Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 17 min.
Herkomst:




De geest in de lantaarn

Lang geleden leefde er in de stad Aojagi, in de provincie Kai, een man die Koharoe Tomosaboero heette en tot een aanzienlijk samoerai-geslacht behoorde. Zijn grootvader had gediend onder Ota Dokan, de stichter van Yedo. Toen deze in de strijd sneuvelde, pleegde de grootvader, die bekend stond om zijn dapperheid, op de gebruikelijke manier harakiri.

Tomosaboero was gelukkig getrouwd en had een zoon die, op het moment dat dit verhaal begint, tien jaar oud was.

Op een dag werd zijn vrouw zo ziek dat zij niet meer in staat was van haar slaapmat op te staan. Verschillende artsen werden geraadpleegd, maar niemand van hen kon de oorzaak van de geheimzinnige ziekte verklaren, en de medicijnen die zij innam, hadden niet de minste uitwerking.

De vrouw kwijnde langzaam weg en het enige wat Tomosaboero kon doen, was dag en nacht bij haar sponde te waken en haar zoveel mogelijk te troosten.

Op een avond toen hij door slaap overmand langzaam was ingedommeld, werd hij plotseling opgeschrikt door het opflikkeren van het licht van de lantaarn. In de rode gloed die zich naar boven verspreidde, zag hij de gestalte van een vrouw verschijnen, die deze woorden tot hem richtte:

"Ik weet datje erg bezorgd bent over het lot van je vrouw, en ik weet ook wat de reden van haar ziekte is. Het is de straf voor de zonden die zij begaan heeft, en daarom is zij nu door een duivel bezeten. Maar wanneer je mij aanroept en vereert, zal ik de demon die haar kwelt, uitdrijven."

Het is begrijpelijk dat Tomosaboero zeer verrast was door de plotselinge verschijning, maar omdat hij als een rechtgeaarde samoerai niet de minste vrees kende, trok hij meteen het zwaard uit de schede en wilde het spook te lijf gaan. Toen de geest dit zag, zei zij honend:

Ik wil je alleen maar helpen, beste Tomosaboero, maar inplaats van dat je dit waardeert, toon je je vijandig. Dat is niet erg verstandig van je, want nu zal je vrouw het gelag moeten betalen." En meteen was zij verdwenen.

"Och, het mocht wat, zo'n spook," dacht Tomosaboero bij zichzelf. "Die geesten hebben altijd zoveel praatjes, maar het zijn dwazen die aan hun woorden geloof hechten. Bovendien zijn zij zo bang als een wezel, want toen ik alleen maar mijn zwaard greep, ging zij er al vandoor." Op alle mogelijke manieren trachtte hij zichzelf gerust te stellen en zich voor te houden dat de geestverschijning niets te betekenen had, ja zelfs dat het alleen maar een nare droom was geweest.

Maar de toestand van zijn vrouw werd met de dag slechter. De dokters verklaarden dat haar geval hopeloos was en dat zij nog maar enkele dagen te leven had. Toen begon de samoerai spijt te krijgen van zijn gedrag tegenover de geest. Had zij niet het beste met hem voorgehad en was hij zelf niet te opvliegend geweest? Moest hij niet alle middelen aanwenden om de genezing van zijn vrouw mogelijk te maken? Was het niet bijna te laat? Hij boog zich nu voor het familiealtaar en smeekte de geest van de lantaarn zijn onbehoorlijk gedrag te willen vergeven en zijn vrouw te genezen.

En werkelijk, vanaf dat moment begon de zieke zienderogen te herstellen. Elke dag knapte zij meer op en na enkele dagen was zij zo ver dat zij weer door het huis kon lopen en dat het haar leek of haar ziekte slechts een akelige droom was geweest. Tomosaboero van zijn kant was nu ook niet te beroerd om de geest hartelijk voor haar bemiddeling te bedanken.

Op een avond zaten de echtelieden tegenover elkaar en maakten plannen voor een vakantiereisje, toen het licht in de lantaarn plotseling opflikkerde en de geest zich weer vertoonde in een zuil van stralend licht.

"Niettegenstaande je onvriendelijke ontvangst toen ik je voor het eerst ontmoette, heb ik toch de duivel uitgedreven, nadat je berouw getoond hebt. Nu wil ik je om een gunst vragen, Tomosaboero San. Een van mijn dochters staat op het punt om te trouwen, en ik zou graag zien dat jij en je vrouw op de bruiloft aanwezig zijn."

Voordat de samoerai hierop had kunnen antwoorden, was de geest alweer verdwenen. Tomosaboero en zijn vrouw vonden het wel een griezelig idee een geestenbruiloft te moeten bijwonen, maar zij waren het erover eens dat zij deze uitnodiging eigenlijk niet konden negeren.

De volgende avond, prompt om dezelfde tijd was de geest er weer en zei: "De voorbereidingen voor de bruiloft zijn thans gereed en alle gasten wachten met ongeduld op jullie komst. Wees zo goed om mij te volgen." Met een plotselinge ruk vloog zij uit de lantaarn, zweefde door de kamer en bereikte het voorportaal. Daar keek zij om en beduidde met gebaren dat het echtpaar haar moest volgen. Zonder het eigenlijk goed te beseffen, liepen Tomosaboero en zijn vrouw achter de geest aan en kwamen voor de ingang van hun huis. Daar zagen zij een stoet vreemdelingen staan die hen blijkbaar opwachtten. Er verschenen vier dragers in livrei die voor hun verbaasde ogen twee prachtig bewerkte draagkoetsen neerzetten. Een kerel die wel twee hoofden boven de anderen uitstak, kwam naar voren en zei op plechtige toon:

"Edelachtbare heer! Deze draagkoetsen hebben wij ten uwe gerieve meegebracht. Gelieve in te stappen, opdat wij U naar uw bestemming kunnen brengen."

Alle leden van het gevolg maakten een diepe buiging en herhaalden in koor:

"Alstublieft, gelieve in te stappen."

Tomosaboero en zijn vrouw waren niet alleen verbaasd over de rijke kledij van het gevolg, de gouden schittering van de draagkoetsen en de pracht van de banieren, zij waren ook benieuwd hoe dit avontuur zou aflopen. Niettemin liet de samoerai niet de minste aarzeling blijken en nam hij plaats in de eerste draagkoets. Zijn vrouw ging in de tweede zitten en toen hieven de banierdragers hun vanen in de hoogte en zette de stoet zich in beweging.

Het was een doodstille en pikdonkere nacht. Er was geen maan en zelfs geen ster aan het firmanent te bekennen, want dikke wolken verduisterden de hemel. Zacht en geluidloos zweefden de draagkoetsen door de ruimte, en Tomosaboero wist werkelijk niet of zij nog op aarde waren of door de lucht vlogen. Eindelijk werd het wat lichter en kon de samoerai door de bamboeblinden van zijn draagkoets de hoekige omtrekken ontwaren van een groot paleis dat in een prachtig park met hoge bomen lag.

De stoet hield voor de hoofdingang van het paleis stil, waar de samoerai en zijn vrouw uitstapten en waar hele rijen bedienden klaar stonden om hen op te wachten. Zij betraden het paleis en werden door eindeloze gangen geleid, waarvan de houten vloeren glommen als spiegels, en door voorkamers en nevenkamers tot zij tenslotte een ontvangstzaal bereikten, waarvan de meubilering en de aankleding alles overtrof wat zij ooit gezien hadden. Tomosaboero en zijn vrouw mochten bij de haard plaats nemen en bedienden en diensters liepen af en aan om hen de meest uitgelezen spijzen en dranken aan te bieden.

Nadat zij zich tegoed gedaan hadden, verscheen er een ceremoniemeester met een zilveren staf die op plechtige wijze aankondigde dat het uur nu was aangebroken waarop het feest kon beginnen. De echtgenoten volgden hem en zij bereikten een indrukwekkende gastenzaal, waar het een drukte en geroezemoes van jewelste was.

Het viel Tomosaboero wel op dat hij onder de gasten zoveel bekende gezichten zag, gezichten van oude bekenden die al lang geleden waren gestorven. Maar niemand van dezen scheen hem of zijn vrouw te herkennen. Plotseling drong het tot hem door dat hij in de onderwereld terecht was gekomen en dat de bruiloftsgasten feest vierden in de "meido," het schimmenrijk.

In de feestzaal zaten bruidegom en bruid om de gelukwensen van de gasten in ontvangst te nemen. Daarna begaf men zich naar de feestdis waar de meest verfijnde spijzen werden opgediend. De opsomming van de verschillende gangen van het feestmaal zou teveel plaats innemen. Ik wil alleen vermelden dat de wijn - en wat voor een wijn - rijkelijk vloeide en dat het hele gezelschap zich zo uitstekend vermaakte dat de algemene vrolijkheid tot de verste hoeken van het paleis doordrong.

De samoerai en zijn vrouw die altijd verondersteld hadden dat de onderwereld een naar en griezelig oord moest zijn, kwamen nu tot geheel andere gedachten. Het moet trouwens gezegd dat Tomosaboero de wijn zo duchtig had aangesproken dat hij helemaal vergeten was dat hij zich in de onderwereld bevond.

Tegen het middernachtelijk uur had het feest zijn hoogtepunt bereikt, maar niemand van de gasten scheen aanstalten te maken om te vertrekken. Ook Tomosaboero had het begrip voor tijd verloren. Hij was in een geanimeerd gesprek gewikkeld met zijn tafeldame, een bijzonder knappe en charmante geest die hem verklaarde dat er maar één gelukkige plaats op de wereld was, en dat was de meido.

Opeens kraaide de haan. Door de transparante, papieren ramen zagen Tomosaboero en zijn vrouw het licht van de vroege morgen naar binnen dringen. En op hetzelfde ogenblik bevonden zij zich weer in hun eigen huis en zaten zij in hun eigen kamer. Zij wreven hun ogen uit en keken elkaar verwonderd aan.

"Dat was het dus," zei de samoerai. Ik moet zeggen dat ik zelden zo'n groots feest heb meegemaakt."

Ik vond de geest van de lantaarn bijzonder hartelijk en ik geloof dat zij ons ook wel mag," meende zijn vrouw.

"Dat kun jij wel vinden, maar ik denk er anders over en ik ben ook van mening dat de relatie met de geestenwereld ons op den duur niet veel goeds zal brengen."

"Wat ben je toch een zwartkijker," schertste zijn vrouw. "Hebben wij het niet aan de geest te danken dat ik nu weer gezond ben?"

Tomosaboero deed er het zwijgen toe en in stilte hoopte hij dat de geest zich nooit meer zou laten zien. Maar nog diezelfde avond vlamde het licht van de lantaarn weer op en vertoonde zij zich.

"Beste Tomosaboero," zei zij allervriendelijkst, "ik ben erg blij dat jullie op het bruiloftsfeest zijn geweest en ik hoop dat jullie je geamuseerd hebben. Maar nu wil ik je nog iets vragen. Ik weet dat je niet onvermogend bent en dat je erg dankbaar bent voor wat ik voor je gedaan heb. Alles wat ik van je vraag is datje voor mij een tempel bouwt, waarin mijn beeld prijken zal. Hang er ook een paar spreuken op, waaruit blijkt dat ik mensen die door de duivel zijn bezeten, kan genezen. Ik heb altijd al een eigen tempel willen hebben, en jij bent de man die ervoor kunt zorgen. Wil je dit voor mij doen?"

Of de samoerai al geprikkeld was door de vermoeienissen van de vorige nacht, of dat hij nu eenmaal een hekel aan deze geest had, is moeilijk uit te maken; hij ontvlamde in ieder geval in woede, nam zijn houten hoofdsteun op en mikte hem met feilloze zekerheid naar het hoofd van de onwelkome gast. Het voorwerp trof dan ook doel en met een langgerekt en kermend woe-woe-woe-geroep verdween de geest en doofde het licht van de lantaarn.

Vanaf dat ogenblik werd de vrouw van Tomosaboero opnieuw ziek en haar toestand verergerde zo snel dat zij na twee dagen overleed.

"Wat was hij weer driftig geweest," overdacht de samoerai, toen hij door dit ongeluk was getroffen. "Had hij zich niet beter kunnen beheersen, en had zijn vriend Amoero hem niet dikwijls voorgehouden; "Met geesten valt niet te spotten"?"

Maar nu was het te laat, en het was zelfs nog niet het einde van zijn verdriet. Een paar dagen later werd ook zijn zoontje ernstig ziek en overleed spoedig.

Tomosaboero kon geen geluk en vrede meer vinden in het huis waarin hij zoveel had meegemaakt. Hij verkocht zijn huis, met alles wat er in stond, en trok zich voor zijn verder leven terug in een klooster.

Zo vreselijk was de wraak van de geest van de lantaarn!


*   *   *

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Japanse sagen en verhalen" door M.A. Prick van Wely. Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, 1979. ISBN: 90-228-3346-1.

Herkomst: Japan
Verteltijd: ca. 17 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook