Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 18 min.
Herkomst:




De geest van de bron Een Turks volksverhaal over een geest die bang is voor een feeks

Eens, in een tijd dat er nog geen tijd was, in de dagen dat mijn moeder mijn dochter was en ik de moeder van mijn moeder, dat de vogels en andere dieren nog konden spreken en dat de rozen jonge meisjes waren die door een tovenaar waren behekst, in die tijd gingen wij eens op weg. Wij liepen een kort eind en een lang eind, wij liepen over heuvels en bergen, door vlakten en valleien en wij liepen maanden lang, maar toen wij omkeken, merkten wij dat wij nog geen stap verder gekomen waren. Wij liepen dus maar weer verder tot wij bij de paleistuin kwamen van de keizer van China. Daar zagen wij een molenaar die meel aan het zeven was en aan zijn voeten lag een kat. Deze kat had pijn aan zijn linkeroog en aan zijn rechteroog, zij had pijn aan haar neus en in haar bek, pijn in haar keel en in haar oor. Zij had pijn aan haar voorpoten en aan haar achterpoten, aan haar huid en aan haar staart, kortom er was geen plekje waar de kat geen pijn had. Daar in de buurt leefde een arme houthakker, die niets anders op de wereld bezat dan zijn armoede en een helleveeg van een vrouw. Wanneer de arme man iets verdiend had, nam zijn vrouw het hem af, zodat hij nooit een stuiver overhield. Wanneer het eten te zout was - en dat gebeurde nog al eens - en hij waagde op te merken: "Moeder, kan het zijn dat het eten iets te zout is?" werd zij zó nijdig dat zij er de volgende dag helemaal geen zout in deed. Wanneer hij dan zei: "Het eten is zo flauw, moeder," dan smeet zij hem de inhoud van het zoutvat in zijn gezicht. Luister hoe het verder met deze man ging. Hij had een paar stuivers opgespaard en op een verborgen plaats neergelegd, want hij wilde er een touw voor kopen om zich op te hangen. Maar zijn vrouw had het natuurlijk weer ontdekt en zij kijfde: "Dacht ik het niet! Je hebt dat geld zeker verstopt om het met je vrienden te verbrassen, hé?" Hoe de man ook zwoer dat dit niet zo was, zij wilde hem niet geloven. Eindelijk flapte de man eruit: "Ik wilde voor dat geld een touw kopen."

"Zeker om jezelf op te hangen, hè?" informeerde zijn toegewijde wederhelft.

"Wat maak je toch een drukte om zo'n kleinigheid," zei de man die haar wat wilde kalmeren. Maar dat was aan het verkeerde adres gezegd. Zij schoot nu pas echt uit haar slof: "Jij nietsnut, jij domkop, ik zal je leren je op te hangen!" gilde zij, terwijl zij hem om de oren sloeg dat het hem groen en geel voor de ogen werd.

De volgende morgen stond de houthakker vroeg op, zadelde zijn kreupele ezel en trok de bergen in. Het enige dat hij tegen zijn vrouw zei, was dat zij hem niet moest volgen.

"Wie weet wat hij daarginder gaat uitvoeren," dacht zij, en zij zadelde haar eigen ezel, die van een beter soort was, en ging haar echtgenoot achterna. De man deed of hij niets merkte. Hij steeg van de ezel af, die bijna in elkaar zakte, en begon aan de voet van de berg ijverig hout te hakken. Ondertussen liep de feeks wat rond, snuffelde hier en snuffelde daar, tot haar aandacht werd getrokken door een verlaten bron die tussen de struiken verborgen lag. "Kijk uit!" zei de man die haar wel in de gaten hield, "pas op dat je niet in die bron valt!" De vrouw trok zich er weinig van aan. "Die kerel denkt zeker dat ik niet op mezelf kan passen," mompelde zij en zij kwam steeds dichterbij. Evenals een kind dat door het gevaar wordt aangetrokken, kwam zij steeds een stapje nader. Opeens gaf de aarde onder haar mee en met een langgerekte kreet verdween zij in de diepte.

"Niets meer aan te doen," zei de man die het gehoord had berustend en hij ging door met zijn werk.

's Avonds leidde hij de twee ezels naar huis en maakte hij een maaltijd klaar die nu eens niet te zout en niet te flauw was.

De volgende dag trok hij er weer op uit. "Ik wil toch wel eens zien, wat er van mijn vrouw.terecht is gekomen," dacht hij en hij liep naar de opening van de bron en keek of hij nog een levensteken van haar kon opvangen. "Tenslotte is zij toch mijn vrouw," overdacht hij, "en wie weet of zij haar leven nog niet eens zal beteren."

Hij nam het touw dat hij die ochtend gekocht had en liet het in de bron zakken.

"Grijp het touw vast, moeder, dan zal ik je naar boven trekken," riep hij naar beneden en hij wachtte daarna geduldig.

Plotseling merkte hij dat er aan het touw getrokken werd. Maar, mijn hemel, hij wist niet dat zijn vrouw zó zwaar was! Hij rukte en hij trok, hij sjorde en hij sleepte, maar het leek wel of er zich een regiment dragonders aan het touw had vastgeklampt. En wat verscheen er aan de rand van de bron? Het afschuwelijke gelaat van een geest! De houthakker voelde het bloed in zijn aderen stollen, maar de geest stelde hem gerust: "Vrees niet, arme man! De Almachtige zal je eens voor je daad belonen, want je hebt mij uit een groot gevaar gered."

De man trok de geest, die wel twee keer zo groot was als hijzelf naar boven en toen begon de geest van de bron te vertellen.

"Ik heb al heel wat jaartjes in deze put doorgebracht en nooit moeilijkheden ondervonden. Maar gisteren - hoe het gebeurde weet ik nog niet - kwam er een oude vrouw op mijn schouders terecht en trok mij zo hardhandig aan mijn oren dat ik mij niet meer van haar kon bevrijden. Ik moet zeggen, het was geen aangenaam gezelschap en ik was dan ook blij dat er iemand naar deze afgelegen plek kwam om een touw naar beneden te laten zakken. Dat wijf wilde het meteen grijpen, maar ik was haar te vlug af en zo werd ik gered, Allah zij geprezen! Goede daden moeten altijd worden beloond; luister daarom wat ik je te zeggen heb!"

De geest haalde drie houten tafeltjes tevoorschijn en vervolgde zijn verhaal: "Ik ga nu bezit nemen van het lichaam van de sultansdochter. Tot nu toe is de prinses gezond en wel, maar zo gauw ik van haar bezit heb genomen, zal zij gekweld worden door erge hoofdpijn, en niemand zal haar ervan kunnen verlossen. Zo gauw je dit verneemt, moet je naar de padisjah gaan, de tafeltjes met water bevochtigen en deze op haar lichaam leggen. Zij zal dan terstond genezen en je zult een rijke beloning ontvangen." De houthakker nam de drie tafeltjes aan en de geest ging naar rechts en hij ging naar links en was verdwenen.

Enkele ogenblikken later bevond de geest zich in de serail van de sultan en nam bezit van zijn arme dochter. Het meisje viel meteen op de grond neer en werd door een afschuwelijke hoofdpijn gekweld. "O, mijn hoofd, mijn arm hoofd!" klaagde zij zonder ophouden.

Toen het de sultan ter ore kwam, zond hij een leger geneesheren naar haar ziekbed. De ene probeerde het met aderlaten, de ander met kruiden, en weer anderen met hete kompressen, medicijnen en het branden van wierook, maar niets hielp. Het geklaag van het meisje "O, mijn hoofd, mijn arm hoofd!" was werkelijk hartverscheurend en sneed de omstanders door de ziel.

"O, mijn lief kind," snikte de padisjah, "wat kan ik voor je doen? Wanneer jij pijn lijdt, onderga ik nog duizendmaal grotere pijnen! En gij heren," zei hij zich tot de artsen wendend, "kunt nu wel verdwijnen. Ik zal mijn sterrenwichelaars raadplegen. Misschien hebben zij meer succes." Aldus werden alle astrologen en wijze mannen aan het hof opgetrommeld om zich over het probleem van de ziekte van de sultane te buigen, maar de sultan werd er niet veel wijzer door.

Wat was er intussen met die arme houthakker gebeurd?

Hij was zijn vrouw totaal vergeten, en zelfs dacht hij niet meer aan de geest en de drie houten tafeltjes die hij van hem gekregen had. Maar op een goede dag reed er een boodschapper van de sultan door die streek en las luid de volgende proclamatie voor: "Wij doen U hierbij kond dat de dochter van de sultan ernstig ziek is. De geneesheren, astrologen en wijze mannen van het hof hebben getracht haar te genezen, maar zonder resultaat. Degene die haar van haar kwaal kan verlossen, zal met haar mogen trouwen, wanneer hij een moslim is; en wanneer hij een ongelovige is, zal hij rijkelijk worden beloond." Opeens dacht de houthakker aan de belofte van de geest. Hij liep naar de heraut toe en zei: "Bij de genade van Allah en met zijn hulp hoop ik de sultane te kunnen genezen, wanneer zij tenminste nog in leven is."

De oude man werd onmiddellijk naar het paleis van de sultan gebracht en even later stond hij aan het ziekbed van de prinses. Hij haalde de houten tafeltjes tevoorschijn en legde deze op het lichaam van het arme meisje. Meteen werd zij van haar verschrikkelijke hoofdpijn verlost en voelde zij zich of zij nooit ziek was geweest. Er heerste grote vreugde in de serail en de houthakker mocht met de sultane trouwen, zoals was afgesproken.

Nu had de sultan een broeder die padisjah was in een naburig rijk. Ook hij had een dochter, die zijn oogappel was. Nadat de geest van de bron was uitgedreven door de toverkracht van de tabletten, had hij bezit van dit meisje genomen. Zij werd nu door dezelfde kwaal gekweld waaraan haar nicht had geleden. Ook voor haar bleek geen genezing mogelijk te zijn.

Toen haar vader vernam op welke wonderbaarlijke wijze de dochter van zijn broeder genezen was, zond hij een groot gevolg naar het naburig koninkrijk met het verzoek de schoonzoon van de sultan zijn dochter te laten behandelen. Wanneer hij erin zou slagen haar te genezen, zou hij haar als tweede vrouw mogen huwen.

Natuurlijk kon de sultan een dergelijk verzoek niet weigeren en de prins evenmin. Hij maakte zich gereed voor de lange reis, nam afscheid van zijn vrouw en zijn schoonvader en hij vergat niet de houten tafels mee te nemen.

Zo werd hij naar het ziekbed van de prinses gebracht die niets anders deed dan zuchten en steunen: "O, mijn hoofd, mijn arm hoofd!" Maar de geest werd woedend toen hij zijn oude kameraad weer terugzag, en hij sprak door de mond van het meisje: "Ik heb mijn woord gehouden en het lichaam van de mooie sultansdochter verlaten, maar nu ik bezit heb genomen van een ander meisje, wil je mij er weer uitdrijven? Dat is niet volgens afspraak en wanneer je haar met de tabletten behandelt, zul je er spijt van krijgen."

De oude man dacht even na en zei toen: "Ik kom hier niet om dit meisje te genezen, hoewel ik hiervoor wel ontboden ben, neen, ik wil je alleen maar iets vragen." - "En dat is?" vroeg de geest nieuwsgierig. "Je weet, dat ik mijn vrouw in die bron heb achtergelaten. Ik was eigenlijk blij dat ik van haar bevrijd was, maar helaas zij is weer terug en ik zit mooi met haar opgescheept."

"Wat zeg je?" zei de geest verschrikt, "dat is toch niet mogelijk!" - "Wis en waarachtig," zuchtte de oude man, "zij volgt mij overal op de voet. Zij staat nu voor de deur om ons af te luisteren." Hij had het nauwelijks gezegd of de geest verliet het lichaam van de prinses, hij verliet de serail, de stad en het hele koninkrijk, zó bang was hij dat hij nog eens dat oude katijf zou ontmoeten. Waar hij heen is gegaan weet niemand, maar zeker is dat hij nooit meer op dit ondermaanse is gezien.

De tweede prinses was nu ook genezen en zij trouwde met de gewezen houthakker. Wanneer men op zo'n oude leeftijd nog twee beeldschone, jonge vrouwen heeft, mag men zich gelukkig prijzen. Moge Allah U ook jonge en mooie vrouwen schenken!


*   *   *

De geest van de bron Samenvatting
Een Turks volksverhaal over een geest die bang is voor een feeks.

Toelichting
Vergelijk met het Finse volksverhaal Het rotwijf.

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Volkssprookjes en legenden uit Turkije" door M. Prick van Wely. Elmar B.V., Rijswijk, 1980. ISBN: 90-6120-173-X

Herkomst: Turkije
Verteltijd: ca. 18 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook