naar Zuidhorn weer te keren. Zijn zuster zwaaide hem na tot de koets aan de horizon verdween. Die nacht sliep ze voor het eerst in roerloosheid van ziel en geest, en de volgende morgen werd ze glimlachend wakker in het besef dat ze zich van de voorbij gegleden laatste negen uur niets herinnerde. Was zij wel op de wereld geweest? Toch had de bode die haar broeder had gewaarschuwd nog de avond tevoren gelijk gekregen.

Het liep al tegen middernacht toen er zeer hard op de poort werd geklopt. De wachter was juist in een diepe slaap gevallen, en de onverwachte gasten moesten daarom langer buiten wachten dan ze wilden. Ze lieten de klopper zo hard op de deur daveren, dat zelfs in het bovenhuis enkele dienstboden wakker schrokken. De wachter liep brommend naar de deur, en opende ze. "Misschien is de heer thuisgekomen, of zijn het een paar van zijn vrienden," dacht hij.

Het waren Engelberts en Nannes, de twee trouwe handlangers van de rechter, die naar binnen drongen en schreeuwden: "Waar is de kamer van uw heer? Licht ons bij. We hebben orders van de rechter in de jurisdictie Oosterdeel-Langewold, de heer Rudolf Mepsge van Faan. Er is geen tijd te verliezen." - "Mijnheer is uit," zei de slaapdronken portier naar waarheid, "juist vanmiddag naar Groningen gereden." - "Verdoemd! Licht ons bij. Wij willen het met eigen ogen zien." Ze gaven de wachter een duw in de rug met hun stevige knuisten. Deze stak de kaarsen aan, maar zei dreigend: "Ik zal jullie alles laten zien, maar als de juffer wakker wordt, smijt ik je allebei de trap af, al moet ik er ook voor hangen. Ga nou maar mee."

Deze woorden maakten indruk, en ze volgden hem zachtjes lopend de trap op. Hij opende de deur van de slaapkamer van zijn heer Hanckema. Hij bracht ze tot aan het bed. Dit was onbeslapen. Aan de kamer was te zien, dat er die nacht niemand was geweest.
"De vogel is gevlogen," spotte de poortwachter, "zoals de edele heren zien. Of willen de heren nog verder het slot bekijken? Ga liever eens in het dorp navragen... de herbergier zal u nog wel open doen - of de heer van Hanckema niet vanmiddag is uitgereden."

De twee keken elkaar onzeker aan. "Of willen de heren soms in de benedenzaal wachten op de heer van Hanckema, en een glas wijn drinken om de tijd te doden? Of zal ik soms een paar bedienden roepen om de edele heren op passende wijze uit te laten? Lange Hilbrands hebben wij hier niet, maar we hebben wel peper en zout in onze vuisten om uw rug te kruiden!" Deze redevoering die de poortwachter zelf zeer mooi vond, zette de twee tot spoed aan. Ze bibberden bij het idee dat ze voor hun meester zouden moeten verschijnen, maar het was beter hem zo snel mogelijk onder ogen te komen, om hem in kennis te stellen van de verdwijning van de heer van Hanckema.

Mepsge ontving hen uiterlijk volkomen onbewogen en rustig, alsof hij helemaal niet verbaasd was dat ze zonder zijn prooi durfden terug te keren. Ze keken hem in de ogen: diep in de zwarte schaduwen glom aan weerszijden een klein vonkje. En zijn dienaren raakten vervuld van vrees. Als hij driftig was geweest, hadden ze hun hoofd kunnen buigen. Als hij zijn woede op hen had gekoeld, zou hij het ongeluk de volgende dag verwerkt hebben, zoals na een fel onweer de zon weer kan doorbreken. Maar deze ijzige kalmte!
"Hier zullen er heel wat voor moeten boeten." Hij zei dit losjes weg, en zijn stem bleef vlak, maar de vonken in de lege gaten van zijn ogen verraadden zijn gemoedsgesteldheid.

De volgende ochtend ging hij naar de stallen, en hij sprak de gevangenen toe. "Bereid u voor op de dood," zei hij alleen, "allen die hier zijn, zal ik laten verbranden. Ik ben een rechtvaardig heer. Ik wil niet dat de een meer pijn lijdt dan de ander. Daarom zal ik één brandstapel maken, waarop jullie allemaal tegelijk kunnen sterven. Niemand zal van mij kunnen zeggen dat ik geen genade ken."

Er waren er onder de veroordeelden die blij waren dat ze het leven mochten verlaten. Maar de meesten waren bang voor de dood en wilden koste wat kost in leven blijven. Ze vielen op hun knieën en strekten hun magere handen smekend naar Mepsge uit. Ach, ze wisten niet dat dit gebaar hem alleen maar goed deed, zoals een verkwikkende drank levenskracht in de aderen doet vloeien. Aan zijn gezicht kon je immers niet aflezen of iets hem nou verdriet of vreugde gaf, het bleef als uit steen gehouwen.

Engelberts en Nannes vreesden hem in deze dagen meer dan ooit. Dikwijls spraken ze zachtjes met elkaar. Ze kenden hun heer zoals weinig anderen en ze verstonden eikaars angst. Met zijn tweeën konden ze vrijuit praten. "Wat zou hij van plan zijn...? Er blijven in Zuidhorn geen mensen meer over, en dan komen wij aan de beurt." - "Als ze hem voor die tijd tenminste niet zelf te pakken nemen. Maar wat moet er in dat geval van ons worden?" - "Ze zullen ons slaan met de lange Hilbrands die we zelf hebben gesneden."

"Vriend, vriend, hoe moeten we ons hieruit redden? Als we niet doen wat hij zegt, dan worden we verbrand, doen we het wel, dan worden we opgehangen. We hebben allebei vrouw en kinderen thuis en wie zal voor ze zorgen als wij op het kerkhof lig-gen? Ik wou dat die lange Hilbrands nooit uitgevonden waren." - "Ik wou dat hij nooit rechter was geworden. Ik zou er heel wat voor over hebben." - "Stil, pas op dat hij ons niet hoort. Hij heeft zijn oren overal. Hoe zou hij anders van al die misdaad in de streek weten." - "Zou het allemaal wel misdaad wezen? Er wordt zoveel gezegd!"

"Stil kameraad! Maak het niet nog erger. Zij die er met de lange Hilbrands van langs hebben gekregen, zijn toch allemaal opgehouden met ontkennen?!"

Ze keken over hun schouders, de twee sterke mannen, als kinderen die door een eenzaam bos lopen, en die elkaar bang hebben gemaakt. Sloop de heer van Faan niet in de buurt rond? Het ritselende blad... was dat geen voetstap? In het hoge rechte koren daarginds kon zich best een luistervink schuil houden. Ze grepen elkaar vast.

Op zijn eenzaam slot zat Mepsge, met het hoofd in zijn handen, en hij staarde naar een kleine vlek voor hem op de tafel. Het was misschien niets anders dan een knoest in het eikenhout of een restje gemorste inkt. Hij bleef turen, net zolang tot de plek een vertrouwde kleur kreeg, en hij voelde een behoefte om er met zijn nagel over te krassen. "Het is geronnen bloed, dat ik zie," dacht hij, en hij haalde diep adem. "Ik weet het zeker. Het is door de lange Hilbrands zeker op mijn kleding gespat, en ik heb het met me meegedragen, zonder dat ik het wist. Een bloeddruppel meedragen is niet iedereen geven. Voor mij is een bloeddruppel wat een parel is voor een jonge, mooie vrouw."

Hij dacht aan de mensen die in zijn macht waren, en aan het vreugdevuur dat hem te wachten stond. "Stil, mijn hart! Het zal me groot genot geven als die mensen worden verbrand, maar waarom is de heer van Hanckema er niet bij?! Zijn zuster heeft inmiddels toch gezien dat ik me wreken kan. Ik heb die dolk

wel weten te steken. Als ze hier eens op het kasteel kwam en me om genade smeekte?" Hij verlustigde zich bij de gedachte aan haar weerloosheid. "Wat zou ik met haar spelen! Ik zou zeggen: 'Vroeger heb je niet naar me omgekeken, wat kom je nu dan doen? Nu is het mijn beurt om met je te doen waar ik zin in heb. Ik ben gewend te krijgen wat ik wil.' Ik hoor het mezelf zeggen. Zou ze ook niet om genade komen vragen voor de twintig dorpelingen die ik zal verbranden? Wat een rookwolk zal dat opleveren!"
Zijn hersenen werkten koortsachtig, zoals bij iemand die het onderscheid tussen waan en werkelijkheid niet meer weet te maken. Ja, hij leefde als in een droom.
Toen de dag van het helse vuur was aangebroken, was hij tot ieders verwondering niet op de plek zelf aanwezig. Men had een grote stapel hout opgeworpen, achter de bossen van het kasteel. Vanuit het slot was niets te zien. Eiken en beuken stonden er met hun brede stammen voor.
Hij zat samen met Alting en Froon, zijn mederechters, in de grote zaal van de burcht. Het gillen drong niet door de dikke muren heen, het gekronkel van lichamen zagen ze niet, de geur van verbrand mensenvlees bereikte hen niet. Ze zaten gedrieën aan tafel, met hun rug naar het licht. Alting en Froon zwegen. Zo groot was hun berouw dat hun geweten als een zwaar gewicht in hun bloed vloeide. Ook Mepsge zweeg, maar niet omdat hij door wat dan ook werd gekweld. Hij beleefde het in zijn hoofd, alsof hij ter plekke was.

Hij wilde uit de verte het eerste rookwolkje zien dat boven de bossen uit zou stijgen. Hij wilde zich volmaakt overgeven aan zijn gevoel van almacht, maar wel zo dat niemand zou kunnen zien welke hevige emoties hem bewogen. Men zou kunnen beweren dat hij kuis bleef in zijn zonde.

Hij zuchtte diep toen hij het kleine wolkje zag, en tegelijkertijd draaide hij zich om. Hij ging rustig zitten en zei met een donkere stem: "Het kwaad is gestraft. Ik hoop dat de misdaad uitgeroeid is."

"Twintig mensen tegelijkertijd..." huiverde de zwakke Froon. "Hoe zal ik dat tegenover God moeten verantwoorden?" Toen barstte Mepsge in een hard lachen uit, zo dat de twee anderen verschrikt opstonden. Dit was voor het eerst dat ze Mepsge van Faan hadden horen lachen. Deze sloeg met de vuist op tafel.

"Men is mij verantwoording schuldig! Eén man moeten we vangen, de heer van Hanckema, om hem is het me te doen. "Alles om die ene man," riep Froon bitter uit. "We hebben er nu al zoveel gedood, het bezwaart mijn ziel." - "Zwakkelingen," mompelde Mepsge. "Ben je soms bang voor de duivel, heer Froon?" - "Voor de duivel niet... maar voor God."

"Ik ben bang voor de hoofdmannenkamer in Groningen," zei Alting bedachtzaam. "Als die ons laat vallen..." Mepsge lachte een superieur lachje, en klopte hem op de schouder. "Iedereen is de laatste tijd bang voor de hoofdmannenkamer. Als ik mijn dienaren aankijk, lees ik in hun ogen 'de hoofdmannenkamer' en nu ik u aankijk, mijnheer Alting, zie ik dezelfde vrees. Dacht u dat de hoofdmannenkamer mij iets kan maken? Ik ben banger voor de bloedvlek op deze tafel... als ik daar naar kijk, vergeet ik alles om me heen....Nee, we moeten met deze straffen doorgaan. De ene wordt gestraft voor de andere."

"Hoe lang dan nog?" vroeg Froon bevend. Terwijl ze zo rond de tafel zaten, werd er hard aan de poort geklopt en een bode met een verhit gezicht en stoffige kleren stoof binnen. In zijn hand droeg hij een verzegelde brief. Hij trad tot vlak voor de tafel, en hij overhandigde Mepsge het schrijven met een korte norse buiging. Alting trok wit weg en Froon ging naar het venster. Het wolkje boven de bomen was opgelost in de heldere lucht. "Daar is de brief die ik allang verwachtte," zei Alting. "Als jij al weet wat er in staat," antwoordde Mepsge toonloos, "hoef ik hem niet meer te lezen. Zeg het me maar, heer Alting. Of ben je bang?"

"Niet voor u, Mepsge, maar voor de brief in uw handen. De hoofdmannenkamer heeft u in de steek gelaten... en ik zal dat voorbeeld volgen."

Mepsge keerde zich naar Froon toe, die nog steeds zweeg, en vroeg: "En u Froon, wat denkt u na deze brief te doen?" Froon haalde diep adem, en antwoordde: "De lucht wordt me hier wat al te benauwd. Ik denk dat ik ergens anders ga wonen."

Mepsge stond op en liep in gedachten de zaal heen en weer, tot hij de bode toesnauwde: "Zeg de heren van de hoofdmannenkamer dat je op huize Byma twee lafaards hebt aangetroffen." - "En is dat uw enige antwoord, heer van Faan? Maar u hebt de brief nog niet eens gelezen!"

Mepsge verbrak de zegels, en gooide het statige papier met het zwierige handschrift op tafel. "Ik hoef niet te lezen wat de hoofdmannenkamer mij wil berichten. Ik ben onaantastbaar!" - "Luister!" zei Froon plotseling met indringende stem, en iedereen zweeg stil. Daarbuiten, in de verte, klonk een zwak gerucht, dat langzaam aanzwol... en steeds dichterbij kwam. Mepsge verroerde zich niet. Alting had het hoofd gebogen, en hij hield zijn rechteroor omklemd, in geconcentreerde aandacht voor de geluiden die het slot binnendrongen. Froon trok geruisloos zijn degen uit de schede. De bode wachtte onbewogen. "Het volk!" zei eindelijk Froon. "Bode, meld de heren van de hoofdmannenkamer dat het volk optrekt naar het slot te Faan. Ze ruiken dat Mepsge door zijn vrienden is verlaten en zo eenzaam is als een vondeling. Brieven hoeven er niet meer te worden geschreven."

"Moet ik dat de heren van de hoofdmannenkamer te Groningen als uw antwoord melden?" vroeg de bode onzeker en hij keerde zich tot Mepsge als om een bevestiging te vragen. Deze staarde naar de bloedvlek op tafel, en hij hief het hoofd niet op toen hij hem antwoordde: "Ja." De bode aarzelde nog, en drong aan:

"En er is geen schriftelijk antwoord? Ik kan wachten, heer!" - "Neen!" De bode boog, hoffelijker dan toen hij gekomen was, en Mepsge keek hem scherp aan. "Je bent beleefder dan daarnet. Je weet zeker dat je een sterven-de groet."

Eerder nog dan de bode de deur uit was, snelde Froon hem al voorbij. Alting volgde hem op de hielen, zodat de rechter in zeer korte tijd alleen in de kamer achterbleef. Hij deed geen moeite om de vertrekkenden terug te roepen. Hij wreef zich met zijn smetteloze vingers over het voorhoofd. Het geluid van buiten kwam dichter bij. Hij kon nu al duidelijk stemmen onderscheiden. Mespge leunde tegen de tafel.

"Ik blijf. Ze zullen niet denken dat ik laf ben," peinsde hij. "Iedereen heeft me verlaten. Laat het komen, zoals het komt. Ik wil mijn laatste blik hier wijden aan de vlek op tafel waarvoor ik geleefd heb en waarvoor ik zal sterven." Het leek of hij zichzelf en zijn leven nu pas doorgrondde, zoals een roker de helderste gedachten en inzichten krijgt door het turen naar een enkel rook wolkje. "Engelberts en Nannes hebben de bode uit de stad zien komen, en zij hebben het volk gewaarschuwd, om hun huid te redden. Zo denken ze de dans te kunnen ontspringen. Ik moest eigenlijk lachen... om zoveel laf verraad..."

De menigte stroomde binnen. Ze hadden moed gevat nu ze wisten dat hun wrede heer er alleen voor stond. Ze zouden rechtsomkeert hebben gemaakt als de sterke Engelberts en Nannes naast hem hadden gestaan. Ja, het blijft zelfs de vraag of ze niet waren afgedropen als Mepsge zijn heersershouding had bewaard. Eén uitgestrekte wijsvinger was wellicht voldoende geweest om het volk opnieuw op de knieën te dwingen, zo bang waren ze van hem.

Toen zij de heer van Faan echter weerloos aantroffen, in diepe concentratie starend naar één plek op de tafel, ontwaakte hun wraaklust. Dit was een man die door God en de wereld was verlaten, en nu was hij van hen. Iemand uit het volk stapte naar voren. "Mespge! Je bent al te lang onze beul geweest. Nu zijn wij aan de beurt!"

De rechter antwoordde niet. Hij had wel wat anders te doen dan iets tegen dit armzalig gepeupel te zeggen. Hij bleef aandachtig naar de vlek op tafel staren.

Men schudde hem ruw door elkaar. Ze sloegen hem met hun vuisten en met de schop, de vrouwen bewerkten hem met hun nagels, kinderen beledigden hem. Hij leek het niet te voelen. Toen voerde men hem weg. Waar bracht men hem heen? Naar Leegkerk. Daar bond men in een stal de hoogmoedige, bloeddorstige heer aan een ketting, precies zoals hij het met zijn gevangenen had gedaan. Daar liet men hem achter in eenzaamheid, afgesloten van de buitenwereld.

Het geluid van voetstappen vervaagde en in de diepe stilte die volgde, kwam Mepsge langzaam tot zichzelf. Zo vlug was alles gegaan, dat hij de verandering in zijn levensomstandigheden nauwelijks kon bevatten. Langzamerhand kwam hij tot het besef dat hij verloren was. Hij voelde zich als een slapende die weerloos op zijn bed ligt, terwijl onbekende gevaren hem bedreigen... een brand, een misdadiger in zijn kamer... een ziekte die hem door het bloed kruipt. Zelfs als het hem lukte weg te dommelen, rook Mepsge het onheil. Hij werd geregeld met een schok wakker uit zijn lichte slaap.

Hij wist zich bespied door iets dat zich schuilhield in een donkere hoek van de stal, loerend als een kat op zijn prooi. Het was altijd donker in de stal, een inktzwarte duisternis omhulde hem. Hij wist niet of buiten de zon scheen, of dat de nacht was gevallen, en ook niet hoeveel dagen er voorbij waren gegaan. Wat er precies omging in Rudolf de Mepsge van Faan, of hij honger en dorst leed, niemand zal het ooit weten. Wel weet men dat het ongedierte, al wat kleine wriemelende pootjes heeft en bloed kan zuigen, op Mepsge aanviel, en dat zij zich verzadigden aan zijn bloed. Tegen deze vijand had Mepsge geen weerstand. De vlooien, de acrobaten onder de insecten, sprongen zigzagsgewijs over zijn benen en voeten, de luizen haakten zich vast aan zijn hoofdhaar en baard, of verscholen zich in zijn kleren. De ergste van allemaal was de wandluis die zich op zijn vlees liet vallen en die hem zonder ophouden kwelde.

Tot zijn laatste ademtocht bleven ze bij hem. Ze slurpten hem leeg, er leek geen einde aan hun feestmaal te komen. Zij voerden zonder het te weten de wraak van het volk uit. En tot op de dag van vandaag noemt men de plaats dichtbij het Drentse tolhek de "Luizenbult," ter herinnering aan het passende einde van de bloeddorstige heer Rudolf de Mepsge, heer van Faan, rechter van de streek Oosterdeel-Langewold.


*   *   *

De bloeddorstige rechter Samenvatting
Een Gronings volksverhaal over een moordende rechter. De heer van Mepse geniet slechts van het zo lang mogelijk lijden van dieren en daarna mensen. Hij werd rechter en wilde een jonge vrouw tot de zijne maken, die hem afwees en daarna dreigde hij haar broer op te pakken. Daarvoor pakte hij veel mensen op die hij vastbond in schuren tot ze stierven. niemand noemde de naam van de broer tot op een dag een man zijn naam noemde en de broer opgepakt zou worden. De broer was gevlucht en Mepse verbrandde alle mensen die gevangen zaten. Het volk kwam in opstand en bond hem vast in een schuur alwaar hij leeggezogen werd door luizen en vlooien totdat hij dood was Lees het verhaal

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"De mooiste Nederlandse sagen en legende." uitgegeven door Verba, Hoevelaken, 1999, ISBN: 90 5513 369 8

Herkomst: Groningen
Verteltijd: ca. 89 min.
Leeftijd: vanaf 12 jaar

Lees ook