Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 29 min.
Herkomst:




De dankbare vos Een Japans sprookje over een behulpzame vos

Eens leefden er in een dorp een grootvader en een grootmoeder. Grootvader werkte nog dagelijks op het land, sprokkelde nu en dan wat hout in het bos en was een eerlijke, warmvoelende man die geen vlieg kwaad zou doen. Maar de grootmoeder hoefde meestal niet lang te zoeken naar een scherp woord. Zij was echter vlijtig en hield de kleine huishouding uitstekend in orde! Eigenlijk hadden deze oudjes hun hele leven gewerkt, van zonsopgang tot zonsondergang. En toch waren zij niet rijk geworden. En ze werden ouder en ouder en hadden niets kunnen sparen voor de oude dag.

"Nu gaat het nog wel," zei de grootvader wel eens, als hij, gebukt onder een zware vracht hout, naar huis ging. "Gelukkig kan ik nog hout sprokkelen en het op de markt verkopen. Maar als het niet meer lukt? Wie zorgt er dan voor ons?"

De grootmoeder schudde zorgelijk haar hoofd. "Je hebt groot gelijk. Dit is geen leven voor ons! Nooit hebben we een ogenblik rust en spaarcentjes zijn er ook al niet."

Iedere keer als de grootvader hout naar de markt bracht, hoopten ze vurig dat er wat geld zou overblijven. Maar dat gebeurde nooit. Het zout raakte op of de pacht moest weer betaald worden... Soms moesten ze zelfs geld lenen en dan duurde het weer een hele tijd voor dat terugbetaald was.

Op een dag kwam de grootvader terug van de markt. Nu had hij toch werkelijk geluk gehad! Hij had zijn schulden betaald en zelfs nog wat kopergeld overgehouden. Wat zal mijn oudje blij zijn, dacht hij vergenoegd. Wij stoppen het in een doosje en dat zal het begin zijn van ons spaargeld voor de oude dag.

Opgewekt stapte hij voort. Plotseling zag hij op een droge rivierbedding een troep jongens opgewonden rondspringen, terwijl er een hevig gejank doorheen klonk. Zij bleken een vos gevangen te hebben en waren die nu gemeen aan het plagen. De één trok hem wild aan zijn staart, een ander prikte hem met een lange naald... en de hele troep maakte zich vrolijk om het arme dier en schreeuwde: "Ha ha, jij ouwe slimmerd! Nu ben je toch in de val gelopen. Als je heus zo pienter bent als de mensen altijd beweren, ontsnap dan eens!"

De grootvader had medelijden met de vos.

"Dat jullie je niet schaamt!" riep hij zo hard mogelijk naar de jongens. "Een arm dier zo te plagen! Vooruit, laat hem los."

Maar de jongens lachten hem uit. "Steek je neus niet in andermans zaken, ouwe! Wij hebben die vos gevangen, dus hij is van ons. En wij kunnen met hem doen wat we willen. Als je hem zo graag helpen wilt, koop hem dan maar. Je kunt hem goedkoop krijgen!"

De grootvader stond in hevige tweestrijd. Het beest jammerde verschrikkelijk. Hij kon tegen die hele troep niet op. Maar dat allereerste beetje spaargeld afgeven...? Doch toen het dier nog zieliger begon te janken, trok hij resoluut zijn beurs tevoorschijn, schudde alle muntjes eruit en gaf ze aan de jongens. Ik kan immers nog werken, hield hij zichzelf voor. Het is altijd nog terug te verdienen.

De jongens gristen het geld uit zijn handen en binnen drie tellen stond hij alleen met de vos op de verlaten rivierbedding. Hij bevrijdde hem vlug uit de val, maar het arme dier was zo zwak, dat het zich niet verroeren kon. Daarom nam de grootvader hem maar op zijn arm en droeg hem het bos in. Daar liet hij hem vrij en zei vermanend: "Vosje, vosje, blijf toch hier in het bos en ga niet naar het dorp. Je hebt vandaag gezien hoe het je dan vergaat! De mensen horen in het dorp, maar jij in het bos."

De vos keek hem dankbaar aan en kroop in zijn hol.

Toen de grootvader met lege handen thuiskwam, liet zijn vrouw dadelijk een menigte scheldwoorden op hem los. Hij leek wel dwaas om zijn geld zo lichtzinnig weg te geven! Maar mettertijd vergat zij de hele geschiedenis weer.

Op een dag verscheen er plotseling een vos op het erf van de oudjes. De grootmoeder schrok en op hetzelfde ogenblik dacht zij ook weer aan het geld. Zij begon luid te klagen: "Het is blijkbaar nog niet genoeg dat wij door een vos onze laatste muntjes zijn kwijtgeraakt, om nog niet te spreken over alle angst die ik heb uitgestaan toen mijn oude zo lang wegbleef! Maar nu lopen de vossen zo ons huis binnen. Mars, eruit!!"

En zij wilde een stok grijpen om de vos weg te jagen.

Maar deze bekommerde zich niet om haar boosheid. Toen de grootvader het erf op kwam om te zien wat er aan de hand was, zei het dier: "Grootvadertje, ik zal nooit vergeten hoe U mijn leven gered hebt. En ik zou alles willen doen om U te belonen! Het heeft erg lang geduurd voordat mijn wonden genezen waren, daarom ben ik er nu pas. Zeg toch waarmee ik U helpen kan."

De grootvader bromde goedhartig: "Ach beest, dat is toch niet de moeite waard. Ga liever gauw terug naar het bos, voordat de jongens je weer vangen. Ditmaal zou ik je niet kunnen helpen, want er is geen enkel kopermuntje meer in huis. Toe, schiet op!"

Maar de vos antwoordde: "Als U dan geen enkele wens hebt, dan zal ik U vertellen wat ik allemaal gedacht heb, toen ik zo lang in mijn hol moest blijven liggen. In het klooster, niet ver van hier, woont een monnik die een voorliefde heeft voor mooi, oud huisraad. Hij is altijd op zoek en loopt zijn voeten stuk om een oude ketel of een theekannetje te vinden. Nu zal ik mij in een mooie theeketel veranderen. Als U die naar hem toe brengt, zal hij U zeker goed betalen. En U hoeft op Uw oude dag tenminste niet meer te werken!"

De grootvader verzekerde hem dat hij werkelijk niets nodig had, maar de vos had zijn lange staart al om zijn poten geslagen, z'n kop boog diep naar de grond, snel draaide hij driemaal in de rondte... en daar stond een prachtige, oude bronzen ketel!

Het deksel had de vorm van een vossenkop en in de tuit konden de oudjes gemakkelijk de langgerekte vossensnuit herkennen. Zij waren sprakeloos van verbazing. De grootmoeder herstelde zich het eerst. Zij tilde de theeketel van de grond, klopte er eens tegen en ja, de klank was van zuiver brons! Natuurlijk zou de monnik er veel geld voor over hebben! In gedachten had de oude grootmoeder het al tussen haar vingers en meteen begon zij haar man op te jagen: "Vooruit, ga vlug naar de monnik toe! Die vos had groot gelijk. Jij hebt je laatste muntjes voor hem uitgegeven en nu krijgen wij tenminste nog wat terug. Wat moeten wij trouwens met zo'n mooie ketel doen? Die hóórt hier gewoon niet. Dat beest zal toch wel eerlijk zijn en zich niet plotseling weer in een vos veranderen?"

Tenslotte nam de grootvader de mooie theeketel op. Maar nog aarzelde hij.

"Wat moet ik tegen de monnik zeggen, als hij mij vraagt hoe ik aan zo'n prachtige ketel kom? Iedereen weet toch hoe arm wij zijn!"

Maar ogenblikkelijk stelde zijn vrouw hem gerust. Hij kon immers zeggen dat hij de ketel jaren geleden had gevonden en steeds maar gewacht had tot de eigenaar zich zou melden? Maar omdat niemand erom gekomen was, wilde hij hem nu verkopen. "De monnik begrijpt best dat wij zoiets niet gebruiken," eindigde zij buiten adem.

De grootvader, die niet hield van die harde, kijvende stem, ging tenslotte toch naar het klooster, waar de monnik woonde. Hij zocht hem op in zijn kleine hut en wikkelde de ketel uit het zijdepapier.

Nauwelijks wierp de monnik een blik op de theeketel of hij riep verrukt uit: "Zoiets prachtigs heb ik in mijn hele leven nog niet gezien en ik heb er toch heel wat in handen gehad! En die klank! Het zuiverste brons! Het is werkelijk iets zeldzaams. Hoe bent U daar toch aan gekomen?"

En de grootvader deed het hele verhaal, zoals zijn vrouw hem bevolen had. De monnik toonde zich zeer verheugd dat de oude besloten had hem nu te verkopen. En hij bood hem zeven goudstukken.

Vrolijk ging de oude naar huis. Nooit had hij zoveel geld bezeten en een goudstuk had hij zelfs nooit gezien. Nu hoeven we niet meer bezorgd te zijn, wat er ook nog gebeurt, mompelde hij tevreden.

Nadat de grootvader was vertrokken, riep de monnik zijn leerlingen bij zich en stuurde hen naar de rivier om de ketel schoon te maken. "Ik ben zó benieuwd, hoe de thee uit zo'n prachtige ketel smaakt!"

De leerlingen gingen ijlings naar de rivier en begonnen daar met handen vol zand de ketel zo stevig te schuren, dat zij er rode oren van kregen. Maar wat was dat? Uit de ketel klonk een pijnlijk gekreun. Geschrokken spoelden de leerlingen hem met schoon water na en begonnen hem op te wrijven. Hij moest immers een stralende glans krijgen! Maar nu leek het hun of de ketel giechelde: "O, o, o, wat kietelt dat!" Vlug vulden zij hem met water en renden angstig naar huis.

"Er is iets niet pluis met die ketel," vertelden zij aan de monnik. "Toen we hem met zand schoonmaakten, kreunde hij van de pijn en als we hem glanzend wreven, begon hij te giechelen!"

"Kom, kom, dat is niet zo vreemd," stelde de monnik hen gerust. "Uit zulke bijzondere theeketels komen, bij het schoonmaken, de vreemdste klanken. En dit is de zeldzaamste theeketel die ik in mijn hele leven gezien heb."

Toen liet hij leerlingen wat houtskool halen en zodra die gloeide, hing hij de wonderbare ketel erboven. Maar ziet, nog voordat het water kookte, begon de ketel zich heel vreemd te gedragen. Hij danste boven het vuur als bezeten heen en weer, sprong omhoog, begon plotseling te gillen... En ineens veranderde hij zich in een vos en rende weg, zo vlug als zijn verbrande poten dat toelieten.

Ogenblikkelijk liet de monnik de grootvader ontbieden en verlangde zijn goudstukken terug.

De oude man putte zich uit in verontschuldigingen. Die theeketel was zeker betoverd! Maar de monnik stond op zijn stuk. Die ketel kon dan wel betoverd zijn, maar zijn geld was écht en dat wilde hij terug!"

Onderweg liep de grootvader flink te mopperen, zowel op de vos als op zijn vrouw. Nu had hij tweemaal voor niets de lange weg naar het dorp moeten afleggen en dan nog de schande!

Na een paar dagen verscheen opeens weer de vos bij de oudjes. Zijn wonden waren genezen en hij kwam zijn spijt betuigen, omdat zij met de ketel zoveel narigheid ondervonden hadden. "Dat vuur was zo verschrikkelijk heet, dat ik het niet meer kon uithouden! Trouwens, toen ze mij met zand gingen schuren, dacht ik al dat mijn laatste uur geslagen had. En daarna dat vreemde gekietel! Nee, nee, dat idee van mij was niet best. Maar nu ik met m'n gewonde poten zo stil in mijn hol moest blijven liggen, verzon ik een beter plan. Ik zal mij in een sterk paard veranderen en dan kunt U mij in de stad verkopen. Het is wel een lange tocht voor U maar in de stad zijn veel rijke kooplieden die voor het vervoer van hun goederen sterke paarden nodig hebben. En let op, voor mij krijgt U zoveel geld dat U Uw hele oude dag geen zorg meer zult hebben. En daarbij is een paard gelukkig een dier, net als ik. Niemand zal het met zand schuren of boven een vuur hangen!"

Nog voordat de grootvader hier iets tegenin kon brengen, sloeg de vos zijn staart rond zijn poten, zijn kop boog tot op de grond, driemaal draaide hij in de rondte... en daar stond een mooie, bruine hengst! Hij hield de kop fier omhoog, zijn manen vielen als een gouden sluier over het glanzende vel en z'n hoeven trappelden ongeduldig.

De grootvader had, na zijn ervaring met de theeketel, niet veel zin zijn geluk opnieuw te beproeven. Maar de oude vrouw begon weer te kijven: "Luister toch naar de vos! Die zegt dat je het paard naar de markt, in de stad, moet brengen. Voor zo'n prachtig dier krijg je immers een massa geld en wat moeten wij er hier mee beginnen? Of wil je gaan paardrijden in het bos? En waarvan denk je dat wij moeten leven, nu de monnik zijn goudstukken terug wilde hebben? Verkoop het paard zo vlug mogelijk!"

Ach, wat kon grootvader anders doen? Zijn oudje had hem immers toch niet met rust gelaten? Hij greep zijn sandalen, nam het paard bij de teugels en liep ermee naar de stad. Hij had veel bekijks onderweg. De een had een opmerking over de fiere houding van het paard, een ander bewonderde de gouden manen en dan weer prees men het glanzende vel. En allen waren het er over eens: wie dat paard kocht, was een geluksvogel!

In de stad aangekomen ging de grootvader regelrecht naar de markt. En nauwelijks had hij daar een plaatsje gevonden, of de rijkste koopman van de stad kwam voorbij. Hij bekeek het paard, knikte goedkeurend en daar hij bang was dat een ander hem vóór zou zijn, bood hij veertien goudstukken.

"Je komt net op tijd," zei hij tot de grootvader. "Morgen stuur ik veel goederen naar de markt en dan kan ik er best een sterk paard bij gebruiken. Aarzel maar niet en pak aan! Zoveel geeft niemand ervoor."

De grootvader stak de veertien goudstukken in zijn zak en ging tevreden naar huis.

Maar hoe verging het de arme vos? Thuisgekomen liet de koopman zijn knechten het dier naar de stal brengen. Zij gaven het helder water en een bak vol geurige haver. Toen kwam er een paardenjongen, die hem borstelde dat het een lust was! En de vos dacht: dat is een goed idee!

Maar de volgende ochtend werden de paarden buiten de stal gebracht en laadden de knechten zware balen met zout en thee op de brede ruggen.

De koopman stond op zijn voorgalerij en riep: "Dat nieuwe paard kan heel wat hebben. Het is duur, maar ook ontzettend sterk. Geef het maar een dubbele last!"

De arme vos zakte bijna in elkaar. Hij was tenslotte maar een klein dier. Hoe zou hij zo sterk kunnen zijn als een hengst? Maar hij had zich nu eenmaal voorgenomen de oude grootvader een dienst te bewijzen en daarom zette hij zijn tanden op elkaar en mompelde alle toverwoorden die hij kende, om niet door de knieën te gaan.

Toen alle dieren opgeladen waren, kwam de karavaan in beweging. De vos kwam heel langzaam vooruit, stond nu en dan stil en viel tenslotte, totaal uitgeput, op de grond.

"Dat is een gekke geschiedenis," zeiden de drijvers, "dat beest zag er zo sterk uit en het kan niet eens een last dragen! Wat zullen we nu doen? Tegen de middag moéten wij op de markt zijn."

Het was een moeilijk geval. Maar daar het paard er uit zag of het ieder ogenblik kon sterven, verdeelden ze zijn balen over de andere dieren en lieten hem, aan de kant van de weg, achter.

Een tijdje later, toen de vos in staat was zich weer in zijn eigen gestalte te veranderen, sloop hij stil naar zijn hol. Maar de oude grootvader bleef steeds in zijn gedachten en op een ochtend ging hij naar hem toe. De oudjes haalden hem vrolijk binnen, want het was hen nog nooit zo goed gegaan als sinds de grootvader het paard naar de markt gebracht had! Op hun vraag hoe de vos het maakte, vertelde hij hun het hele verhaal. "Maar," vervolgde hij, "U hebt mijn leven gered, daarom wil ik toch nog iets voor U doen. Want als paard heb ik het wéér niet volgehouden! Ik, zwakke vos, heb nu eenmaal niet zoveel kracht als een paard. Maar een klein, zwak dier kan wel dankbaar zijn. Kijk eens naar m'n nieuwe plan..."

En hij slingerde zijn staart om zijn poten, boog zijn kop naar de grond, draaide driemaal snel in de rondte... en op hetzelfde ogenblik stond er, voor de verbaasde oudjes, een aardig jong meisje, met stralende ogen in het bleke gezichtje en glanzend zwarte haren. En het was of zij het gesprek van de vos voortzette: "Ik zal Uw kleindochter zijn en ervoor zorgen dat het U op Uw oude dag aan niets zal ontbreken. Grootvadertje, ga naar de stad en koop voor het geld dat het paard U heeft opgebracht drie zijden kimono's. Eén witte en een perzikkleurige, beschilderd met mooie waaiers en dan ook nog een violette, met witte chrysanten erop geborduurd. Dan moet U nog een brokaten ceintuur, lange haarpennen en wat schmink voor mij meebrengen. U zult eens zien, als ik die kimono's aan heb en mij verleidelijk heb opgemaakt! Ik ga naar de stad, vertel overal dat ik Uw kleindochter ben, ik kan goed dansen en zingen..."

Het was voor de grootvader allemaal zo verwarrend, dat hij geen woord kon uitbrengen. Maar zijn oudje hoefde, zoals gewoonlijk, niét naar woorden te zoeken. Zij trok haar man ongeduldig uit zijn stoel en riep: "Ga toch dadelijk naar de stad en koop alles wat zij gevraagd heeft. Zo'n aardig meisje moet zich toch mooi kunnen maken! Maar laat je vooral goed inlichten, want jij hebt geen verstand van die dingen."

Aarzelend rees de oude man overeind: "Lieve vos, je hebt al zoveel voor ons gedaan, ga toch rustig terug naar het bos en uitslapen in je hol."

Maar natuurlijk bezweek hij tenslotte toch voor de argumenten van de vos en het gekijf van de grootmoeder en hij vertrok naar de stad.

Het duurde niet lang of de gaven en de lieftalligheid van hun kleindochter waren overal bekend. Van heinde en ver kwamen de mensen naar haar dansen kijken en haar romantische liederen trachtte iedereen na te zingen. Het meisje werd door de rijkste families uitgenodigd, om tijdens hun feesten op te treden en zo was het de vos dus eindelijk gelukt de oude grootvader een dienst te bewijzen, zonder dat hij daarbij zijn eigen leven op het spel zette. Het beviel hem best in de stad. Hij verkeerde nu altijd tussen de mensen en o, de avonturen die hij beleefde! Dat was nog iets anders dan die eeuwige rust onder de bomen in het bos. En onvermoeid bleef hij zingen en dansen en ieder verdiend muntje werd opzij gelegd.

Maar op de duur gingen het lawaai en de drukte in de grote stad hem toch te veel worden. En toen voelde hij een heimwee naar de stilte in het woud, alleen verbroken door het geluid van de vogels en de andere dieren. En op een dag nam hij afscheid van de vele vrienden, pakte zijn bezittingen in, telde het spaargeld en keerde terug naar de oudjes in het dorp.

Overgelukkig bekeken die het lekkers en de prachtige geschenken, die de vos voor hen had meegebracht. En met het verdiende geld waren zij nu zéker uit de zorgen. Maar vergeefs vroegen zij hem voortaan bij hen te blijven wonen.

"Ik vind het fijn dat jullie het mij vragen, lieve oudjes," antwoordde de vos, "maar ik heb nu wel genoeg van de mensen. Ik kan toch zo verlangen naar de stilte rond mijn vossenhol!" En hij vertrok.

Maar als hij, onverwacht, naar menselijk gezelschap verlangde, ging hij op bezoek bij zijn oudjes. En dan zaten zij 's avonds, in de schemerige tuin, elkaar te vertellen over alles wat er gebeurd was nadat de oude grootvader de vos gered had. En toen de vos stierf (vossen leven veel korter dan mensen) zetten de oudjes een mooi, klein gedenkteken in het bos. Zo kan, tot op de huidige dag, iedereen zien waar de dankbare vos geleefd heeft!


*   *   *

De dankbare vos Samenvatting
Een Japans sprookje over een behulpzame vos. Een man redt een vos van een groepje jongens. De vos is de man dankbaar en helpt hem en zijn vrouw uit hun armoedige bestaan. Lees het verhaal

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Japanse sprookjes" bewerkt door Marijke van Raephorst. Uitgeverij N. Kluwer, Deventer, 1971.

Herkomst: Japan
Verteltijd: ca. 29 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook