Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 18 min.
Herkomst:

De elf zonen van Vithor en Clairesse Een verhaal over een Viking die zich in Arnhem vestigt

In het jaar des Heren 847 overviel in het voorjaar een vloot van Denen de handelspost Meginhardeswich (oudste benaming van Meinerswijk). Na een plundering en moordpartij waaraan slechts enkele bewoners ontkwamen, trokken de duivelse mannen zich terug op hun drakenschepen om hun strooptocht te vervolgen. Maar een kleine groep onder leiding van de jonge Viking Vithor wilde te voet verder. De mannen keken de schepen met de zeilen in de stamkleuren geel en zwart lange tijd na.

Zij trokken voort langs rietkragen, kreken, sloten, door het waterland waar slechts op door de natuur gevormde verhogingen mensen leefden. Zo stil mogelijk. Hopend dat de overlevenden van Meginhardeswich en de wind hun komst niet al ergens hadden aangekondigd. Hopend op nieuwe buit.

Een gezang van vrouwen trok door de bebossing. Vithor die zijn groep leidde, stak zijn arm in de hoogte als teken dat ieder extra stilte in acht moest nemen. Zonder enig geluid gingen de mannen verder. De wapens in de hand, bereid tot strijd.

Vanuit het struikgewas zagen zij een kleine akker waarop vrouwen aan het werk waren. Vrouwen gelijk gekleed, hun hoofden vroom bedekt met een kap. De akker grensde aan een deels stenen gebouw met daarop een kleine toren en daarin een van brons gegoten klok. De heidense Denen wisten dat daar dikwijls een rijke buit te halen was.

Een kort en bijna woordloos overleg, en toen stortten de mannen zich op de vrouwen. Het gezang verstomde, maakte plaats voor gegil, ging bij de een over in gebed, bij een ander viel al direct het leven stil. In een mum van tijd was het veld veranderd in een dodenakker, en voort ging het naar het stenen gebouw. De klok luidde verward, wanhopig, maar zweeg al snel. De woestelingen trokken het gebouw binnen. Enkele jonge nonnen vielen al voor hun dood ten prooi aan de mannen. Verder gingen zij, op zoek naar buit en prooi.

De jonge Vithor leidde zijn mannen. Het bloed van onschuldige vrome vrouwen droop van zijn strijdbijl. En hij zocht vertrek op vertrek na. Alleen zocht hij, terwijl de mannen zich tegoed deden aan het voedsel en de wijn die ze vonden. Ze speelden met een geestelijke die zij achter een altaar aantroffen zoals een kat met een muis, voordat zij hem in hun dronken-schap gruwelijk doodden.

Een deur weigerde Vithor de toegang tot een vertrek, maar enkele slagen met zijn bijl deden het hout splijten. Toen... vol angst keken de mooiste ogen die hij ooit zag hem aan. In de ogen lag alles wat liefde was. Hij kon haar niets aandoen.

En hoewel de situatie dit niet toeliet, er een vreselijke angst rondom hing en de lucht doordrenkt was van de dood, was het alsof een hemels vuur het vertrek vulde. De liefde tussen twee jonge mensen was in een flits wederzijds.

Vithor de ruwe, strijdvaardige Deen vatte een tedere liefde op voor Clairesse, en ondanks de dood van veel van haar geloofsgenoten, de vlucht van anderen, en de plundering van het klooster, werd zijn liefde beantwoord. Gods wegen zijn soms ondoorgrondelijk.

'Ja, en als zij hem als haar man nam, dan was hij bereid zich tot haar geloof te bekeren en de goden uit zijn land van herkomst af te zweren. Ja, hij was bereid zich dan te vestigen, hier in dit waterrijke platte land, waar hij de zee en de verre reizen zou missen. Ja, en hij was dan bereid het leven van een landsman te leiden, en van geweld en strijd af te zien. Ja, hier bij de resten van het klooster van Elti (oude benaming voor Elden) zou hij met haar verder leven.'

Zijn manschappen liet hij vertrekken. De ruwe bolsters begrepen het niet. Voor een vrouw... hij kon haar toch ook als slavin meevoeren naar het eigen land. Maar verder trokken deze mannen en zij bouwden een burcht die van de bevolking de naam van de bewoners kreeg: Dannenburcht (een oude burcht/toren bij Huissen).

Vithor, de strijdvaardige Viking, die nu op het land zwoegde, die nu knielde voor een god die aan het kruis was gehangen, leefde het leven van een vrij man. Zeker niet dat van een horige. Wie immers zou hem durven onderwerpen? Hij, de onbevreesde? Ieder wist dat hij bij bedreiging van zijn Clairesse, of van één van de inmiddels elf uit hun liefde geboren zonen direct de strijdbijl ter hand zou nemen tot zelfbescherming. De fraaie, rijkelijk versierde strijdbijl die hij op verzoek van zijn Clairesse op een alleen voor hem bekende plaats in de woning had opgeborgen.

Maar haat kan een langzaam ontkiemende plant zijn, en deze plant was gezaaid door de vluchtelingen uit Meginhardeswich in een gehucht iets verderop, Arneijm (oude benaming van Arnhem) genoemd. Een gehucht gelegen aan enkele beken die vanuit het hogere land waar de arenden vertoefden hun water in de kreken stortten. Deze vluchtelingen wilden wraak voor de dood van velen van hun verwanten en vrienden, maar de moed ontbrak hen. Steeds zonnen zij op wraak, verkondigden zij dat deze heiden van komaf, deze christendoder, deze nonnenverkrachter, zijn straf niet mocht ontlopen. Maar geen durfde vooralsnog. En jarenlang brandde de haat niet zichtbaar, maar steeds werd hij gevoed.

Enkele brede vaarten, plassen en kreken scheidden de plaatsen Elti en Arneijm van elkaar. In het voorjaar was het snelstromende water uit de verre bergen de natuurlijke barrière tussen de twee plaatsen, en zorgde deze voor de veiligheid van Vithor en de zijnen. Juist dan hoefden zij minder waakzaam te zijn dan de rest van het jaar. Want Vithor wist van de haat, wist dat met na-ijver naar zijn geluk werd gekeken.

In Arneijm had zich een dienaar Gods gevestigd, en deze, horende de verhalen over de heiden en zijn zonen, spoorde aan tot wraak. En hij kreeg een gewillig oor bij de parochianen die niet alleen op wraak uit waren, maar die ook vertelden over schatten die de Deen op zijn rooftochten zich had toegeëigend, en die verstopt zouden zijn bij zijn woning. En hebzucht en haat gingen goed samen, maar de vrees was nog niet overwonnen. Maar menig preek moedigde aan, en plannen werden gesmeed. En men kwam overeen juist dan te gaan als die anderen vertrouwden op de bescherming gegeven door de natuur, het hoge water. En onderling gaf men elkaar het woord en wapens werden in stilte strijdklaar gemaakt.

Een voorjaarsstorm teisterde het land. De bergen hadden volop smeltwater aangevoerd, waarop schuimkoppen werden gevormd. Snelstromend ging het water naar een verre zee. Het water bracht bij de een rust, de rust van bescherming, en bij de ander de onrust tot wraak.

Enkele tientallen mannen uit Arneijm trekken onder bescherming van het duister het water over. Het is een nacht waarin een serene rust heerst binnen de boerderijmuren. Al vroeg heeft men de slaapstede gezocht, en de slaap is diep, want de natuur beschermt. In alle vertrouwen is zelfs een deur niet afgesloten, en dat vormt het noodlot van Vithor en de zijnen. Hoewel nog getracht wordt verzet te plegen, elkaar te waarschuwen voor de vijand, lukt het deze ieder binnen de boerderij te overrompelen. Slechts een schram of een snee wordt opgelopen, maar de verrassing is te groot. Zo ook de overmacht.

Clairesse wordt apart van de anderen in een hok geduwd, de deur gebarricadeerd. Man en zonen, de oudsten zwaar gekneveld, bewaakt door een grote groep. Bespot worden ze, gekweld ook, vooral de machtige Deen. De smeekbeden van Clairesse worden zwakker en zwakker.

De overvallers stropen de boerderij af, op zoek naar vroegere buit van de Deen, maar geen sieraad, geen kandelaar, geen goud of zilver wordt gevonden.

Maar spreken zal hij over de geheime bergplaats! Men gaat over tot wrede lichamelijke kwelling van de Deen, maar ondanks grote pijnen, geeft deze steeds aan dat niets uit zijn vroegere bestaan hier is.

De man Gods, die de oversteek heeft meegemaakt, oppert een vreselijk plan: als Vithor ondanks de tortuur niets wil zeggen, wellicht spreekt hij dan als hij de keus heeft: spreek of uw zoon sterft! En de oudste zoon wordt gehaald op het erf waar de storm overheen raast, en het geklots van het water hoorbaar is, en ondanks smeekbeden aarzelen de beulen niet als Vithor niets naar hun zin kan zeggen; met een enkele zwaardslag wordt het leven van de jonge man beëindigd. Zijn met edelstenen ingelegde strijdbijl offert hij dan aan de mannen, zijn enige kostbare bezit, hoopvol dat zij hiermee tevreden zijn, maar het is niet voldoende. En de tweede zoon volgt, en een derde, en reeds heeft de machteloze woestheid van de Deen plaatsgemaakt voor intens verdriet, maar hij kan niet aan de verdere verlangens van de mannen uit Arneijm voldoen. Uiteindelijk sterft ook de jongste zoon, een knaapje nog, door het zwaard.

De machtige Deen is ineengekrompen en is nauwelijks nog herkenbaar als de eens strijdbare man. In stilte rollen tranen over zijn gezicht. Alle trots, alle vechtlust is bij hem weg, tot een wrak is hij geworden. Elf lijken liggen op het erf. En de beulen, de moordenaars beseffen dat zij hem niet in leven kunnen laten, niet mogen laten, want een grote wraak zal hun deel zijn. En daarom sterft ook hij door datgene wat hij had afgezworen, het zwaard.

Slechts wat wijn en vlees, enkele stukken levende have en een fraaie Deense strijdbijl vormen de buit die de boten mee terugnemen over het woeste water. Als de laatste boot zich de golven op waagt, weet Clairesse zich vrij te maken uit haar opsluiting. En hoewel zij vermoedde wat zich heeft afgespeeld, treft de aanblik van de twaalf levenloze lichamen haar hevig. Van man tot zoon, van zoon tot zoon gaat zij, zich aan de haren trekkend, schreeuwend van verdriet. Huilend. Een onmenselijk leed is haar deel. En in haar verdriet schreeuwt zij de moordenaars na. Een vloek, een roep tot wraak.

'Vervloekt gij mannen van Arneijm. De elf zonen van Vithor en Clairesse zullen met hun dood voor u tot eeuwige schande zijn. Op deze grond zal u altijd oneer ten deel vallen en moge God u nooit voorspoed bieden. Tot zware boetedoening gedaan wordt.'

Maar de mannen, roeiend in regen en storm, drinkend van gestolen wijn, het klotsende water in het duister rondom hen, vangen slechts flarden van de verwensing op. Zij horen en onthouden slechts:

"Vervloekt…..Arneijm. De elf zonen van Vit…esse zullen …..voor u tot ….schande zijn. …Deze grond zal u altijd oneer ………bieden. Tot …..boetedoening gedaan wordt."

En na enkele eeuwen, toen het oorspronkelijke verhaal al vergeten was, en de onduidelijke woorden van Clairesse nog meer nietszeggend waren geworden, werden deze onbegrijpelijke, orakelachtige woorden, daar waar de monniken huisden, door een jonge monnik op perkament vastgelegd.

Het lichaam van haar Vithor wikkelt zij in een restant van een geel-zwart zeil. Het geel-zwarte, zijn stamkleuren. Liefdevol legt zij hem op een vlot, dat zij brandend te water laat. Zo laat zij hem reizen naar zijn geliefde zee.

Haar elf zonen begraaft ze een tiental meters buiten de ommuring van de boerderij. De boerderij waar ze in geluk leefde, maar die zij nu door vuur laat verteren.

Zelf gaat zij weer op zoek naar haar eerste goddelijke liefde in een gemeenschap van vrome vrouwen. Een klein klooster met een kleine wit gepleisterde kerk bouwt zij met hen op enkele honderden meters van de begraafplaats van haar zonen. Blinkend door de zon staat dit kerkje, meermaals door natuur of menselijk geweld vernietigd, altijd weer opgebouwd, in het groene lover. Vanuit Arneijm bijna altijd zichtbaar als een symbool van de schande. Schande voor het eerloos doden van Vithor en zijn elf zonen. Schande totdat eens boetedoening volgt.

Bijna 1200 jaar later werden bij de bouw van De Gelredome dicht bij elkaar de resten gevonden van elf skeletten. Skeletten van elf mannen en jongens. In eerste instantie werd gedacht dat het overblijfselen van soldaten uit de Tweede Wereldoorlog waren.

Onderzoek wees echter uit dat de resten aanzienlijk ouder waren. Uiteindelijk konden ze gedateerd worden op ongeveer 850 na Christus.


*   *   *

De elf zonen van Vithor en Clairesse Samenvatting
Een verhaal over een Viking die zich in Arnhem vestigt.

Toelichting
In mei 2011 is er vanuit Kunstbedrijf Arnhem een schrijfwedstrijd georganiseerd, waarin op zoek werd gegaan naar het volksverhaal van Arnhem. De winnaar werd Hanneke van den Heuvel: De verdwaalde boodschappenjongen. De aanmoedigingsprijs ging naar Simone Hendriks: Het Duivelshuis. Verder zijn er nog twee inzendingen op de Volksverhalen Almanak geplaatst: dit verhaal en het verhaal van Inge Vu: Rosita's grote liefde.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
Inzending voor het volksverhaal van Arnhem. Geschreven door Frits van het Hoofd.

Herkomst: Gelderland
Verteltijd: ca. 18 min.
Leeftijd: vanaf 12 jaar

Lees ook