Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 55 min.
Herkomst:




De dappere daden van de held Dsambolat Een Georgisch sprookje over de mooiste prinses van de wereld

I. DE DRIE JAGERS

In het Kaukasus-gebergte lag, ver van de rest van de wereld, een dorpje waar drie broers woonden. De oudste heette Bimbolat, de middelste heette Kaspolat, de jongste heette Dsambolat. Elk van de drie broers had een bijzondere gave. Bimbolat had heel scherpe ogen. Kaspolat kon heel hard lopen. Dsambolat was voor niets of niemand bang.

Alle drie waren ze jagers. De ene dag gingen ze op jacht in het Zwarte Gebergte, de andere dag in het Grauwe Gebergte, en soms ook in het Witte Gebergte. En iedere dag brachten ze een flinke buit mee terug, een hert of een gems, soms een beer of wild zwijn of een vos. Betere jagers dan de drie broers bestonden er niet op de hele wereld.

Zo leefden de drie broers daar tussen de bergen, bevriend met de wolken die langs de bergtoppen streken en de grote adelaars die vanuit de diepe blauwe lucht op de wereld neerkeken.

De jaren kwamen en de jaren gingen.

Bimbolat, de oudste broer, trouwde. Een paar jaar gingen de broers daarna nog samen op jacht. Maar toen kwam de dag dat Bimbolat zei: "Ik ben nu te oud geworden om met jullie op jacht te gaan. Mijn ogen zijn niet meer zo scherp als vroeger. Ik blijf bij mijn vrouw voortaan."

"Doe wat je het beste lijkt," zeiden de twee jongere broers.

"Blijf in de buurt van je huis, werk op het land en maak je niet bezorgd over je deel van de buit. Van alles wat we meebrengen van de jacht krijg jij een derde deel."

Weer ging een aantal jaren voorbij. Toen trouwde de middelste broer, Kaspolat. Een paar jaar ging hij nog met Dsambolat op jacht. Maar toen kwam de dag dat Kaspolat zei: "Ik ben nu te oud om op jacht te gaan. Ik voel dat mijn benen niet meer willen als vroeger. Ik blijf thuis voortaan."

Dsambolat antwoordde: "Doe wat je het beste lijkt, Kaspolat. Blijf thuis en werk op het land. Maak je niet bezorgd over je deel van de jachtbuit. Van alles wat ik meebreng van de jacht is een derde voor jou."

Vanaf die tijd ging Dsambolat alleen op jacht. Iedere dag bracht hij zijn broers hun deel van de buit. De mensen zeiden: "Van de drie broers is Dsambolat de beste jager. Een betere jager dan hij is er niet op heel de wereld."

Toen de twee broers hoorden hoe de mensen hun jongere broer prezen, groeide in hun harten een grote afgunst.

Kaspolat zei tegen Bimbolat: "Is het onze schuld dat we te oud zijn geworden om nog op jacht te gaan?"

Bimbolat zei tegen Kaspolat: "Dsambolat mag dan onze broer zijn, maar het is onrechtvaardig dat hij nu door iedereen geprezen wordt en over ons wordt door iedereen gezwegen. Het zou voor iedereen het beste zijn als Dsimbolat een vrouw vond en trouwde. Dan zou hij verder ook thuis kunnen blijven. We zullen wel een vrouw voor hem zoeken."

En de twee broers gingen op zoek naar een vrouw voor de jongste, die daar helemaal niet om gevraagd had en die er ook helemaal niet van gediend was. Dsambolat zei tegen hen: "Heb ik jullie gevraagd om uit te zien naar een vrouw voor mij? Dat kan ik zelf wel! Ik zal trouwen met het mooiste meisje van de hele wereld, een meisje zo rank als een cipres, met ogen zo donker als de nacht en schitterend als de sterren, met haar dat glanst als goud en golft als een bergbeekje." De twee oudere broers wisten niet wat ze daarop zeggen moesten. Zwijgend aten de drie broers hun maaltijd en zwijgend gingen ze uiteen.

II. DSAMBOLAT EN HET GEWONDE HERT

De volgende dag trok Dsambolat de Zwarte Bergen in om te jagen. Van zonsopgang tot laat in de middag trok hij over de woeste bergflanken zonder een enkel dier te kunnen ontdekken. De zon was al bezig te verdwijnen, toen Dsambolat eindelijk op een rotsblok een hert zag staan, een hert zonder gewei. Bliksemsnel trok hij uit zijn pijlenkoker een pijl, hij spande zijn boog, mikte en schoot. Daarna klom hij naar het rotsblok waar het hert had gestaan. Hij zag dat het hert spoorloos verdwenen was.

Het stemde Dsambolat verdrietig dat hij het hert niet had weten te raken. Waren mijn broers bij mij geweest, zo dacht hij, dan zou het hert niet zijn ontkomen. Dan ontdekte hij dat er op het rotsblok verse bloeddruppels lagen. Dat betekende dat Dsambolat het hert tóch had geraakt. Het ging er nu om te ontdekken waarheen het gewonde dier was gevlucht.

Dsambolat zwierf over de smalle bergpaden in alle richtingen. Hoe hij ook zocht, hij vond het gewonde hert niet. Treurig gestemd besloot hij terug te keren naar zijn broers - met lege handen.

Die avond wilde hij zelfs niet eten. Hij ging bij het vuur liggen en sliep in. In zijn slaap hoorde hij dichtbij zijn oor een stem zeggen:
"Waar de morgenzon het eerst de aarde heeft beschenen,
daarheen is het gewonde hert verdwenen."
Dsambolat ontwaakte, sprong overeind, wreef zich de ogen uit en luisterde scherp. Hij hoorde alleen de nachtelijke stilte. De stem die hij in zijn slaap had gehoord, zweeg als hij wakker was. Zodat Dsambolat besloot dat het allemaal een droom was geweest. Hij ging liggen en was spoedig weer in diepe slaap.

Vlak voor de eerste ochtendschemer de duisternis verdreef, hoorde de slapende Dsambolat opnieuw de stem, die zei:
"Waar de morgenzon het eerst de aarde heeft beschenen,
daarheen is het gewonde hert verdwenen."
Nu sprong Dsambolat op, hij verliet het huis en liep zo snel hij kon over een smal bergpad naar een hoge bergtop. Vandaar had hij het uitzicht op de bergen in het oosten. Hij zag dat de eerste straal van de morgenzon een donkere rotsspleet verlichtte, een rotsspleet in het midden van een steile bergwand.

Nog diezelfde morgen ging Dsambolat goed bewapend op weg naar de bergwand. Toen hij er na een paar uren van klimmen en lopen aankwam, zag hij dat de bergwand zo steil was als een muur en zo glad als marmer; halverwege de top was de donkere rotsspleet.

"Hoe kan ik daar ooit komen?" vroeg Dsambolat zich af. "Ik zou vleugels moeten hebben als een adelaar óf scherpe nagels als een wilde kat." Nauwelijks had hij dat gedacht of zijn vingers veranderden in klauwen, klauwen zoals een wilde kat heeft.

Dsambolat sloeg zijn scherpe nagels in de bergwand en klauterde als een wilde kat omhoog. Hij bereikte de donkere spelonk. Hij ging er naar binnen en wat vond hij er? Midden in de spelonk was een stenen verhoging en daarop lag een dode man, die met zijn hand een stuk perkament vast omsloten hield.

Verbaasd keek Dsambolat naar de dode man en tegelijk dacht hij: "Maar waar is het hert?" Hij liep op de dode man toe, nam het stuk perkament uit zijn hand en las wat erop geschreven stond:

"Als je de dapperste van alle jagers bent, trek er dan op uit om de reus Een-Oog te doden. Hij leeft in het Witte Gebergte en is de vijand van alle mensen. Ik heb mijn ouders en mijn broers en zusters, ja mijn eigen leven verloren door de wreedheid van de reus Een-Oog. Ikzelf kan geen wraak meer nemen. Jij wel! Als het je lukt om de reus Een-Oog te overwinnen, zul je de rest van je leven een gelukkig mens zijn en je zult het mooiste meisje van de wereld als bruid krijgen. Maar als je mijn dood niet wreekt, zullen schade en schande je deel zijn en je zult nooit met een ander mens geluk vinden."

Dsambolat stak het stuk perkament bij zich. Voor hij de spelonk verliet sprak hij plechtig: "Ik zal deze ongelukkige wreken! Ik zal niet rusten voor ik de reus Een-Oog heb overwonnen!"

III. DE GOUDEN RING VAN DE GROTE BERGBEWONER

Dsambolat verliet de spelonk en klauterde omlaag langs de gladde muur, zich vasthoudend met zijn katachtig scherpe klauwen. Zodra zijn voeten de grond raakten, werden de klauwen weer mensenhanden. Dsambolat trok naar het Witte Gebergte om er de reus Een-Oog te zoeken. Hij zwierf door diepe dalen en rotskloven, langs steile berghellingen en over kronkelende bergpaden. De nacht kwam en nog steeds trok Dsambolat verder. Hij was niet bang voor de diepe duisternis, die als een zwarte mantel over de aarde lag. Hij kende de weg in het gebergte als geen ander.

De hele nacht liep Dsambolat verder. De dag brak aan. Dsambolat zag tussen de omtrekken van bergen en bomen, opdoemend uit de grijze schemer, een menselijke gestalte. Het was een bergbewoner die hij daar aantrof; een bergbewoner die met een lange zilveren ketting aan de rotsgrond was vastgeketend. Het ene uiteinde zat vast aan een zilveren band die om zijn enkel was gesmeed, het andere uiteinde zat onwrikbaar in de granieten bodem.

De bergbewoner zag Dsambolat naderen en sprak: "Eindelijk zie ik weer een ander mens, na zoveel jaren van eenzaamheid die ik doorbracht als een geketende. Waarheen ben je onderweg, dappere jager?"

Dsambolat antwoordde: "Ik ben op weg naar het hol van de reus Een-Oog, dat in het Witte Gebergte ligt. Ik ben op weg om wraak te nemen op de reus Een-Oog, want hij heeft een onschuldig mens gedood."

"Je hebt een geweldig moeilijke taak op je genomen," zei nu de bergbewoner. "Luister eerst naar mijn geschiedenis. Heel lang geleden is het al, dat ik hier in de bergen woonde met mijn lieve en flinke vrouw. We hadden samen een gelukkig leven. Tot op een dag de reus Een-Oog, die in het Witte Gebergte leeft, ons overviel, mij vastlegde aan deze ketting en mijn vrouw ontvoerde naar zijn hol. Ik geloof niet dat het mogelijk is de reus Een-Oog te overwinnen. Je zult zeker omkomen!"

Dsambolat dacht over deze woorden ernstig na, voor hij zei: "Het is beter te sterven dan mijn gelofte te breken. Ik zal verder gaan naar het hol van de reus Een-Oog."

"Doe het niet. Keer terug naar je dorp!"

"Nee, ik wil mijn gelofte niet breken. Ik zal gaan naar het hol van de reus en als het moet zal ik omkomen!"

De bergbewoner was verbaasd over zoveel dapperheid. Hij schudde zijn hoofd en zei: "Doe wat je zelf het beste lijkt. Mijn raad wil je niet aannemen. Neem dan deze gouden ring van mij aan en steek hem aan je wijsvinger. Deze ring weet de weg naar het hol van de reus Een-Oog. Als je er bent en je ziet de reus in levende lijve, draai dan deze ring drie maal rond en spreek een wens uit. Wat je wenst zal dan in vervulling gaan. Ik geef je de ring op één voorwaarde: je moet hem laten zien aan mijn vrouw die door de reus gevangen wordt gehouden. Zij zal je, als ze de ring ziet, zeggen wat je verder doen moet."

Dsambolat nam de ring van de bergbewoner aan en stak hem aan zijn ringvinger. Daarop namen de twee mannen afscheid van elkaar.

Dsambolat trok alleen verder in de richting van het Witte Gebergte. Nu hij de ring van de bergbewoner droeg, was het alsof de witte bergtoppen hem onweerstaanbaar aantrokken, zoals ijzer wordt aangetrokken door een magneet.

IV. DE STRIJD MET DE REUS EEN-OOG

De gouden ring was voor Dsambolat als een kompas. Als hij even twijfelde welke van de vele bergpaden hij zou inslaan, trok de ring hem uit zichzelf de goede kant op. Zo trok Dsambolat voort. Of beter gezegd: zo trok de ring hem voort.

Tegen de middag kwam Dsambolat aan in het gebied van de reus Een-Oog. Hij rustte uit op een hoogte en verkende de omgeving met zijn ogen. Aan alle kanten zag hij spitse en door sneeuw bedekte bergtoppen. "Zou de reus Een-Oog nog ver zijn?" vroeg Dsambolat zich af. Het antwoord werd gegeven door het verschijnen van de reus Een-Oog in eigen persoon.

Van achter een bergtop kwam de wrede en ijzersterke reus te voorschijn. Hij sleepte dikke bomen achter zich aan alsof het dunne twijgjes waren. Midden op zijn voorhoofd stond het bloeddoorlopen oog waarmee hij dreigend de wereld om zich heen bekeek. Hij droeg een pelsmuts, die zo groot was dat drie paarden onder dat hoedje gevangen hadden kunnen worden. Uit de borstzak van zijn reuzen jak staken berkenbomen hun kruinen naar buiten. Met de slippen van zijn jas zou een heel dorp toegedekt kunnen worden.

Dsambolat begreep, zodra hij de reus zag, dat hij hem op zijn eentje niet de baas zou kunnen. Hij draaide drie maal de gouden ring om zijn vinger en zei hardop: "Ik wens dat mijn twee broers hier zijn."

Hij was nog niet uitgesproken en de echo van de bergen was nog bezig zijn woorden te herhalen, toen ze al naast hem opdoken: Bimbolat en Kaspolat! Ze vroegen dadelijk allebei tegelijk: "Waarom heb je ons geroepen? Heb je soms onze hulp nodig? Kun je de jacht niet meer alleen tot een goed einde brengen?"

Dsambolat antwoordde: "Deze keer, beste broers, gaat het er niet om op dieren te jagen. Deze keer moeten we het opnemen tegen een geweldige reus! Tegen de reus die daar springend over de bergen komt!"

Nu zagen de twee broers, die even tijd nodig hadden gehad om aan hun nieuwe omgeving te wennen, de verschrikkelijke reus van de bergen afdalen; links en rechts dikke bomen ontwortelend en als takjes naast zich neer smijtend, wat gepaard ging met groot geraas en gedreun.

Bimbolat schudde beslist zijn hoofd en Kaspolat deed hetzelfde. "Hoe kom je erbij, Dsambolat, dat wij in staat zouden zijn met ons drieën die geweldenaar onschadelijk te maken!? Nee, we willen hem niet uitdagen en we verbieden jou als oudere broers om hem kwaad te maken of lastig te vallen!"

De dappere Dsambolat antwoordde: "Als jullie mijn broers zijn, dan helpen jullie me. Als jullie je niet langer mijn broers wilt noemen, dan gaan jullie terug naar huis. Dan zal ik het wel helemaal alleen opnemen tegen Een-Oog!"

Die woorden joegen de oudere broers het schaamrood naar de wangen. Ze zeiden: "Wat jij durft, Dsambolat, durven wij ook! Kom, we gaan op de reus jagen!"

Dsambolat was blij dat zijn broers hem niet in de steek lieten. Ze begonnen met de reus te volgen. De reus had hen nog niet opgemerkt en zijn spoor was niet moeilijk na te gaan. Overal waar hij had gelopen, stonden diepe voetafdrukken waarop een huis gebouwd had kunnen worden en de ontwortelde en platgetrapte bomen lagen links en rechts bij bosjes.

Tenslotte beklom de reus een hoge berg. In die berg was een ijzeren poort zo hoog als een toren. Die ijzeren poort trok de reus open en hij liep naar het binnenste van de berg, een aantal bomen meeslepend voor het vuur dat binnen brandde en waarvan een zwarte rook uit de berg ontsnapte; wat de berg deed lijken op een vulkaan.

Met een dreun als een donderslag viel de ijzeren poort weer dicht. De reus was in zijn hol. De drie broers stonden voor de ijzeren poort.

"Deze poort is te zwaar voor ons om open te doen," oordeelde Bimbolat.

"De reus is ons ontsnapt," zei Kaspolat.

"Nog voor de zon ondergaat, zijn wij in het hol van de reus," besloot Dsambolat. "Luister wat ik heb uitgedacht. Ik klim bovenop de berg en ga dan naar beneden tot ik bovenop de ijzeren richel ben, die als een afdakje boven de poort uitsteekt. Jullie blijven hier staan en als ik op mijn hoge post ben aangekomen, rapen jullie zware keien op en gooien die tegen de poort. Dat gaat de reus gauw genoeg vervelen. Hij zal de poort opendoen en op de drempel blijven staan om te kijken wie hem lastig vallen. Dan boor ik van bovenaf mijn lans in zijn kruin."

"Geen slecht plan," zei de oudste broer. "Al ben je dan jonger dan ik, je bent niet dom."

"Een best plan," zei ook de middelste broer. "Al ben je jonger dan ik, laten we het erop wagen!"

Een half uur later zat Dsambolat op de richel boven de poort. Bimbolat en Kaspolat raapten zware keien van de grond en begonnen met ijver de poort te bekogelen. De reus moest het zeker kunnen horen, want iedere keer dat er een kei tegen de poort vloog, dreunde het ijzer als een reusachtige gong. Maar voorlopig deed hij alsof hij het niet hoorde en liet de broers rustig doorgaan met gooien, zoals een kat die even wacht voor hij een klein muisje bespringt.

Intussen zat Dsambolat op de richel boven de poort te wachten. De vermoeienissen van de afgelopen dagen maakten dat hij in slaap viel. Zo kwam het dat Dsambolat, leunend op zijn lans, zat te slapen toen de poort eindelijk openvloog en de reus op de drempel verscheen. Met zijn ene oog keek de reus dreigend en spottend neer op de twee stenengooiers. Hij brulde: "Kwajongens! Hoe halen jullie het in je domme koppen om hier keien te komen gooien! Adelaars gaan voor mij op de vlucht, beren en wilde zwijnen vluchten voor mij als hazen, maar jullie hebben het lef om mij hier voor mijn eigen hol te komen treiteren!"

De twee broers versteenden bijna van schrik. Dan nam Bimbolat, die het hardste kon lopen, Kaspolat op zijn rug en hij ging er als een pijl vandoor.

"Jullie ontsnappen mij niet, ellendige kwajongens!" brulde de reus.

Met dreunende stappen beende hij de vluchtende jagers na. Al kon hij harder lopen dan ieder andere jager, tegen de reus kon Bimbolat niet op. De twee vluchtende broers waren dan ook ten dode opgeschreven en hadden even weinig kans om te ontsnappen als een paar ratten uit een dichte val.

Gelukkig werd van al het dreunen en razen de dappere Dsimbolat wakker. Toen hij zag wat er aan de hand was, werd hij wit van schrik. En hij werd zo woedend op de reus die zijn broers wilde doden, dat hij een ongekende kracht in zich voelde. Hij nam de lans in zijn rechterhand en wierp hem met reuzenkracht de rennende Een-Oog achterna. De lans snorde door de lucht met de snelheid van een verschietende ster en boorde zich in de rug van de reus, precies tussen de twee schouderbladen.

De reus stond stil en sidderde als een boom waarin de bijl wordt gezet. Hij wankelde en viel als een omgehakte boom, met een dreun op de grond waar hij bleef liggen, even dood als een liggende boom. Van vreugde en opluchting riep Dsambolat met een stem als een trompet: "Blijf maar staan, jongens! Jullie hoeven niet meer te rennen. De reus is niet gevaarlijk meer. Hij ligt op de grond als een gevelde boom en zal nooit meer opstaan!"

Maar de schrik zat er zo in bij Bimbolat en Kaspolat dat ze bleven rennen tot ze in hun dorp terug waren. Daar bleven ze echter niet lang. Want Dsambolat draaide zijn gouden ring drie maal om en zei: "Ik wens dat mijn broers weer bij me zijn!"

In een wip waren Bimbolat en Kaspolat weer bij Dsambolat.

Dsambolat zei lachend: "Hebben jullie genoeg gerend? Laten we dan het hol van de reus eens gaan bezichtigen!"

De twee oudere broers zeiden niets, maar ze lachten als jagers die kiespijn hebben.

V. IN HET HOL VAN DE REUS

Het eerste wat de broers opviel in het hol van de reus was een beeldschone vrouw en het eerste wat ze hoorden was haar stem. "Wie jullie ook zijn, ik wens jullie een leven vol geluk, want jullie hebben een einde gemaakt aan de slavernij waarin ik moest leven zolang de reus Een-Oog nog mijn heer en meester was!"

Bimbolat zei: "Wij zijn eenvoudige jagers en wij vragen ons af waarom een beeldschone vrouw de dienares is van een afzichtelijke reus."

Dsambolat zei nu tegen zijn broers: "Deze vrouw werd door de reus gedwongen in dit hol te leven. Haar man werd door hem vastgeketend aan de bergen waar hij met zijn vrouw gelukkig leefde voor Een-Oog hen overviel. Haar man gaf me deze gouden ring en hij vroeg me die te tonen aan zijn vrouw, zodra de macht van de reus gebroken zou zijn."

De vrouw herkende de ring van haar man. In haar ogen verschenen tranen van blijdschap. Ze maakte op het vuur dat de reus nog had aangestoken een heerlijke maaltijd klaar, want van al hun avonturen hadden de broers een geweldige honger overgehouden, vooral Bimbolat en Kaspolat, die zonder iets te eten te hebben gehad heen en weer gerend waren van het hol van de reus naar hun dorp. In het hol van de reus was meer dan genoeg proviand voorradig: vooral vlees en wijn, twee dingen waar reuzen dol op zijn en waar hun magen steeds vol van zijn. Behalve proviand was er een overvloed aan schatten die de reus in zijn lange leven bij elkaar gestolen had. Op een hoop gesmeten lagen daar door elkaar: diamanten en andere edelstenen, gouden en zilveren munten, sieraden, juwelen, kostbare tapijten, zeldzame weefsels, gouden en zilveren schalen, armbanden, ringen, oorhangers, gespen, kandelaars, uurwerken, teveel om op te noemen!

De vrouw van de met zilver geketende keek vol minachting naar deze berg kostbaarheden en zei: "Moge dit alles veranderen in een duivenei!"

Deze wens ging dadelijk in vervulling. De vrouw raapte het duivenei van de grond en gaf het aan Bimbolat met de woorden: "Jij bent de oudste, neem jij dit duivenei van mij aan als dank voor wat door jullie werd gedaan. Breng het naar jullie dorp en leg het daar op de vloer, draai het dan drie maal om en jullie zullen zien dat uit het duivenei weer de berg kostbaarheden verschijnt."

"Dat hoop ik van harte!" zei Bimbolat en hij nam het duivenei heel voorzichtig in ontvangst, want stel je voor dat al die rijkdom zou breken en er niets overbleef dan eigeel en stukjes eierschaal!

"Het eerste wat we nu moeten doen," zei Dsambolat, "is zorgen dat de zilveren ketting, waarmee de bergbewoner aan de bodem is geketend, wordt verbroken. Laten we op weg gaan!"

De drie broers reisden samen met de vrouw van de bergbewoner naar het Zwarte Gebergte. De ring trok hen vanzelf naar de plek waar de bergbewoner met zilver geketend was. Zodra ze er aankwamen, draaide Dsambolat drie maal de ring om zijn vinger en hij zei: "Moge deze zilveren ketting verpulveren tot zilverkleurige as."

De aarde beefde, een stofwolk wervelde langs de bergwand, stenen en rotsblokken vielen met donderend geweld in diepe afgronden en... de zilveren ketting verpulverde tot zilverkleurige as.

Zielsgelukkig rekte de bergbewoner zich uit en zei: "Dappere jagers, jullie hebben mijn vrouw teruggebracht en mij bevrijd uit boze macht. Moge jullie leven vol geluk en vreugde zijn. Als beloning voor jullie dappere daden geef ik de gouden ring aan de dapperste van jullie. Moge deze ring hem trouw blijven dienen. Moge deze gouden ring hem leiden naar het land waar hij zijn vrouw zal vinden, geen gewone vrouw, maar een beeldschone prinses, de mooiste prinses van de hele wereld." Met deze woorden gaf hij Dsambolat de gouden ring.

De drie broers namen afscheid van de bergbewoner en zijn vrouw. Ze reisden samen verder tot ze aan de grens van hun dorp waren gekomen. Daar bleef de dappere Dsambolat stilstaan. Hij sprak: "Bimbolat en Kaspolat, gaan jullie samen verder en neem het duivenei mee naar de hut van een van jullie twee. Verdeel de schatten die er uitkomen onder elkaar. Ik deel niet mee. Ik vraag voor mijzelf geen rijkdommen. Ik vraag dat deze gouden ring mij zal brengen naar het onbekende land waar de mooiste prinses van de hele wereld woont."

Na die woorden draaide hij zich om en met vastberaden stappen begon hij aan een lange reis naar onbekende streken.

VI. NAAR HET ONBEKENDE LAND

Vol vertrouwen op de weg die de ring hem wees, trok Dsambolat door vreemde landen en streken tot hij aankwam in een armelijk deel van een bergachtig land. Daar gebeurde het op een avond dat hij aanklopte bij een nederige berghut en riep: "Is hier plaats voor een vreemdeling om de nacht door te brengen?"

De deur werd opengedaan door een oud vrouwtje. Ze zei hartelijk: "Wees welkom, vreemdeling!"

Dsambolat merkte aan de goede zorgen waarmee het oudje hem omringde dat hij werkelijk welkom was. Ze kookte een stevig maal en wees Dsambolat een bed met dekens van ongeverfde wol. Tenslotte kon ze haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en vroeg: "Mag ik weten wat de vreemdeling hierheen voert?"

"Een ring," antwoordde Dsambolat.

"Een ring?" lachte het oudje. "Zoek je soms een vrouw?"

Dsambolat knikte. "Ik zoek de mooiste prinses van de hele wereld."

Het oudje keek plotseling heel bedenkelijk. "Beste jongen, dat zal geen peulenschilletje worden. In het land waar je nu bent, leeft de mooiste prinses van de hele wereld; dat is aan iedere inwoner bekend, maar ook weet iedereen dat ze gevangen wordt gehouden door haar vader. Ja, onze koning is een wrede en jaloerse man die het niet verdragen kan dat zijn dochter zou gaan houden van een vreemdeling en hij beschouwt iedereen die niet onder zijn dak geboren is als een vreemdeling! Veel mannen die met de prinses wilden trouwen zijn je al voorgegaan naar het kasteel waar de prinses wordt bewaakt. Door geen van deze mannen werd zij geschaakt. Geen van deze mannen is nog levend teruggekomen uit dat kasteel. Luister naar de raad van een oude vrouw die in haar lange leven een snufje wijsheid heeft vergaard en zuinigjes heeft opgespaard! Keer terug naar het land waar je vandaan komt. Gebruik je hoofd en blijf het gebruiken. Laat het niet afhakken op last van onze koning. Heus, keer terug naar je eigen land!"

Vastberaden antwoordde de dappere Dsambolat: "Nooit zal ik alleen terugkeren naar mijn eigen land. Ik zal er pas terugkeren als ik mijn bruid bij mij heb. En mijn bruid wordt de koningsdochter over wie u sprak!"

Het oudje knikte berustend en zei: "Ik merk wel dat jij je niets uit je hoofd laat praten. Doe wat je het beste lijkt. Slaap er in ieder geval nog een nachtje over."

Dat deed Dsambolat zonder dat het hem tot andere gedachten bracht.

De volgende morgen stond Dsambolat vroeg op en waste zich bij de bron die naast het huisje van de oude vrouw uit de bergwand stroomde. Voor hij zich waste, legde hij de gouden ring op een steen naast de bron. Toen hij zich gewassen had, vergat hij de ring weer aan zijn vinger te doen. De gouden ring bleef liggen op de steen en blonk in de zon.

Het oudje had intussen voor Dsambolat een hartig ontbijt klaargemaakt. Terwijl hij dat soldaat maakte vertelde ze: "Jij maakt dat ontbijt soldaat, maar onze koning doet net andersom! Luister, dan zal ik je uitleggen wat ik bedoel. Onze koning heeft op een morgen al zijn soldaten veranderd in lepels, vorken en messen. Die lepels en vorken en messen liggen overal op de vloer in het kasteel waar de prinses gevangen zit. Als nu iemand het kasteel binnengaat, wordt al dat huisraad weer soldaat. Dat wil zeggen: het duurt een kwartier voor de vorken en lepels en messen als soldaten opspringen om de binnendringer te omringen. En dan zijn ze heus niet gewapend met vorken en messen en lepels, maar met vlijmscherpe zwaarden en puntige lansen."

"Dat ziet er lelijk voor me uit," moest Dsambolat toegeven.

"Ik zal je een goede raad geven," zei het oudje en ze schilde voor Dsambolat een appeltje. "Zo gauw als je binnen het kasteel bent moet je alle lepels en vorken en messen die je ziet liggen achterstevoren leggen. Onthoud goed: we leven in een omgekeerde wereld, dus als je de dingen in die wereld een slag draait komt alles weer goed te liggen. Als je dat huisraad dus hebt omgedraaid, draai je jezelf om en dan zul je een houten deur zien. Doe die open en dan zie je een stenen deur. Doe die open en dan zie je een koperen deur. Doe die open en dan zie je een bronzen deur. Doe die open en dan zie je een ijzeren deur. Doe die open en dan zie je een zilveren deur. Doe die open en dan zie je een gouden deur. Hoeveel deuren heb je me horen noemen?"

"Zeven!" zei Dsambolat. "Hout, steen, koper, brons, ijzer, zilver en goud! En wat komt daarna?"

"Daarna ben je bij de prinses! Ze zit in een zaaltje en verveelt zich of ze bedenkt een verhaaltje. Als ze bij jouw binnenkomen haar ogen neerslaat, dan gaat alles goed. Maar als ze je strak blijft aankijken, dan wordt het niets met de hele onderneming. Meer kan ik je niet vertellen. Ik ben niet gewend zo lang achter elkaar te praten. Ga nu naar het kasteel en hopelijk zien we elkaar nog eens terug, want je lijkt me een jongen die verdient dat het goed met hem gaat!"

VII. DE MOOISTE PRINSES VAN DE WERELD

Na een halve dagreis bereikte Dsambolat een kasteel met vier torens en vele sterke poorten. Rondom het kasteel was een muur van zwart graniet. Maar de ophaalbrug was neer en de voorpoort stond open. Dsambolat aarzelde niet en ging het kasteel binnen. Hij kwam in een ruime zaal waarvan de vloer bezaaid was met vorken, lepels en messen. Het waren er zoveel dat het een heel karwei zou zijn ze allemaal een voor een om te draaien.

"Ik doe het anders," dacht Dsambolat. "In plaats van al die vorken en lepels en messen draai ik drie keer mijn ring om en wens dat al die betoverde soldaten zich uit zichzelf een keer omdraaien en niet meer bewegen voordat ik met de prinses veilig in mijn land ben aangekomen."

Pas toen merkte hij dat hij de gouden ring niet had! Wat nu? Terugkeren naar het huisje van de oude vrouw? Nee, daarvoor was het al te laat. Vliegensvlug begon Dsambolat alle vorken, lepels en messen om te draaien, dus tóch met zijn handen. Daar ging heel wat tijd mee heen en in zijn haast zag hij één houten pollepel over het hoofd.

Dsambolat liep met haastige passen naar een houten deur. Hij opende de houten deur en zag de stenen deur. Hij opende de stenen deur en zag de koperen deur. Hij opende de koperen deur en zag de bronzen deur. Hij opende de bronzen deur en zag de ijzeren deur. Hij opende de ijzeren deur en zag de zilveren deur. Hij opende de zilveren deur en zag de gouden deur. Hij opende de gouden deur en zag... de mooiste prinses van de hele wereld.

Ze was zo rank als een cipres, ze had haar dat glansde als goud en golfde als een bergbeekje, en ze had schitterend zwarte ogen waarmee ze Dsambolat strak aankeek. Dsambolat herinnerde zich de waarschuwing van de oude vrouw: Als ze je strak aankijkt, wordt de onderneming een mislukking. Toch gaf hij de moed nog niet op. Hij liep op de mooie prinses toe en zei: "Ik heb overal naar je gezocht en de grootste gevaren doorstaan om je te vinden. Ik ben niet van plan me nu te laten ontmoedigen door een paar zwarte ogen die me strak aankijken. Ik neem je mee naar mijn land en je wordt daar mijn vrouw!"

"Wat een praatjes!" zei de prinses. "Heb je al gevochten met de soldaten van mijn vader? Zorg liever dat je heelhuids hier vandaan komt, desnoods zonder mij, want je lijkt me een aardige jongen die verdient dat het goed met hem gaat."

"Een jager gaat nooit op de vlucht als hij Dsambolat heet," antwoordde de dappere jongen en hij dacht erbij: nu weet ze tegelijk de naam van de man met wie ze zal trouwen. Hij nam de prinses in zijn armen en droeg haar voorbij de zeven deuropeningen.

Maar toen hij voorbij de houten deur was, zag hij dat de pollepel die door hem vergeten was, veranderde in een soldaat die houterig opsprong en uitriep: "Te wapen! Te wapen! De prinses wordt geschaakt!"

Bij de kreten kwamen al de andere lepels, vorken en messen tot leven. Er klonk een gerinkel van sabels en zwaarden. Van alle kanten werd Dsambolat beetgepakt. De prinses werd naar de gouden zaal teruggevoerd door een soldaat in een prachtig uniform; het jasje van deze soldaat blonk als een lepel en in zijn broek zaten messcherpe vouwen.

Zo belandde Dsambolat in een kerker waar hij werd bewaakt door drie soldaten - een vroegere vork, een vroeger mes, en een vroegere lepel. Dsambolat dacht: "Ik heb Een-Oog verslagen! Zou ik nu deze drie soldaten niet kunnen verslaan?"

Hij sprong op en sloeg twee soldaten met hun koppen tegen elkaar, zo hard dat ze rinkelend op de grond vielen en bewusteloos bleven liggen.

De derde soldaat zette het op een lopen en schreeuwde: "Te wapen! De gevangene wil ontsnappen!"

Uit alle richtingen kwamen de soldaten aanrennen, maar van het lange liggen waren ze toch nog erg stijf en Dsambolat wist hen voor te blijven en het kasteel uit te rennen. Er zat niet veel anders voor hem op dan terug te keren naar het huisje van de oude vrouw. Hij kwam er aan vlak voor de zon onderging. In de laatste zonnestralen lag de ring op de steen te blinken.

De oude vrouw gaf hem te eten en te drinken. Ze zei hoofdschuddend: "Je hoeft me niets te vertellen. Het is mislukt! Dat zie ik aan je gezicht. Maar wie gaat er nu een vrouw halen en vergeet dan een gouden ring bij zich te hebben!"

"Vandaag is het mislukt!" zei de dappere Dsambolat. "Morgen ga ik weer naar het kasteel en ik neem de gouden ring mee. Dan mislukt het niet."

"Doe zoals je het beste lijkt," zei de oude vrouw. "Slaap er eerst een nachtje over, al lijk je me een doorzetter die wat hij begonnen is niet gauw opgeeft. Wat zijn grote waarde heeft. Maar ook zijn gevaren. Je appeltje zal ik tot morgen bewaren."

VIII. DSAMBOLAT EN DE PRINSES ONTLOPEN LEPEL, VORK EN MES

De volgende morgen stond Dsambolat weer even vroeg op als de vorige dag. Na zich bij de bron gewassen te hebben, nam hij zijn lans, zijn boog en zijn pijlenkoker, en nam voor de tweede keer afscheid van de oude vrouw. Na een halve dagreis bereikte Dsambolat voor de tweede keer het kasteel met de vier torens, de muur van zwart graniet, de neergelaten ophaalbrug en de open poort.

In de zaal waar de vorken en lepels en messen weer op de grond lagen, draaide Dsambolat drie maal de gouden ring rond zijn vinger en zei: "Ik wens dat alle lepels en vorken en messen zich omdraaien, dat ze allemaal zonder uitzondering gehoorzamen en dat ze daarna blijven liggen tot ik met de prinses veilig in mijn eigen land ben. Rechtsomkeert - mars!"

Dadelijk klonk er een geweldig gerinkel, alsof door een winkel waar men vorken, messen en lepels verkoopt, een olifant liep.

Dsambolat glimlachte tevreden en opende de houten deur, daarna de stenen deur, daarna de koperen deur, daarna de bronzen deur, daarna de ijzeren deur, daarna de zilveren deur en als laatste en mooiste de gouden deur; niets scheidde hem meer van de mooiste prinses van de wereld. Daar zat ze weer; deze keer met neergeslagen ogen. Dsambolat herinnerde zich de woorden van de oude vrouw: Als ze haar ogen neerslaat, wordt ze je vrouw.

Dsambolat liep op de prinses toe en zei verheugd: "Lieve prinses, hier ben ik weer. De soldaten van je vader liggen machteloos terneer. Deze keer neem ik je werkelijk mee naar mijn land en ik vraag je om je hand!"

Hij nam de prinses in zijn armen en droeg haar voorbij de zeven deuren. Ongehinderd kwamen ze langs de liggende vorken, lepels en messen het kasteel uit. De prinses lachte van geluk toen ze buiten het kasteel waren, want voor het eerst na jaren was ze weer buiten, en al had ze dan al die tijd achter een deur van goud gezeten, geen goud is zo mooi als het goud van de zon.

IX. DSAMBOLAT EN DE PRINSES WORDEN MAN EN VROUW

Toen het oudje zag dat Dsambolat er werkelijk in geslaagd was de prinses te ontvoeren, zag ze er wel twintig jaar jonger uit. Ze klapte in haar handen en riep: "Goed gedaan, mijn jongen! En jij, meisje, krijgt een dappere man! Nu willen jullie natuurlijk zo snel mogelijk naar het land waar jullie gaan trouwen. Daar weet ik wel wat op!" Ze trok de sprei van haar bed, legde hem op de grond en zei: "Gaan jullie daar eens op zitten!"

Dsambolat en de prinses namen naast elkaar op de sprei plaats. Dadelijk nadat het oudje nog eens in haar handen had geklapt, verhief de sprei zich in de lucht en droeg Dsambolat en de prinses pijlsnel over bossen en bergen, over meren en rivieren, over steden en dorpen, terug naar het land van de dappere Dsambolat.

Daar werden ze man en vrouw. De broers waren op de bruiloft eregasten. Ze waren nu schatrijk door de kostbaarheden uit het duivenei en ze waren niet meer jaloers op hun jongere broer. Ja, Bimbolat en Kaspolat waren het helemaal eens met de andere mensen - en met iedereen die dit verhaal hoort of leest - wanneer die zeiden of zeggen: "De dapperste jager van de hele wereld is de jonge Dsambolat en de mooiste prinses is zijn vrouw."


*   *   *

De dappere daden van de held Dsambolat Samenvatting
Een Georgisch sprookje over de mooiste prinses van de wereld. Dsambolat is voor niets en niemand bang. Tijdens het jagen raakt hij een hert, maar het dier verdwijnt. Dsambolat gaat naar de plek waar het hert zou zijn, maar hij vindt een dode man met een brief waarin wordt gevraagd of de dapperste jager de reus Een-Oog wil doden. Lees het verhaal

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes en vertellingen uit Rusland" vertaald en bewerkt door Hans Werner. Deltos Elsevier, Amsterdam/Brussel, 1972. ISBN: 90-10-30122-2

Herkomst: Georgië
Verteltijd: ca. 55 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook