Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 24 min.
Herkomst:

De dappere uit het noorden en de dappere uit het zuiden Een Mongools sprookje over een zeer slimme en dappere man

Heel lang geleden leefden er twee dappere mannen, de dappere uit het noorden en de dappere uit het zuiden. Deze beide dappere mannen hielpen de armen, verzetten zich tegen de hoogmoedigen en streden met rijke en hoge heren.

Op een dag trof de dappere uit het noorden de dappere uit het zuiden. Ze wisselden een groet uit en wensten elkaar vrede. Daarna zei de dappere uit het noorden tegen de dappere uit het zuiden: "Zeg eens, mijn vriend, wat kun jij niet in handen krijgen?" Daarop antwoordde de dappere uit het zuiden: "Alleen het goud en zilver in de vijftien verdiepingen hoge toren van de koning kan ik niet in handen krijgen." En toen zei de dappere uit het noorden: "Als dat het geval is, moeten wij er samen over nadenken hoe we dat goud en zilver uit die vijftien verdiepingen hoge toren weghalen."

Het gevolg was dat ze een grote ketel vol lijm kookten. In het holst van de nacht droegen ze, met behulp van een stang, deze grote ketel met lijm naar de achterkant van de vijftien verdiepingen hoge toren van de koning en zetten hem daar neer. Ze neusden rond en zagen dat de poort was afgesloten door een hangslot met de kop van een zwarte tijger en dat er vijftig grimmig uitziende, sterke soldaten tegen de zijkanten van de poort stonden te slapen. Dit alles zagen die twee dappere mannen, voordat zij hun handen en voeten vol lijm smeerden en de vijftien verdiepingen hoge toren beklommen. Toen ze via een raam waren binnengedrongen en om zich heen keken, ontdekten ze in een hoek vier rundleren koffers in twee stapels naast elkaar. Ze bleken gevuld te zijn met goud en zilver. De beide mannen haalden de koffers aan de rechterkant leeg en gooiden alles wat erin zat als stenen uit het raam aan de achterkant van de toren. Daarna klommen ze weer omlaag, raapten de buit op en keerden naar huis terug. Het veroverde goud en zilver verdeelden ze onder de armen. Ze dronken wijn en brandewijn, aten vlees en vielen in slaap.

De volgende ochtend stond de voor het goud en zilver van de koning verantwoordelijke ambtenaar zoals gewoonlijk vroeg op. Als bewaker van de toren controleerde hij de koffers. Toen uit de twee koffers aan de rechterkant al het goud en zilver bleek te zijn verdwenen, schrok hij verschrikkelijk. Hij liep naar de koning om te melden wat er was gebeurd en de koning schreeuwde opgewonden: "De man die het goud en zilver uit mijn vijftien verdiepingen hoge toren heeft gestolen, is geen gewoon mens!" Daarop beval hij zijn ambtenaar: "Ga naar de toren en stop het goud en zilver uit de twee koffers aan de linkerkant in de gisteren leeggeroofde twee koffers aan de rechterkant. Vul daarna de twee koffers aan de linkerkant tot aan de rand met pek!"

Toen de ambtenaar was weggegaan om de opdracht uit te voeren, lachte de koning inwendig. "Jij rover die mijn goud en zilver hebt gestolen, als jij vannacht terugkomt, denk je natuurlijk dat de twee koffers aan de rechterkant leeg zijn. Daarom graai je in de twee koffers aan de linkerkant en dan kom je vast te zitten in het pek!"

Die nacht kwamen de twee dappere mannen inderdaad terug, met hun lijmketel. Ze smeerden hun handen en voeten vol lijm en beklommen de toren. In de schatkamer zei de dappere uit het noorden: "Vandaag moeten we de koffers aan de rechterkant nog eens openmaken!"

"Wat heeft dat voor zin? Die zijn toch al leeg! We kunnen alleen nog maar de koffers aan de linkerkant plunderen!" antwoordde de dappere uit het zuiden. Hij liep met grote passen naar de linkerkant en nog voordat de dappere uit het noorden tekst en uitleg kon geven, zat de dappere uit het zuiden al vast in het pek. De dappere uit het noorden haalde de koffers aan de rechterkant opnieuw leeg, gooide al het goud en het zilver uit het raam aan de achterkant alsof het stenen waren, en ging zich toen bemoeien met de dappere uit het zuiden, die niet in goud en zilver maar in pek had gegraaid. Toen de dappere uit het noorden klaagde: "Zie je nu dat je in de val van de koning zit omdat je niet naar mijn woorden hebt geluisterd?" antwoordde de dappere uit het zuiden: "Ja, ik sloeg je woorden in de wind, daarom ben ik in de val gelopen! Mijn verstand was niet tegen de koning opgewassen. Ik kan mijn handen op geen enkele manier uit dit pek loskrijgen en dus zullen ze mij morgenochtend levend vangen en tot in het negende geslacht uitroeien. Maar het is beter dat iemand alleen sterft, dan dat een hele familie wordt uitgemoord. Mijn vriend, voorkom dat mijn oude moeder, mijn vrouwen en mijn kinderen worden gedood! Snijd me mijn hoofd af en neem het mee!"

Omdat de dappere uit het zuiden zijn verzoek maar bleef herhalen, bleef de dappere uit het noorden geen keus. Huilend gaf hij de dappere uit het zuiden een kus. Daarna trok hij zijn mes, sneed het hoofd af en nam het mee. Zonder uitstel vertelde hij de oude moeder van de dappere uit het zuiden wat er was gebeurd, dat de ander niet naar zijn woorden had geluisterd, dat zijn handen waren vastgeraakt in het pek, dat hij niet meer kon loskomen, maar dat hij toen aan haar, zijn vrouwen en zijn kinderen had gedacht, en daarom zijn leven en zijn lichaam had opgeofferd. Toen de oude moeder haar ogen bijna blind huilde, zei de dappere uit het noorden: "Moedertje toch! Dat je nu huilt, kan geen kwaad, maar ik verwacht dat de koning over enkele dagen het lichaam van je zoon op een door een witte olifant getrokken wagen door de dorpen zal laten rondtrekken. Hij zal het lijk aan alle mensen laten zien en degenen die dan gaan huilen, zal hij laten vermoorden! Moedertje, als je je zoon ziet, mag je niet huilen. Er bestaat echter een uitweg voor je. Wanneer je de door een witte olifant getrokken wagen ziet aankomen, laat dan een leren waterzak vol water leeglopen. Dan kun je huilen. Wanneer de soldaten van de koning je grijpen en zeggen: 'Jij hebt gehuild!' en je uitschelden, moet je antwoorden: 'Wat blijft een oude vrouw anders over! Ik heb net uit een verafgelegen bron drinkwater voor vele dagen gehaald en nu jagen jullie me de stuipen op het lijf met een verschrikkelijk beest en een lichaam zonder hoofd, zodat ik mijn waterzak leeg liet lopen. Daarom huil ik!' Maar er zal nog een andere list bedacht moeten worden om de soldaten weg te lokken."

Nadat hij de moeder van de dappere uit het zuiden op die manier had voorbereid, ging hij weg om een list te verzinnen waarmee hij de krijgslieden van de koning om de tuin zou kunnen leiden.

Toen de bewaker van de vijftien verdiepingen hoge toren de volgende ochtend omhoog klom om de schatkist te controleren, trof hij daar een man zonder hoofd aan die met zijn handen in het pek vastzat. De bewaker stormde naar de koning en toen deze de boodschap had aangehoord, zei hij: "Ha, er waren dus twee mannen! Toen de een vastzat in het pek heeft de ander uit angst dat we hem levend zouden grijpen zijn hoofd afgesneden. Hij dacht zeker dat ik er niet achter zou kunnen komen wie het hoofd van zijn vriend meenam! Is het soms niet gebruikelijk dat de familieleden van een gestorvene huilen wanneer ze het lijk van de dode zien? Als ik de familie van de dode vind, zal de dader wel op de vlucht slaan!"

Daarop beval hij zijn ambtenaar: "Laad dit lijk zonder hoofd op een door een witte olifant getrokken wagen en trek ermee langs de steppebewoners. Zodra je iemand ziet die huilt bij de aanblik van het lijk, breng hem dan direct als gevangene bij mij. Van hem kom ik dan wel te weten wie de man is die het hoofd van het lijk heeft afgesneden." De ambtenaar kon gaan. Hij laadde het lijk van de dappere uit het zuiden op een kar die werd getrokken door een witte olifant, en op zijn rondgang langs de steppebewoners kwam hij ook bij de familie van de dappere uit het zuiden.

Een oude vrouw die het lijk op de wagen zag, liet een waterzak vallen en begon te huilen. De ambtenaar van de koning liet haar bij zich brengen en toen ze voor hem stond, zei ze: "Ik ben ook al zo oud. Ik ben net naar de bron geweest om voor vele dagen drinkwater te halen en dan jagen jullie me de stuipen op het lijf met dat verschrikkelijke beest en met dat lijk zonder hoofd dat daar op die wagen ligt. Nu heb ik al het water verspild!" Na dat antwoord ging ze op huis aan, maar de soldaten van de koning vertrouwden het niet en samen met de ambtenaar van de koning volgden ze de vrouw en doorzochten haar huis. Hun huiszoeking leverde niets op, maar toen ze naar buiten kwamen vonden ze de kar die door de witte olifant was getrokken leeg en verlaten terug. Noch van het lijk dat erop had gelegen, noch van de witte olifant viel een spoor te bekennen.

De soldaten schrokken er hevig van. Ze lieten de oude vrouw lopen, gingen terug naar de koning en brachten hem verslag uit. "Deze man is ook heel slim en wijs!" was het commentaar van de koning. Daarop liet hij een stakker zoeken die overdekt was met wonden en zweren. Hij maakte uit de staartharen van een paard een merkteken, knoopte dit vast aan een touw en overhandigde het aan de stakker. "Ga nu bij alle steppefamilies langs en vraag om een beetje vet van een witte olifant. Krijg je in een of andere nederzetting ook werkelijk wat vet van een witte olifant, bind dan stilletjes dit geknoopte merkteken aan de tent vast en kom terug."

Nu had de dappere uit het noorden om de moeder van de dappere uit het zuiden te helpen toen de soldaten haar huis waren binnengedrongen de witte olifant uitgespannen en het lijk van de dappere uit het zuiden naar een verafgelegen berg gebracht. Tegen zijn eigen moeder zei hij: "Moedertje, mocht er iemand komen die om wat vet van een witte olifant bedelt, geef hem dat dan niet!" Daarna ging hij op jacht. En inderdaad, op een dag verscheen een met akelige wonden en zweren overdekte man bij de tent van de dappere uit het noorden. Hij boog eerbiedig voor de oude moeder en zei: "Moedertje, ik ben getroffen door een onbekende ziekte. Je ziet, moedertje, dat mijn wonden en zweren zich over mijn hele lichaam hebben verbreid. Ik zal eraan moeten sterven, tenzij ik vet van een witte olifant vind en daar mijn lichaam mee inwrijf. Dat zal me genezen en houdt me in leven!"

Zo kweet hij zich van zijn opdracht, en bij het zien van de wonden en zweren van de man aarzelde de oude vrouw, dus de man bleef buigen en smeken. Zijn verzoek werd steeds dringender en zo bereikte hij uiteindelijk dat de oude vrouw hem uit medelijden een stuk olifantsvet zo groot als een drinkschaal gaf. Hij bond heimelijk het merkteken van paardenhaar aan haar tent en maakte zich uit de voeten.

Toen de dappere uit het noorden terugkwam en aan zijn moeder vroeg: "Is er nog een man geweest die om het vet van een olifant bedelde?" vertelde de oude vrouw hem dat er een met wonden en zweren overdekte man was gekomen die had geklaagd en gebedeld totdat ze hem een stuk olifantsvet had gegeven. Daar werd de dappere uit het noorden heel zenuwachtig van. Hij liep zoekend om de tent heen en zag dat boven de ingang een knoop van paardenhaar was vastgebonden. "Dit is het merkteken dat de soldaten van de koning zullen komen zoeken," zei hij. Daarop ving hij enkele van zijn paarden, sneed hun staartharen af en knoopte er een hele massa bosjes van die niet van het merkteken waren te onderscheiden. Te paard ging hij de verspreide nederzettingen langs om boven elke ingang zo'n bosje te binden. Daarna keerde hij naar huis terug.

Intussen kwam de met wonden en zweren overdekte man bij de koning aan. Toen hij hem zijn stuk olifantsvet liet zien en hem vertelde dat hij het merkteken had aangebracht, was de koning tevreden. Hij gaf de man enkele geldstukken, zond hem naar huis en droeg zijn soldaten op: "Boven welke ingang jullie dit merkteken ook aantreffen, grijp de bewoners van die tent en breng ze hier!"

De soldaten keerden de volgende ochtend terug met het bericht: "Boven alle ingangen in de nederzettingen is hetzelfde bosje paardenhaar als merkteken vastgebonden!" Toen de koning dat hoorde, was hij ten einde raad. Hij zei: "Binnenkort is het obo-feest. Dan zal ik naar de heiligste obo gaan en daar om hulp vragen." Maar hij dacht: Dit is een buitengewoon slimme kerel, en het zal hem toch niet lukken op het obo-feest zijn identiteit voor mij verborgen te houden!

Enige dagen later werd het obo-feest gehouden. De koning ging naar de obo en nadat hij zijn verering had betoond, bracht hij nog een bijzonder verzoek naar voren: "Laat de man die mijn goud en zilver heeft gestolen en die de witte olifant heeft gedood vandaag nog achter de obo-heuvel in onmacht vallen!" Dit verzoek herhaalde hij enkele malen. Na het gebed riep hij zijn soldaten bij elkaar en beval: "Ga achter de obo-heuvel staan en let goed op. Zodra iemand in onmacht valt en op de grond blijft liggen, scheer hem dan - omdat het gebruik verbiedt dat iemand tijdens het obo-feest gevangen wordt genomen - zijn rechterwenkbrauw af."

De dappere uit het noorden, die door het aanbrengen van de merktekens de soldaten van de koning om de tuin had geleid en onverrichter zake had laten terugkeren, was al op weg naar het obo-feest. Toen hij achter de obo-heuvel langs reed, werd hij plotseling duizelig. Hij verloor het bewustzijn en viel van zijn paard. De soldaten van de koning vonden de dappere in onmacht en scheerden zijn rechterwenkbrauw af. Maar na afloop van het feest dronk de achtergebleven jeugd als mannen onder elkaar brandewijn. Uiteindelijk wankelden ze weg, maar velen van hen waren zo dronken, dat ze aan de achterkant van de obo-heuvel van hun paard rolden en in slaap vielen.

Toen de dappere uit het noorden bijkwam en om zich heen keek, was het nacht geworden. Hij vroeg zich af hoe hij daar terecht was gekomen, wreef slaperig over zijn gezicht en merkte dat zijn rechterwenkbrauw was afgeschoren.

Zodra tot hem was doorgedrongen wat dit betekende, trok hij zijn mes, om op het terrein van het obo-feest bij iedereen die brandewijn had gedronken, van zijn paard was gegleden en in de steppe lag te slapen de rechterwenkbrauw af te scheren. Daarop keerde hij naar huis terug.

De volgende ochtend droeg de koning zijn soldaten op: "Breng me degene bij wie de rechterwenkbrauw is afgeschoren. Misschien heeft deze man het bij nader inzien niet bij één wenkbrauw gelaten, en heeft hij zelf zijn andere wenkbrauw afgeschoren. Grijp daarom ook degene die beide wenkbrauwen mist!" Zo, nu zullen we hem krijgen, dacht de koning verheugd, maar zijn soldaten kwamen aanzetten met een massa mensen die hun rechterwenkbrauw of beide wenkbrauwen misten. De koning gaf het op. "Nou," zei hij, "de man die mijn goud en zilver heeft gestolen en die de witte olifant heeft gedood, moet maar naar me toe komen. Mijn verstand is niet opgewassen tegen het zijne. Ik zal ten gunste van deze man afstand doen van de troon en mijn koninkrijk aan hem schenken." Zo besteeg de dappere uit het noorden de troon en hij nam de oude moeder, de vrouwen en de kinderen van de dappere uit het zuiden in zijn eigen familie op. Hij leefde gelukkig en verheugt zich nog altijd in vrede en welvaart.


*   *   *

De dappere uit het noorden en de dappere uit het zuiden Samenvatting
Een Mongools sprookje over een zeer slimme en dappere man. Twee dappere mannen stelen het goud en zilver van de koning. Een dag later gaan ze terug om meer te halen, maar één van hen is onvoorzichtig, waardoor de koning de dieven op het spoor kan komen. De dappere man uit het noorden is echter zo slim, dat hij telkens aan de soldaten van de koning ontkomt. Lees het verhaal

Toelichting
Obo = steenstapeling van verschillende vorm op bergen, heuvels en zandduinen in Mongolië die ter ere van lokale godheden werden opgericht. Bij deze plaatselijke heiligdommen werd eenmaal per jaar een belangrijke offerceremonie gehouden, gevolgd door een groot volksfeest.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Mongoolse sprookjes" verzameld door Walther Heissig. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 2000. Oorspronkelijke uitgave: Mongolische Märchen. ISBN: 90-389-1111-4

Herkomst: Mongolië
Verteltijd: ca. 24 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook