Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 27 min.
Herkomst:




De bosfee Een Perzisch sprookje over een zoektocht naar onsterfelijkheid

Een rijke handelaar had een enkele zoon, Ismat was zijn naam. Deze Ismat was een jongeman met een goed stel hersens en aangename manieren en hij was dan ook nogal geliefd in zijn kring. Als hij vroeg in de morgen ging jagen, haalde zijn snelle pijl altijd wel een fazant omlaag. Wanneer hij door de vlakte galoppeerde, zag de snelste koerier van de sjah geen kans hem in te halen. En in de schoolklas stond zijn onderwijzer verbaasd over zijn scherpzinnige antwoorden.

Hij had het naar zijn zin bij zijn vader thuis en hij was gelukkig, tot er op een avond een vreemdeling aan hun deur klopte. Zijn sombere blik en de voren in zijn gezicht spraken hun eigen taal, nog eer de man zijn mond had geopend. Het was duidelijk te zien, dat de onbekende het niet gemakkelijk had gehad. De handelaar ontving de man welwillend en gaf zijn kok opdracht een smakelijk avondmaal voor de onverwachte gast klaar te maken. Na afloop van de maaltijd nam men plaats op zachte kussens en er werd over de dingen van de dag gepraat, tot de vreemdeling het gesprek op zichzelf bracht.

"Tijdens de reis die ik achter de rug heb, ben ik verdwaald in een reusachtig groot bos," vertelde hij. "Het was een bos zoals ik er nog nooit een had aanschouwd. De hoog opschietende bomen leken tot in de hemel te reiken en de kruinen waren zo dicht en bevonden zich zo vlak bijeen, dat het was alsof ik onder een eindeloos gewelf van bladeren liep. Fel gekleurde vogels sprongen van tak tot tak en vlogen van boom naar boom en de lange veren van hun vleugels glansden in het licht van een zonnestraal, die door een opening in het lover brak.

"Diep in dit bos, toen ik vrijwel mijn krachten had uitgeput en al meende nooit meer een menselijk wezen te zullen aanschouwen, kwam ik uit op een onbegroeide plek en daar stond een mooi huisje. Ik ging er naar toe, ik had weer hoop gekregen. Door het raam keek ik naar binnen. Ik zag een oude vrouw met haar, dat wit was van ouderdom, diep gebogen voor een weefgetouw zitten en ze weefde stof van eigen haren. Telkens als ze zich wat haar had uitgerukt, zag ik voor de verdwenen streng een nieuwe in de plaats komen, die nog witter en zijdeachtiger was dan de vorige.

" - "Waarom zit je zo ijverig te weven, oud vrouwtje?" vroeg ik en ging het huisje binnen.

"Bij het geluid van mijn stem keek ze op en nu zag ik, dat het in het geheel geen oude vrouw was, maar een schone jonge fee.

" - "Wie kleren maakt van mijn stof en ze draagt, zal nooit ofte nimmer sterven," antwoordde ze. Daarna boog ze zich weer over haar weefgetouw. Ik nam afscheid van haar en niet veel later vond ik het pad, dat uit het bos naar dit huis liep."

De koopman had van verbazing de adem ingehouden en nu zuchtte hij diep. Hij nam zich voor zich zo'n lap stof aan te schaffen. Hij begon zijn gast behoedzaam uit te horen over de juiste ligging van het bos en de plek waar het huisje stond. De vreemdeling leek te begrijpen wat er in hem omging, want hij antwoordde zonder ook maar iets te verbergen: "Het is twintig dagen rijden en dan hebt u de rand van het bos bereikt. Zodra u de boom ontdekt, waarin de vogel nestelt met de vurige veren, stijgt u af en loopt de vogel na, het bos in. Tienmaal moet u de nacht doorbrengen tussen de takken van taxis, es of eik en dan zult u het huisje van de fee bereiken."

Bij het aanbreken van de dag steeg de handelaar te paard. Tevergeefs trachtten zijn zoon en zijn bedienden hem over te halen van het zoeken naar de fee af te zien. De handelaar weigerde te luisteren. Hij dacht voortdurend aan de magische stof en aan wat hij daarmee kon bereiken. "Ik ben vastbesloten," zei hij en ging door met zijn voorbereidingen." Wacht maar rustig mijn thuiskomst af."

Na zoveel lange afmattende dagen in het zadel had de handelaar inderdaad de rand van het grote bos bereikt. En even later zag hij ook de gloeiende veren van de vuurvogel. Trillend van opwinding steeg de handelaar af en gaf zijn paard een harde klap op de schoft. Het paard vloog in galop weg. Te voet volgde hij de vogel, die hem steeds dieper in het bos lokte.

De weken verstreken, de maanden verstreken en Ismat, de zoon van de handelaar, maakte zich steeds bezorgder over zijn vader. De bedienden meenden dat hij door een roofdier verscheurd moest zijn, maar de handelaarszoon besloot desondanks eveneens de tocht te wagen en zijn beminde vader te gaan zoeken. "Al zou hij door roofdieren zijn verslonden," zei hij, "ik zal althans zijn gebeente vinden en het begraven."

Hij ging op weg en dagen en nachten trok hij door de eindeloze vlakte. Hij vermagerde toen zijn voorraden begonnen op te raken en zijn kleren kregen een haveloos aanzien. Ook hij bereikte de rand van het betoverde bos, maar zijn gelaat en zijn handen waren toen donker verbrand door de verzengende zon en de handelaar zelf zou zijn zoon nauwelijks hebben herkend.

Hij zag er minstens tien jaar ouder uit dan hij in feite was. In zijn ogen lag de weerspiegeling van alle kwellingen en ontberingen, waaraan hij tijdens de lange hardnekkige speurtocht naar zijn vader had blootgestaan. Vaak viel hij en vaak bleek hij verdwaald. En ook gebeurde het dat hij uitkwam op een plek, waar hij uren tevoren al geweest was; hij was dan in een kring rondgelopen. Wat hem op de been hield was de gedachte dat zijn vader in nood verkeerde of gestorven was, de gedachte aan de geest van zijn vader, die geen rust kon vinden zolang zijn lichaam onbegraven bleef.

Ismat dwaalde verder door het bos, overdag liep hij en 's nachts rustte hij uit. Hij voedde zich met sappige wilde vruchten en leste zijn dorst aan de drinkplaatsen van de bosdieren.

De handelaarszoon wist niet meer hoe lang hij al onderweg was, maar hij was vastbesloten niet huiswaarts te keren eer hij zijn doel had bereikt. Eindelijk kreeg hij het huisje in zicht, maar toen was hij al te zeer uitgeput om nog te beseffen dat het eerste deel van zijn tocht achter de rug was. Overigens bleef Ismat, al was hij nog zo vermoeid, op zijn hoede. Het huisje zag er zo aardig en onschuldig uit in de begroeide omgeving, maar had de vreemdeling hun niet verteld dat het bewoond werd door een fee?

Zonder enig gerucht verschool Ismat zich achter een boom en al gauw verscheen er aan de rand van de onbegroeide plek een mooi jong meisje met sneeuwwit haar, gekleed in een wit jurkje. Ze dartelde naar het huisje. Nadat Ismat haar gezien had, zette hij alle angst van zich af en kwam uit zijn schuilplaats te voorschijn.

"Wie ben je en hoe heb je de weg gevonden?" vroeg het meisje verschrikt, zodra hij zich vertoonde.

De handelaarszoon vertelde haar wie hij was en ook, dat hij op zoek was naar zijn spoorloos verdwenen vader. Hij verzweeg niets, hij vertelde geen dingen die niet waar waren. En ten slotte vond Ismat de moed haar onderdak in het huisje te vragen.

Het meisje in de witte jurk greep zijn hand en nodigde hem binnen en ze vertelde: "Ik woon hier al honderd jaar. De dieren van het bos zijn mijn bedienden. De lynx maalt meel, de beer bakt brood en de otters wassen mijn kleren voor me in de beek hier vlakbij. Ik weet niet wat het is, je somber of eenzaam te voelen. En deze stof, waarvan mijn witte jurk is gemaakt, heeft magische kracht. Het is stof die ik van mijn eigen haar heb geweven. Zolang ik dit draag, blijf ik jong. Alleen mijn haar is in de loop van de jaren wit geworden."

De zoon van de handelaar boog diep om haar de eerbied te tonen, die haar hoge leeftijd vergde, en de fee zette hem een duif voor, die gestoofd was in een bosbessensaus, hij kreeg wilde aardbeien met room en een honingtaart, waarvan de beer zoveel hield die het brood bakte. Ismat was uitgehongerd geweest en hij bediende zich tot hij geen hap meer naar binnen kon krijgen. De fee bracht hem naar een bed van zachte pelzen en hij viel dadelijk vast in slaap.

Tegen middernacht werd de zoon van de handelaar wakker van schrik, doordat de deur van het huisje werd geopend en een mannetje van ruim een halve meter lang de kamer binnenstapte. Hij droeg op zijn hoofd een muts van glanzende plataanbladeren, zijn voeten staken in schoenen van grote notendoppen en de mantel om zijn schouders was gemaakt van de zilverachtig glanzende bladeren van een jonge eik. Ismat verroerde zich niet, terwijl de dwerg naar de fee aan het weefgetouw schuifelde.

"Nog nieuws in het woud?" vroeg ze.

"Nee, vrouwe," antwoordde de dwerg met hese schelle stem.

Ismat deed alsof hij nog steeds sliep, maar toen er even later een haas binnenkwam met een wandelstok en een grasmandje, gluurde hij door zijn oogharen. De haas boog diep voor de fee en ze vroeg: "Kom je nieuws brengen?"

"Er is niets bijzonders gebeurd, vrouwe," zei de haas.

Ismat bleef zich slapend houden en even later kwam er een grote vette kikker binnen en de fee vroeg hem: "Zeg, wat heb je vandaag in het bos gezien?"

"Niets bijzonders, vrouwe," kwaakte de kikker.

Voor de vierde keer ging de deur open en nu sloop een vos naar binnen.

"Waar kom je vandaan?" vroeg de fee, nadat de vos haar kwispelstaartend had begroet.

"Helemaal uit de olifantenwildernis, vrouwe! Wat zijn dat toch dwaze beesten. Geen grein gezond verstand. Toen ik wegging hadden ze ruzie over de lengte van hun slagtanden."

De fee moest lachen en zei: "Nou, daarover zullen we ons maar niet druk maken. Olifanten kunnen wel op zichzelf passen. Tegen de morgen zullen ze het ongetwijfeld eens zijn geworden."

Een vogel vloog door het raam naar binnen en streek neer op de leuning van haar stoel. De veren van de vogel gaven licht en het leek alsof de zon opeens de kamer binnenscheen. De gouden kuif op de vogelkop trilde, toen het dier vertelde:

"Ik vloog rond door het bos en hoorde vlaamse gaaien over een handelaar praten, die door de djinns zou zijn gevangen en behekst."

"Hoe hebben ze hem behekst?" vroeg de fee.

"Ze hebben toverwater over zijn hoofd gegoten, waardoor hij zijn huis, zijn vroeger bestaan en zelfs zijn enige zoon vergat. Dag en nacht werkt hij voor de koning van de bosgeesten, hij moet bomen vellen, het onderhout uitdunnen, hij moet ploegen en zaaien en hij kan zich maar niet herinneren wat hij vroeger geweest is."

"Zeg eens, vuurvogel," zei de fee, "kunnen we de betovering niet verbreken, die hem tot de slaaf van de bosgeesten maakt?"

"Als een jonge man tegen zonsondergang naar die handelaar zou gaan om hem drie slagen te geven met een tak van de eik, die met zijn kruin het dak van dit huisje beschut en hem vervolgens snel zou besprenkelen met water uit uw put, zou de betovering verbroken zijn," antwoordde de vogel.

Ismat, die nog lag te luisteren, zuchtte van opluchting: de handelaar over wie de vogel had gesproken, kon niemand anders zijn dan zijn spoorloos verdwenen vader. "Ik zal de fee vragen me te beschermen en dan ga ik mijn vader verlossen van die kwalijke betovering!" nam hij zich voor en eindelijk viel hij in slaap.

"Ik hoorde vannacht wat de vuurvogel vertelde," zei Ismat de volgende ochtend tegen de fee. "De betoverde handelaar moet mijn vader zijn. Laat me proberen hem te bevrijden. Laat mij doen wat er volgens de vuurvogel gedaan moet worden om de betovering te verbreken."

"Ik zal je beschermen," beloofde de fee. Ze ging naar buiten, brak een tak af van de eik en liet een fles vollopen met water uit haar put. Tak en fles gaf ze aan de handelaarszoon mee.

"Bewaar tak en fles bijzonder goed," zei ze. "Ik zal mijn vos roepen, die zal je naar het rijk van de djinns brengen."

De vos kwam en Ismat ging op zijn rug zitten en in snelle vaart rende de vos weg. Tegen de middag bereikten ze het rijk van de bosdjinns en op een akker was de handelaar aan het zwoegen. Hij dreef de ploegde grond in en voor de ploeg waren twee herten gespannen.

"Dat is mijn vader werkelijk!" riep Ismat en vloog op de ploeger af en zijn gezicht straalde van blijdschap. Maar de ploegende man schonk geen aandacht aan hem. Ismat omhelsde hem en dwong hem tot stilstaan en luisteren. "Ik ben uw zoon!" riep hij steeds opnieuw. Zodra hij merkte niet de aandacht van zijn vader te kunnen trekken, begon Ismat te vertellen over zijn familie, zijn zaak, over de bezorgdheid van zijn personeel en over zijn eigen langdurige speurtocht. Maar het baatte hem niet.

Tranen van woede en teleurstelling sprongen Ismat in de ogen, toen zijn vader hem met wezenloos gezicht van zich afstiet.

"Ik ken je niet, ik heb je nog nooit gezien," zei de koopman. "Ik begrijp niets van je verhaal. Huis? Personeel? Bemoei je met je eigen zaken en laat me met rust." Ismat was de wanhoop nabij. Handenwringend keek hij om zich heen, alsof hij elk ogenblik verwachtte de djinns te zullen zien toeschieten en ook hem te beheksen. Ze bleken evenwel niet in aantocht en die bedreiging bleef Ismat tot zijn grote opluchting dan ook bespaard. De djinns hadden misschien een feestdag, overwoog hij, en dan zouden ze andere dingen aan hun hoofd hebben; misschien achtten ze het ook onmogelijk dat iemand kans zou zien de betovering te verbreken, waarmee zij de handelaar tot hun slaaf hadden gemaakt. Overigens vroeg hij zich af, hoe hij zijn vader moest bewegen de ploeg aan de kant te zetten en met hem mee te gaan.

Op dat ogenblik pas dacht Ismat aan de woorden van de vuurvogel en aan de tak en de fles, die hij van de fee had meegekregen. Hij ging aan de rand van de akker zitten en wachtte vol ongeduld op het invallen van de duisternis. Zodra de zon op de einder stond, sloeg hij zijn vader driemaal met de eikentak en besprenkelde hem met water uit de put van de fee. Plotseling waren ze in een donkere nevelwolk gehuld, een stormvlaag joeg het zand op in zuilen, die tot in de hemel reikten. Maar de zwarte wolk loste zich op en de wind ging liggen. Ismat, die zich aan zijn vader had vastgeklemd, keek hem in de ogen.

En zijn vader keek hem aan en nu lag er een blik van herkenning en genegenheid in zijn ogen.

Nog eens omhelsden vader en zoon elkaar en nog eens vertelde de zoon over zijn lange speurtocht.

Geleidelijk kwamen bij de handelaar de herinneringen boven en daarmee de oorzaak van zijn slavernij. Het schoot hem te binnen dat hij de magische stof voor een eeuwige jeugd had willen hebben, die door de fee werd geweven. Hij herinnerde zich dat hij op reis was gegaan om de fee te zoeken. En de herinnering aan de vele maanden zware arbeid onder de betovering van de djinns leek hem een straf voor zijn begeerte te zijn geweest. Het was hem nu duidelijk dat eeuwig leven voor een sterveling niet is weggelegd en dat het lot hem om die reden de djinns in handen had gespeeld. Hij was ontroostbaar in zijn berouw en nam zich voor allereerst naar de fee te gaan, haar zijn voornemen te bekennen en haar vergiffenis te vragen.

Het was de vos die aan hun samenzijn een eind maakte door opeens uit de struiken te voorschijn te springen en hen beiden op zijn rug veilig en wel naar het huisje van de fee te brengen.

Vader en zoon dankten de vos voor zijn goede diensten en gingen het huisje binnen. Ze troffen er tot hun verbazing een vergadering van bosdieren aan, onder anderen de beer en de lynx. De fee zelf was nergens te bekennen. Maar uit hun verslagen gezichten maakte Ismat op, dat de vrouw in het wit voorgoed was heengegaan en de magische witte stof, die de drager eeuwige jeugd verleende, met zich meegenomen had.

"De geesten van het eeuwig leven hebben haar weggevoerd," zei de vos somber, nadat hij enkele woorden met de beer had gewisseld. "Ze waren bang dat zij haar stof aan een mens zou schenken. De geesten staan in hun wijsheid niet toe, dat mensen eeuwig doorleven."

"En zo is het goed," zei de handelaar en met de hand op de schouder van zijn zoon verliet hij het huisje.

Hij had begrepen dat onsterfelijkheid waarlijk niet voor mensen is weggelegd. En zeker kon onsterfelijkheid niet voor geld worden gekocht of door diefstal worden bemachtigd. Mensen konden alleen onsterfelijkheid verwerven door hun daden. Wanneer ze tijdens hun leven hard werkten en de vruchten van hun inspanning nuttig bleken voor hun medemensen, zou men hen nog na hun dood gedenken. Onsterfelijkheid kon men alleen veroveren door goede herinneringen na te laten en de handelaar nam zich voor, zich daartoe in de toekomst in te spannen.

Vader en zoon trokken weg naar hun eigen streek en ze hadden een langdurige afmattende tocht, maar omdat ze hun doel kenden, ondergingen ze de reis toch als minder afmattend en minder langdurig dan de heenreis.

Nadat ze veilig waren thuisgekomen, riep de handelaar zijn vrienden en zijn personeel bijeen en deed verslag van zijn belevenissen. Maar hoewel ze hun respect uitten voor de zoon, die zijn vader gezond en wel weer thuisgebracht had, was er niemand die een woord geloofde van wat de handelaar vertelde over de wevende fee en haar magische stof.

De handelaar deed wat hij zich voorgenomen had en werd een alom geacht man, omdat hij nobel en rechtvaardig optrad. Hij bereidde zijn medemensen vreugde waar hij kon en na een lang en gelukkig leven stierf hij getroost, omringd door familie en vrienden. En lang na zijn dood bleef hij leven in de herinnering. De stadsbewoners richtten op de markt een standbeeld voor hem op en zo kwam het, dat de handelaar toch onsterfelijk werd.


*   *   *

De bosfee Samenvatting
Een Perzisch sprookje over een zoektocht naar onsterfelijkheid. Ismat is bezorgd over zijn vader die vertrokken is naar een fee, maar nog niet is teruggekeerd. Hij gaat zijn vader achterna en vindt het huisje van de fee. Daar hoort hij wat er gebeurd is met zijn vader en hij bevrijdt hem van een betovering. Ze leren ook een wijze les. Lees het verhaal

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Perzische sprookjes" bewerkt door Margot Bakker. Uitgeverij N. Kluwer N.V., Deventer, 1972. ISBN: 9020200151

Herkomst: Perzië
Verteltijd: ca. 27 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook