Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 27 min.
Herkomst:

De dankbare dieren

Er was eens een landgoedeigenaar, die op de wandel ging. Hij kwam in een heel groot bos, en, toen hij daar zo rondliep onder de bomen en naar de vogels in de kruinen keek, voelde hij de grond plotseling onder zich wegzinken, boem, daar gleed hij de diepte in, hij kwam hard terecht en lag languit, zand en takken waren met hem mee naar beneden gestort. Hij was in een diepe wolfskuil gevallen. Hij krabbelde overeind, klopte het zand van zijn kleren, wreef de zere plekken van armen en benen en keek rond om te zien, hoe hij weer uit de kuil kon komen. Maar terwijl hij van de ene hoek naar de andere keek, deed hij de ene ontdekking na de andere, die hem de haren ten berge deed rijzen: in de ene hoek lag een grote beer, in de andere hoek een boskat en in de derde hoek een ineen-gekronkelde slang. Hij vloog naar de vierde hoek, die nog onbezet was, en drukte zich tegen de zandige wand. Hij wist zich geen raad, en dat was geen wonder, want het was een weinig aanlokkelijk gezelschap, waarmee hij hier samen was in die diepe kuil. Hij verloor de dieren niet uit het oog, hij wilde op hun bewegingen bedacht zijn, maar zij hielden hem aan zijn plaats gebonden. Want hij dacht, als ik probeer uit de kuil te klimmen, dan vallen zij op mij aan, en wat dan? Hij had geen enkel wapen, hij had niets om zich te verdedigen. Tot zijn verbazing bleven de dieren echter doodkalm, zij deden hem niets, zij beschouwden hem zeker als een lotgenoot. Ja, want hun was hetzelfde overkomen als hem, zij waren al eerder in die verraderlijke kuil gevallen, zij wachtten zeker de eerste de beste gelegenheid af om eruit te komen, misschien dachten zij, dat hun reddingskans gestegen was, nu ook een mens in de kuil was gevallen.

Ziende dat de dieren hem ongemoeid lieten, begon de landgoedbezitter, alhoewel nog telkens wantrouwig naar hun omkijkend, pogingen te doen om uit de kuil te komen. Maar de kuil was te diep, de steile wanden brokkelden af onder zijn handen en voeten, telkens rolde hij terug, en eindelijk bleef hij, zwetend van inspanning en van angst, op de bodem liggen hijgen. Toen kroop hij weer overeind en ging weer in zijn hoek staan, maar nu begon hij zo hard als hij kon om hulp te schreeuwen.

Toevallig kwam daar een van zijn onderhorige pachters voorbij, die een bijl op de schouder droeg. "Wat hoor ik?" dacht de pachter. Dat is precies de stem van mijn heer! Hij kwam dichterbij, hij zocht met de ogen om te zien waar het geluid vandaan kwam, toen merkte hij de kuil en toen hij zich over de rand boog, hoorde hij het hulpgeschreeuw duidelijker. Hij liet zich plat neervallen, bracht de handen aan de mond en riep; "Maar wie ligt hier dan in?"
De landgoedeigenaar herkende aan de roepende stem een van zijn pachters en riep terug: "Ik ben het, je heer, haal mij hier uit, ik zal er je rijk voor belonen!" Misschien had hij wel reden om aan te nemen, dat zonder die rijke beloning zijn pachter hem net zo lief in die kuil zou laten liggen, wat een geluk, dat hij een rijke beloning kon aanbieden! Maar de pachter was al weer overeind, hij nam zijn bijl en velde in het bos een lange masteboom. In een twee drie sloeg hij met de bijl er de takken af, toen zette hij de boom recht overeind, ülde hem boven de kuil en liet hem erin neerzakken. Een ogenblik later voelde hij, dat de boom werd vastgegrepen, hij begon te heffen en te trekken, lieve hemel, dacht hij, wat is mijn heer zwaar. Maar toen het ondereind van de boom boven kwam, neen, wat schrok hij, een grote bruine beer hield, de poten dicht bijeen, er zich aan vastgeklampt. De pachter schreeuwde, trok de boom bezijden de kuil en wilde weglopen. Maar hij hoefde niet te vluchten, de beer stapte kalm van de boom en liep hem voorbij, het bos in. "Daar begrijp ik niets van," zei de verbouwereerde pachter. "Ik heb toch duidelijk de stem van mijn heer gehoord. Zou die beer soms de duivel zijn, die zich van de stem van mijn heer heeft bediend? Laat ik maken, dat ik weg kom!"

Maar net toen hij weg wilde lopen, hoorde hij opnieuw hulpgeschreeuw. "Laat mij hier niet in. Haal mij er uit! Ik weet, dat je graag zoudt trouwen, maar dat je geen geld hebt. Als je me uit de kuil haalt zal ik je bruiloft betalen!"
"Neen," dacht de pachter, "dat zou een meevaller zijn," want hij had wel een bruid, maar geen geld, en nu zag hij zich de mogelijkheid van een bruiloft voorgespiegeld. "Vooruit!" zei hij bij zichzelf. "Die beer heeft mij in elk geval niets gedaan. Ik kan het nog eens proberen en zien, of mijn meester uit de kuil komt, want het is toch zijn stem, die ik hoor."
Nauwelijks had hij de boom weer in de kuil laten zakken, of hij had weer beet. Hij hief en trok, wat is mijn meester licht, dacht hij, maar misschien voelde hij bet gewicht maar als licht aan, omdat hij daarnet die geweldig zware beer uit de kuil had getrokken. Hij bleef trekken, maar toen hij het ondereind van de boom boven de kuil had, nee maar, wat was dat? Een boskat hield met vier poten en een stijve staart er zich aan vast, ze voelde de begane grond, hoepla, ze sprong van de boom en holde weg, het bos in. "Ik trek nog alle dieren van het bos uit de kuil," zei de pachter. "Maar nu ga ik weg!"

Doch net toen hij weg wilde gaan hoorde hij opnieuw de stem van zijn heer in de kuil. "Laat mij niet hier. Haal mij er uit! Het huisje, dat je van mij huurt, en het stukje land, dat je van mij pacht, geef ik je tot eigendom, als je mij uit die vreselijke kuil trekt!"
Nu stond de pachter stil, ja, dat was wel erg aanlokkelijk, een eigen huisje, een stukje land, dan zou de bruiloft, die hem in 't vooruitzicht was gesteld, helemaal heerlijk zijn! "Kom," zei hij, "ik probeer het nog een keer. Als ik nu maar zekerheid had, dat het mijn heer is, en niet de boze geest, die met de stem van mijn heer roept." Weer liet hij de boom in de kuil zakken, ho! Hij voelde een schok toen hij beet kreeg, hij hief en trok, maar toen hij het ondereind van de boom boven had, goeie genade, hij had wel gillend willen vluchten, een vette slang zat er om heen gekronkeld. Hij gooide de boom neer, maar de slang had er zich al af laten glijden en kroop weg, het bos in. "Het is vast en zeker de boze geest, die mij fopt," dacht de man. "Maar nu maak ik, dat ik weg kom."

Doch net toen hij weg wilde gaan, klonk er opnieuw geschreeuw uit de kuil: "Laat de boom nog één keer naar beneden zakken. Ik geef je al mijn bezittingen en mijn hele geld, als je me hieruit haalt."
"Lieve deugd," dacht de pachter, en hij kreeg medelijden omdat zijn heer zo jammerlijk smeekte. "Weet je wat," dacht hij, "ik zal het nog een keer proberen, maar dat is dan ook onherroepelijk de laatste keer, hoe hij ook smeekt of kermt." Hij liet de boom weer zakken, aan een schok in de stam voelde hij dat hij beet had, hij hief en trok, daar kwam het ondereind boven de kuil, ja en toen was eigenlijk de pachter stomverbaasd, dat waarlijk zijn heer er aan hing en niet het een af ander dier uit het bos. De landgoedbezitter kroop van de boomstam, hij moest meteen gaan zitten, zo slap en uitgeput was hij van de val en door al de uren van angst, die hij in de kuil had gezeten. Maar de pachter ondersteunde hem, gaf hem een stuk brood uit zijn knapzak en een teug water uit zijn veldkruik. De landgoedbezitter kwam toen weer wat bij. Na een tijdje kon hij weer opstaan en lopen. En toen zei hij tot de pachter: "Nu heb ik je niet meer nodig. Je kunt gaan." En dat was al. Over beloning en geld werd niet meer gesproken. "Maar dit is het ogenblik niet, om daaraan te herinneren," dacht de pachter, en hij ging heen.

De volgende dag echter ging de pachter naar het landgoed, de halve nacht had hij liggen denken aan wat hem beloofd was en er zich blij over gemaakt, nu stond hij op de hoge stoeptrede en belde aan. Een knecht deed open, de pachter vroeg naar de heer van het landgoed, een andere knecht kwam er bij te pas, neen, zo zonder meer kon je hier maar niet binnenkomen, de knechten vroegen hem uit, wat hij wilde van hun meester. De pachter mocht niet liegen, daarom vertelde hij alles, het hele avontuur en hoe hij zijn heer, toen die om hulp schreeuwde, uit de wolfskuil had gered, en nu kwam hij om te herinneren aan de beloning, die hem was beloofd.
De knechten brachten de boodschap aan hun meester over, maar toen werd de landgoedeigenaar woedend, omdat de pachter alles verteld had, het was krenkend en vernederend voor hem, 't was immers 'n schande voor een zo groot en rijk heer als hij was in een wolfskuil te vallen, en helemaal wilde hij er niet meer aan herinnerd worden, dat hij om hulp had geschreeuwd en bang was geweest. In zijn woede gaf hij bevel, de onbeschaamde pachter een pak ransel met de zweep te geven, en dat deden ze, ze namen hem mee naar de binnenplaats en daar gaven ze hem tot zijn schrik en zijn eindeloze verbazing, er met de zweep geducht van langs. Toen kon de pachter leren, dat ondank het loon van de wereld is, en hij kon nog veel meer leren, en daarover dacht hij na toen hij, met bulten en striemen overdekt, naar huis strompelde.

Maar toen hij zijn huis was ingegaan en het kleine woonvertrek binnen kwam, kijk, daar lagen de beer en de boskat op de vloer, en de slang had zich neergekronkeld bij de kachel. De pachter schrok en wilde vluchten, maar de beer, op zijn bruine sokken van poten gesprongen, kwam vriendelijk naar hem toe en zei: "Wees maar niet bang, en kijk maar eens in je oven, daar ligt een hele geslachte os in, die heb ik voor je bruiloft meegebracht, dan heb je ossestaartsoep en ossetong en alles van de os wat daar nog tussen in is." En daar kwam de boskat aangesprongen. Die had een hele bos rijshout bij elkaar gesleept en nog een stapeltje dikker, kort hout. "En ik ga nog meer hout halen," zei zij. "Dat is mijn geschenk voor je bruiloft, dan kun je op de bruiloftsdag de feestkamer goed verwarmen." En daarna kronkelde de slang zich uit elkaar en kwam aangekropen. Zij hief de zoekende platte kop, zij had alle moeite haar bliksemvlugge tong binnen te houden. Zij droeg een edelsteen in de bek en toen daar een lichtstraal in viel, fonkelde er een diepblauwe gloed uit op, en toen er een andere lichtstraal in viel, brandde hij van een groen vuur, ja zo'n prachtige edelsteen was dat. De slang liet de steen vallen voor de voeten van de pachter en zei: "En ik schenk je voor je bruiloft deze steen, die veel waard is en waarvoor je je veel kunt kopen."
Daar stond de pachter met de verblindende steen in de hand, en van de steen keek hij naar het hout en hij watertandde bij de gedachte aan zijn ossetong, hij vergat zijn pijn en lachte. En toen bedankte hij de beer en de boskat en de slang, maar zij wezen de dank af en de slang deed het woord, beleefd als een hofdame, en zei: "De dank is helemaal aan ons, want we zijn je dank verschuldigd omdat je ons uit de wolfskuil hebt gehaald." En toen gingen de beer, de kat en de slang weg.

De pachter keek in de oven, ja, daar lag de os, vet en mals, de pachter liet zijn ogen er reeds aan te gast gaan. Toen moest hij weer naar zijn steen kijken, hij vergat hoe langer hoe meer zijn pijn, nu zou hij toch nog zijn bruiloft vieren, en toen kreeg hij een inval, waarvan hij dacht, dat het een goede inval was en hij ging naar het landgoed. "Vraag aan uw meester, zei hij tot de knechten, of hij deze steen wil kopen." Ze namen de steen en gingen ermee naar hun meester, waar zij liepen, vlamde de blauwe gloed. Na een tijdje kwamen zij terug, zonder steen, die had de landgoedeigenaar maar vast gehouden, en zij vroegen: "Wat moet je voor die steen hebben?"
"Honderd taler," zei de pachter.
"Neen," zei de landgoedeigenaar, toen hij de prijs hoorde, het is onmogelijk dat die man een bezit heeft, dat honderd taler waard is, zijn hele vermogen kan nog geen vijf taler zijn, die steen heeft hij gestolen." En de knechten kwamen met die beschuldiging terug bij de pachter. En toen vroegen ze hem, welke verklaring hij er dan voor kon geven, dat hij in 't bezit was van zo'n kostbare steen. En de pachter vertelde daarop, dat hij de steen van de slang had gekregen en hij vertelde van de twee andere bruidsgeschenken van de beer en de boskat, die hij, net als de steen, uit dankbaarheid had gekregen, omdat hij de beer en de boskat en de slang uit de wolfskuil had gered.
"Wat een onbeschaamde leugenaar," zei de landgoedbezitter, "Hij wil mij weer beledigen met zijn praatjes, 't is een dief. Houdt hem vast en levert hem uit aan het gerecht. Er moeten korte metten met hem worden gemaakt." En er werden korte metten met hem gemaakt.

's Avonds zat hij al in de stad in de gevangenis, op water en brood, hij was er erg aan toe, zijn striemen en builen begonnen weer zeer te doen, hij had een slapeloze nacht, en de volgende morgen stond hij voor het gerecht. "Geef een verklaring, hoe jij, die nog geen vijf taler bezit, aan zo'n kostbare steen komt," zei de rechter. Ja, het was niet zo eenvoudig om dat duidelijk te maken, dan moest hij de hele geschiedenis vertellen, en dat deed hij. Hij vertelde de rechter alles, hoe hij zijn heer uit de wolfskuil had gered, welke beloningen deze hem allemaal in het vooruitzicht had gesteld, en hoe hij hem, toen hij om zijn beloning kwam, slechts een pak ransel met de zweep had laten geven. Verder vertelde hij, welke geschenken hij van de beer, de boskat en de slang, die hij vóór zijn heer uit de kuil had gehaald, gekregen had.
"Ik geloof je graag, arme man," zei de rechter, "maar voor de rechtbank is slechts waarheid wat bevestigd wordt door getuigen. Heb je getuigen?"
"Ja," zei de pachter, "de beer, de boskat en de slang. Maar die zijn in het bos."
"Juist," zei de rechter, "je hebt dus geen getuigen meegebracht, die de waarheid kunnen bevestigen van wat je gezegd hebt. Je verklaring, hoe je aan de steen bent gekomen, is dus onaannemelijk, zodat wij de verklaring moeten aannemen van je beschuldigers, dat je de steen hebt gestolen. Ik moet je dus veroordelen."
"Neen!" brulde de beer. Ja, want de deuren waren opengevlogen, en de beer was komen binnen stormen, de kat zat op zijn rug en de slang kronkelde achter hen aan. Ja, zij waren de getuigen uit het bos, zij kwamen de waarheid bevestigen van alles wat de pachter had verteld. Zij gaven hun getuigenis, daar was geen speld tussen te krijgen, de verklaringen waren eensluidend, en de beer liet grommend zijn tanden zien en zei: "Die het waagt deze man te veroordelen krijgt met mij te doen!"
De rechter had zijn bril op en afgezet en toen zette hij hem weer op, hij kon zijn ogen niet geloven toen hij de beer, de boskat en de slang daar voor zich zag, maar hij hoorde hun getuigenis, en dat getuigenis was onomstotelijk, de rechterlijke macht was voor een van haar dwalingen behoed. "Het is zoals ik gezegd heb," zei de rechter, "waarheid is wat door de eensluidende verklaringen van getuigen is komen vast te staan. De pachter is dus onschuldig en ik spreek hem vrij."
De pachter voelde zijn hart opspringen van vreugde. Hij wilde zich tot de dieren wenden om hen te bedanken voor hun getuigenis, maar ze waren al weer weg, ze waren door de opengebleven deuren even snel weer verdwenen als zij gekomen waren.

Opgeruimd ging de pachter naar huis en hij overwoog nieuwe plannen om zijn kostbare steen te verkopen. Maar hij hoefde hem niet te verkopen. Neen. In dat land was een koning, die rechtvaardig was en die wilde, dat er recht en rechtvaardigheid zouden zijn in zijn hele rijk. Toen de koning de wonderlijke geschiedenis van de landgoedeigenaar en de pachter ter ore kwam, nam hij onmiddellijk zijn besluit. Hij maakte de pachter tot landgoedeigenaar, en de landgoedeigenaar zette hij in het huisje van de pachter. Ziezo, nu hadden zij omgeruild, de vroegere landgoedbezitter had zijn verdiende loon, en de vroegere pachter was nu een welvarend man. Hij was nu heer van het landgoed, hij woonde in het grote huis. Het was een kasteel en de kamers kon hij niet tellen, en toen ging hij trouwen. Het was een heerlijke bruiloft. Ze begonnen met ossestaartsoep en ze eindigden met ossetong en tussen in kregen ze ossehaas en al het andere van de os, er kwam geen eind aan de gangen, om van de forellen, de zalm en de fazanten nog te zwijgen. En de gelukkige bruidegom schonk zijn bruid de steen van de slang, die vlamde en brandde als het azuur, als de zon, als de regenboog boven de schuimende waterval. En de bruid was gelukkig en de bruidegom was gelukkig, en ze leefden nog lang in vrede en gezondheid.


*   *   *

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
Groot sprookjes boek De geilustreerde persNV Amsterdam Margriet uitgave

Herkomst: Nederland
Verteltijd: ca. 27 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook