Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 13 min.
Herkomst:

De dankbare dieren en de ondankbare mens Een Indiaas volksverhaal over een behulpzame brahmaan

In een streek woonde een brahmaan die Jadshnadatta heette. Onder de last van de armoede, waarin zijn vrouw met hem moest leven, zei ze elke dag tegen hem: "Jij trage, hardvochtige brahmaan! Zie jij dan helemaal niet hoe onze kinderen honger lijden dat je zo zorgeloos voortleeft? Ga nu eens op weg, al hoeft het niet ver te zijn, en zoek zo goed als je kunt een middel om je brood te verdienen en als het je gelukt is, kom dan zo gauw mogelijk weer terug." Tenslotte had de brahmaan genoeg van haar gepraat en ging op weg om een lange zwerftocht te maken.

Na een paar dagen kwam hij in een groot bos. Terwijl hij daar liep, helemaal verzwakt door de honger, zocht hij naar water. Toen zag hij op een zekere plek een diepe, door gras omgeven regenput. Toen hij erin keek zag hij een tijger, een aap, een slang en een mens en het viertal zag hem eveneens. De tijger zag dat hij het met een mens te doen had en daarom zei hij tegen hem: "Luister, edele man! Je weet dat het redden van een leven een goed werk is. Trek mij er daarom uit, zodat ik weer naar mijn geliefden, naar mijn vrienden, mijn vrouw, mijn kinderen en andere familieleden toe kan gaan." De brahmaan antwoordde: "Alles wat leeft, raakt ontzet als ze je naam maar horen en ik ben natuurlijk ook bang van je." Maar de tijger ging voort:
"Voor de brahmanenmoordenaar, de brandewijndrinker, de lafaard, de trouweloze en de bedrieger hebben de goden verzoening mogelijk gemaakt; voor de ondankbare is er geen verzoening."
En hij ging verder: "Door een drievoudige eed zal ik mezelf vervloeken; van mijn kant dreigt je geen gevaar. Wees dus barmhartig en trek mij eruit." Toen overlegde de brahmaan in zijn hart: Als men onheil over zichzelf afroept door een levend wezen het leven te redden, dan ontstaat uit dit onheil toch heil. Zo dacht hij en bevrijdde de tijger.

Daarop zei de aap eveneens tegen hem: "Red ook mij, goede man!" Toen de brahmaan dat hoorde, redde hij hem ook. Nu zei de slang: "Red ook mij, brahmaan!" Toen de brahmaan dat hoorde, antwoordde hij: "Ook jouw naam alleen al wekt ontsteltenis, laat staan je aanraking!" De slang antwoordde: "Wij handelen niet uit vrije wil; we bijten niet als we daartoe niet gedwongen worden. Ik vervloek mezelf met een drievoudige eed: je hoeft niet bang van me te zijn." Op deze woorden vertrouwend redde de brahmaan ook de slang. Daarop zeiden de drie dieren tegen hem: "Er is nog een mens in de regenput; hij draagt alle zonden in zich. Denk daaraan en red hem niet. Laat je niet verleiden hem vertrouwen te schenken." Daarna zei de tijger: "Zie je daar die berg met zijn vele toppen? In het noordelijke en hoogste deel, in het struikgewas van een kloof, ligt mijn hol. Doe mij de eer aan mij daar eens te bezoeken, opdat ik je een wederdienst bewijzen kan en de schuld die ik bij je heb niet meeneem naar een toekomstig bestaan." Zo sprak hij en liep weg in de richting van zijn hol. Dan sprak de aap: "In dezelfde buurt, in de nabijheid van het hol bij een waterval bevindt zich mijn woning. Daar moet je mij ook een keer opzoeken." Na deze woorden verwijderde hij zich. De slang zei: "Als je een keer in nood zit, denk dan alleen maar aan mij!" Zo sprak hij en ging naar de plaats vanwaar hij gekomen was.

Nu riep de man in de regenput onafgebroken: "Red mij toch ook, brahmaan!" Toen kreeg deze meelij en omdat hij overwoog dat de man toch tot zijn eigen geslacht behoorde, bevrijdde hij ook hem. Daarop zei de geredde: "Ik ben een goudsmid en woon in Bhrigukatshtsha. Als je een keer wat goud wilt laten bewerken, dan hoef je het me maar te brengen." Zo sprak hij en ging eveneens naar de plaats vanwaar hij gekomen was.

De brahmaan zwierf verder door het land zonder ergens iets te vinden. Toen maakte hij zich klaar om naar huis terug te gaan en terwijl hij daar zo liep, schoot het hem te binnen wat de aap tegen hem gezegd had. Hij ging naar hem op weg en trof hem aan. De aap zette hem vruchten voor die zo zoet waren als amrita (nectar) en verkwikte hem daarmee. Dan zei hij: "Kom maar altijd naar me toe als je vruchten nodig hebt." De brahmaan antwoordde: "Je hebt genoeg gedaan. Wijs me nu de weg naar de tijger." Toen nam de aap hem mee en wees hem de tijger. De tijger herkende hem en omdat hij de ander zijn weldaad vergelden wilde, gaf hij de ander een kunstig vervaardigde halsketting en andere sieraden en zei tegen hem: "Een koningszoon die mij op zijn paard moederziel alleen passeerde, viel in mijn klauwen. Toen heb ik hem gedood. Dat alles heeft aan hem toebehoord; ik heb het zorgvuldig voor je bewaard. Neem het mee en ga waarheen je wilt."

De brahmaan nam de sieraden aan, herinnerde zich de goudsmid en dacht: Hij zal me helpen en het voor mij verkopen. Met deze gedachte ging hij naar hem toe. De goudsmid ontving hem hoffelijk, bracht hem water om zijn voeten te wassen en eregeschenken, liet hem plaatsnemen, bood hem spijs en drank aan en wat je nog meer doet om gastvrij te zijn en zei tegen hem: "Beveel, heer! Wat kan ik voor u doen?" De brahmaan antwoordde: "Ik breng je gouden sieraden; die moet je voor me verkopen." De goudsmid zei: "Laat me ze eens zien." De brahmaan liet ze zien. Toen hij het goudsmeedwerk zag, dacht hij echter: Die heb ik zelf bewerkt, en nog wel voor de zoon van de koning! En terwijl hij dit in zijn hart overwoog zei hij: "Blijf een poosje hier; ik wil het aan iemand laten zien." Zo sprak hij, begaf zich naar het slot van de koning en liet ze aan deze zien. De koning zag ze en vroeg hem: "Hoe ben je daar aan gekomen?" De ander antwoordde: "In mijn huis bevindt zich een brahmaan; die heeft ze gebracht." Toen dacht de koning: Die schurk heeft beslist mijn zoon vermoord. Ik zal hem tonen wat daar het gevolg van is! En onmiddellijk beval hij zijn gerechtsdienaren: "Boei de verwerpelijke brahmaan en zodra de nacht voorbij is, spiets hem!"

Toen ze hem geboeid hadden, dacht hij aan de slang en nauwelijks had hij aan haar gedacht of daar was ze al bij hem en zei: "Waarmee kan ik je helpen?" De brahmaan vroeg: "Bevrijd mij van mijn boeien!" De slang zei: "Ik zal de lievelingsvrouw van de koning bijten en zal haar niet van het gif verlossen, al zou ook de machtigste bezweerder zijn toverwoorden over haar uitspreken en andere dokters haar met tegengif behandelen. Maar als jij haar met je hand aanraakt, zal het gif haar verlaten. Dan zul je van je boeien bevrijd worden." En de slang hield haar belofte en beet de koningin. Toen brak men in het paleis uit in luide jammerklachten en in de hele stad heerste grote ontsteltenis. Alle gifdokters en geleerden die over toverspreuken en geheimen beschikten, en dokters, zelfs uit vreemde landen, werden bijeengeroepen en allen behandelden de koningin zo goed ze konden. Maar geen van hen slaagde erin haar door zijn behandeling van het gif te verlossen. Toen liet de koning met de trommel door de stad gaan. Toen de brahmaan dat hoorde, zei hij: "Ik zal de koningin van het gif bevrijden." Hij was nog niet uitgesproken of hij werd van zijn boeien bevrijd, naar het slot gebracht en voor de koning geleid. Daarop zei de vorst: "Verlos de koningin van het gif!" En de brahmaan ging naar haar toe en raakte haar slechts met zijn hand aan; meteen was ze van het gif verlost.

Toen de koning zag dat zijn gemalin tot nieuw leven gewekt was, prees hij de brahmaan, behandelde hem met grote hoogachting en zei eerbiedig tegen hem: "Zeg me naar waarheid hoe u in het bezit van deze gouden sieraden gekomen bent!" Toen vertelde de brahmaan van het begin tot het eind zijn ervaringen. De koning hoorde dus de juiste toedracht, bestrafte de goudsmid, beleende de brahmaan met duizend dorpen en stelde hem aan als zijn kanselier. Daarna liet de brahmaan zijn hele familie naar zich toe komen en verzamelde zijn vrienden en verwanten om zich heen. Met hen verenigd zijnde verkwikte hij zich naar hartelust met spijzen en andere genietingen, verzamelde door het brengen van vele offers een rijke schat aan goede werken en leefde in het genot van de heerschappij, omdat de regering van het hele land in zijn handen lag.


*   *   *

De dankbare dieren en de ondankbare mens Samenvatting
Een Indiaas volksverhaal over een behulpzame brahmaan. Een arme brahmaan gaat op weg om voedsel te verdienen. Onderweg komt hij bij een regenput waarin een tijger, een aap, een slang en een mens vastzitten. Hij redt ze één voor één en allen beloven ze hem te helpen als dat nodig is. De dieren komen hun belofte na, maar de mens blijkt uiteindelijk ondankbaar te zijn. Lees het verhaal

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Indische sprookjes" bijeengebracht door Johannes Hertel. Keuze en vertaling: Ef Leonard. Oorspronkelijke titel: Indische Märchen, © 1953. A.W. Bruna & Zoon, Utrecht/Antwerpen, 1977. ISBN: 90-229-3315-6

Herkomst: India
Verteltijd: ca. 13 min.
Leeftijd: vanaf 12 jaar

Lees ook