Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 19 min.
Herkomst:

De drie vluchtelingen Een Hongaars volkssprookje over slaven, reuzen en rovers

Er waren eens drie ambachtsjongens die geen vader en moeder meer hadden. Ze heetten Balthasar, Laurens en Johan. Nadat ze lange tijd door het land hadden getrokken, kwamen ze ten slotte ook aan de Turkse grens in de stad Beograd. Zodra ze de Turken echter onder ogen kwamen, werden ze gevangen genomen en aan de heerser overgeleverd. Daar dienden ze jarenlang als slaven, maar ondanks de slavernij was hun situatie toch heel goed uit te houden. Een jaar later werden ze echter weer naar de markt gebracht en voor driehonderd gulden aan een andere meester verkocht. Ook bij hem hadden ze het helemaal niet slecht, alleen kregen ze twee maal per week slagen op hun voetzolen, zodat ze niet weg konden lopen. Ze konden nauwelijks wachten tot ze aan het einde van het jaar weer zouden worden verkocht. Deze keer kwamen ze, opnieuw voor driehonderd gulden, in handen van pasja Holofernus.

Deze had zeven jaar eerder de dochter van een koning in het Morgenland tot slavin gemaakt, maar gedurende al die jaren had ze niets van hem willen weten. Daarom had hij haar in een afschuwelijke kerker geworpen en zijn drie slaven stuurde hij op een dag met grote vaten de wijngaarden in om slangen te zoeken. Toen ze de dikke, zeer giftige slangen niet met hun handen vast durfden te pakken, greep de pasja ze met zijn eigen handen, gooide ze in de vaten en stuurde de slaven ermee naar huis.

Enige tijd daarvoor had hij al twee doodskisten laten maken, de ene iets groter dan de ander. Bovendien was de kleinste voorzien van veel grote gaten. In deze doodskist stopte hij nu de koningsdochter en liet de slangen op haar los. De andere kist spijkerde hij echter vast tegen de eerste. Als de slangen zich genoeg aan de arme prinses hadden vergrepen, glipten ze door de gaten de andere doodskist in om daar uit te rusten. Vier dagen duurde het, toen hadden ze het meisje zo volledig opgevreten, dat er niet het kleinste spoortje van haar over was. Toen haalde de pasja de doodskist uit de kerker, maar de slangen waren inmiddels gestorven en daarom deed hij ze in een ketel om er vergif uit te koken. Toen ze twee dagen hadden gekookt, probeerde hij het vergif uit door een hond een lepel vol in zijn bek te geven. Het beest viel ter plekke dood neer.

Toen de drie gevangenen dat zagen, keken ze elkaar peinzend aan en Johan zei: "Luister vrienden, we willen toch zeker niet altijd slaven blijven? Ik denk dat ik de pasja liever ook zo'n lepel vol in zijn mond giet."

De anderen waren het hier helemaal mee eens en toen de pasja op een keer heel moe was van het koken - hij kon slecht tegen de hitte - pakten Johan en zijn vrienden hem vast en goten een flinke dosis slangengif in zijn mond met het gevolg dat hij ter plekke morsdood bleef.

Toen ze dat voor elkaar hadden gebracht, dachten ze goed na en gingen ten slotte met de drie goudkleurige paarden van de pasja op weg. Aangezien ze echter aan de grens een bepaalde brug niet met de paarden konden passeren, bonden ze ze vast in een verborgen hol en kropen zelf om middernacht bij een verschrikkelijke onweersbui zonder ongelukken over de brug. Nu was het niet ver meer tot een hoge berg, Akaskan genaamd. Deze berg was zo hoog dat een mens die op de top stond vanaf de grond zo klein leek als het allerkleinste vogeltje. De drie vluchtelingen vlochten nu een vissersboot, zodat ze gemakkelijk over zee weg konden komen. Ze waren inmiddels ook al een flink eind tegen de berg omhoog geklommen en stonden nu vlak onder de top.

De dag nadat de gevangenen echter de pasja hadden gedood en zich uit de voeten hadden gemaakt, had het gerucht hierover zich verspreid. Daarom was een groep mannen achter ze aan gestuurd en twee van hen, een Turk en een christen, waren precies op de weg terechtgekomen, die ons drietal had ingeslagen. Toen ze voor de berg stonden, zag de man met de tulband boven drie wezens en concludeerde heel terecht dat het de drie gezochte waren.

Maar zijn metgezel, de christen, lachte hem uit, dat waren toch maar adelaars. Zo konden de mannen boven op de berg rustig afdalen en hun boot in de zee laten zakken. Zeven dagen en zeven nachten voeren ze op zee, maar zodra ze weer op het droge stonden, merkten ze dat ze honger hadden. Ze kwamen door een groot bos en vonden daar een schapenpad. Dat volgden ze net zo lang tot ze bij een stal kwamen. Ze gingen naar binnen, maar troffen daar een enorme reus aan met slechts één oog op zijn voorhoofd. Deze vroeg hun wat ze eigenlijk kwamen doen en daarop vertelden ze hem al hun belevenissen.

De reus zette hun een behoorlijke maaltijd voor en omdat het kort daarna avond werd, dreef hij de schapen, die wel zo groot waren als bij ons de ezels, de stal in. Om de stal af te sluiten, gebruikte de reus niets anders dan een grote steen, maar die konden zestien gewone mannen nog niet van zijn plaats krijgen.

Toen de reus de schapen in de stal had gebracht, ging hij ook zelf bij het vuur zitten en praatte wat met de drie vrienden. Daarbij voelde hij ze alle drie stevig aan de tand om uit te zoeken wie de vetste was. Dat was de arme Balthasar, zoals hij merkte. De reus nam een mes, sneed hem zijn keel af en voerde hem aan zijn schapen.

De beide overgebleven vrienden keken elkaar bezorgd aan en overlegden heimelijk. Zodra ze zagen dat de reus naast het vuur op zijn rug lag te slapen, nam Johan een brandend stuk hout en stootte het in zijn ene oog, zodat hij niets meer kon zien.

Toen de ochtend aanbrak en de vogels begonnen te kwetteren, haalde de reus de steen voor de stal weg en liet zijn schapen naar buiten. Hij was echter wel zo slim ze stuk voor stuk door zijn gespreide benen heen te laten gaan. Nu was Johan van huis uit gelukkig schoenmaker en had ook zijn schoenmakersmes en zijn els bij zich. Hij legde Laurens uit wat hij moest doen en gaf hem de els in zijn hand. Hij moest een schaap bij de staart grijpen en op het moment dat hij door de 'poort' ging, moest hij het dier met de els in zijn buik steken. Het schaap zou dan bliksemsnel met hem wegrennen.

Johan paste dezelfde list toe, en zo kwamen ze beiden heelhuids de stal uit. Toen de schapen allemaal buiten waren, deed de reus de deur weer dicht en tastte de hele stal in het rond. Toen hij niemand kon vinden, brulde hij zo angstaanjagend, dat het tweetal buiten op het strand languit op de grond viel. Bovendien kwamen op zijn gebrul nog twaalf andere, soortgelijke reuzen aangelopen en toen ze zagen hoe hulpeloos hij was, pakten ze hem vast en verscheurden hem. Toen liepen ze alle twaalf naar het strand, maar de beide vluchtelingen waren al twaalf vadem ver op zee, zodat ze hun wraaklust niet konden botvieren. Daarop begonnen ze zo verschrikkelijk te brullen en te schreeuwen dat de zee zich torenhoog verhief en het tweetal bijna werd overspoeld door de golven. Maar God in zijn goedertierenheid redde ze en ze voeren verder tot ze bij een groot bos kwamen. Ze hingen hun boot op en gingen voor hun plezier een wandeling in het bos maken.

Daar vonden ze een lieflijk klaterende bron en ontdekten bovendien het spoor van een mens. Dat volgden ze tot ze bij een kluizenaarswoning kwamen. Ze gingen naar binnen en troffen daar een stokoude kluizenaar aan. Ze begroetten hem eerbiedig en hoorden dat hij Sint Antonius heette. De kluizenaar was ook vriendelijk tegen de reizigers en uit vreugde daarover besloten ze beiden daar te blijven en eveneens een heilig leven te gaan leiden. Omdat ze geen huis of onderdak hadden, nam de kluizenaar ze graag op in zijn hut. De volgende dag moesten onze beide heren alles nadoen wat de kluizenaar zoal placht te doen en dat betekende bij zonsopgang de hele weg van het huis tot aan de bron op hun knieën afleggen om daar te bidden. Daarna wasten ze zich aan de bron en legden de terugweg op dezelfde manier af. Toen ze weer in de kamer zaten, lagen er drie broodjes op tafel met de gerechten die daar zo bijhoren en ieder kreeg zijn deel.

Toen ze de volgende dag na afloop van hun taken voor hun plezier een wandeling in het bos maakten, zei Laurens tegen zijn kameraad: "Luister eens Johan, ik vind dat we de oude grijskop dood moeten slaan, want misschien heeft hij wel een fortuin begraven."

"Hoe verzin je het!" antwoordde Johan echter. "Zo'n arme man staat immers onder Gods bescherming. Nee, dat kon wel eens slecht voor ons aflopen."

"Nu, dan doen we het niet," antwoordde Laurens daarop.

Toen ze de volgende dag van hun dienst terugkwamen, lagen er slechts twee broodjes op tafel. De kluizenaar zei: "Een van jullie wil me kwaad doen en daarom moeten jullie onmiddellijk mijn nederzetting verlaten. En mag degene die me zo slecht is gezind, de dood sterven die hij mij wilde aandoen!"

Dus maakten ze zich uit de voeten en zwierven als zigeuners lange tijd in het bos rond, totdat ze diep in de nacht in de verte een vuur zagen. Daar gingen ze direct op af, maar ontdekten al snel dat er vierentwintig rovers omheen zaten. Ze wensten ze goedenavond, maar de rovers vroegen wie ze waren. Daarop antwoordden ze: "Wij zijn net als jullie." Toen gooide de roverhoofdman een dukaat in de lucht, die Johan meteen oppakte. Toen gooide hij er nog een weg voor Laurens, maar die liet hem liggen. Dat maakte de hoofdman woedend, hij reeg hem ter plekke als een speenvarken aan het braadspit en roosterde hem boven het vuur. En zo was Johan alleen overgebleven.

De rovers stuurden hem als wachtpost een heuvel op, waar gewoonlijk de mensen uit de omliggende dorpen met hun tarwe en dergelijke voorbijkwamen op weg naar de molen. En ook nu passeerde al snel een arme man met zes zakken op zijn wagen. Johan pakte ze hem af en bracht ze naar hun schuilplaats. Over deze eerste misdaad waren de rovers heel tevreden en daarom ging Johan, zodra dit ongemerkt mogelijk was, terug naar die plek, stapte in de boerenwagen en reed naar het dorp. Daarvandaan bracht men hem in de dichtstbijzijnde stad voor de rechter. Johan bekende zijn misdaad en stelde voor dat die avond om tien uur een grote groep mannen met geweren en andere wapens de rovers gevangen zou komen nemen. De rechter gaf daarop het bevel dat dit moest gebeuren. Johan sprak met hen af dat ze hem tussen de rovers konden herkennen aan zijn overdwars opgezette hoed. Vervolgens keerde hij terug naar de rovers en zette zich doodgemoedereerd met hen aan het avondeten.

Niet lang daarna omsingelden de door de rechter gestuurde mannen de door Johan verraden rovers en bonden ze één voor één vast. Alleen de hoofdman was ontsnapt, samen met Johan, op wie hij helemaal vertrouwde. Maar daarin vergiste hij zich behoorlijk, want zodra hij ging zitten, stak Johan hem van achteren door zijn rug en verwondde hem zwaar. Daarop werd ook hij vastgebonden en op de wagen gezet. Daar vroeg hij Johan slechts om één ding, namelijk dat hij hem niet hetzelfde dood zou laten sterven als zijn vriend Laurens.

Toen ze echter in de hoofdstad aankwamen, werden de zwaarste straffen over allen uitgesproken en de dikke roverhoofdman werd daadwerkelijk boven een vuur geroosterd, net zoals hij dat met Johans vriend had gedaan. Johan werd echter alom geprezen, omdat hij de rovers had overgeleverd. Ook de koning raakte op hem gesteld en benoemde hem tot gouverneur van zijn kinderen. En omdat hij van huis uit een goed karakter had en niet lelijk was en bovendien over velerlei kennis beschikte, maakte hij zich al snel bij het hele hof bemind. En wat nog belangrijker was, ook de koningsdochter was verrukt van de knappe jongeman en vroeg haar vader haar Johan tot echtgenoot te geven.

Dat verheugde de koning, of was het een keizer, buitengewoon en hij willigde haar verzoek in en zei tegen Johan hoeveel zijn dochter van hem hield, waarover deze buiten zichzelf van blijdschap raakte. Een paar dagen later vierden ze hun bruiloft en daarna had Johan nooit meer het verlangen naar huis terug te keren, zodat hij uiteindelijk als koning daar is gestorven.

Wie dit verhaal niet gelooft, mag zelf naar dat land en het zich door de grote reus nog eens laten vertellen.


*   *   *

De drie vluchtelingen Samenvatting
Een Hongaars volkssprookje over slaven, reuzen en rovers. Drie ambachtslieden trekken door het land totdat ze door Turken tot slaaf gemaakt worden. Ze ontsnappen aan hun derde meester door deze te vergiftigen. Als voortvluchtigen beleven ze avonturen met reuzen, een kluizenaar en rovers. Voor twee jongens loopt het slecht af, de derde wordt een held... Lees het verhaal

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Hongaarse sprookjes" samengesteld door Leander Petzoldt, vertaald door Uta Anderson. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1996. ISBN: 90-389-03839

Herkomst: Hongarije
Verteltijd: ca. 19 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook