Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 22 min.
Herkomst:




De geheimzinnige pelgrim

Tijdens de regering van heer Raymond, vorst van Berenger, ging het er aan zijn hof te Aix-en-Provence vrolijk toe. Van heinde en ver vonden goochelaars, acrobaten, vuurvreters, jongleurs en degenslikkers de weg naar het hof om hun kunsten voor de vorst en zijn gasten te vertonen. Maar ook gevechten en toernooien werden hier gehouden, en menig dolend ridder, die enigszins met lans, speer of strijdbijl overweg kon, onderbrak hier graag zijn reis om zijn krachten met die van de anderen te meten.

Hoewel heer Raymond geen wedstrijd oversloeg, ging zijn grootste bewondering uit naar de dichters en zangers. Voor hen organiseerde hij wedstrijden in het componeren en declameren van canzones, cantates, romances en ballades, en vaak droeg hij bij zo'n gelegenheid zijn eigen verzen voor. De deelnemers stelde hij waardevolle prijzen in het vooruitzicht, zoals zeldzame wapens uit Damascus, sieraden, hermelijnen mantels of rijk verlucht-perkament.

Geen wonder dus, dat het op zijn residentie een komen en gaan was van pseudo-kunstenaars, vleiers en klaplopers, want ook degene wiens enige verdienste lag in het feit, dat hij een goed bereide maaltijd wist te waarderen vond hier een vorstelijk onthaal.

Kosten noch moeite werden aan het eten gespaard, en voor de koninklijke tafel was alleen het beste goed genoeg. Heer Raymond had koks in dienst, die tot de beste op hun gebied behoorden, die elk gerecht tot een volmaakte compositie van smaak, geur en kleur wisten te creëren. Ook nu nog zou de meest verwende fijnproever zijn hart kunnen ophalen aan het wildbraad, de zout- en zoetwatervissen, pasteien en desserts, in gezelschap van de kostelijke wijnen uit de koninklijke kelder.

Maar ook de schatkist van de rijkste koning raakt op die manier snel leeg, dus erg lang kon het zo niet doorgaan; temeer omdat heer Raymond zich in het geheel niet om zijn vorstendom bekommerde. De pachters leverden hem precies zoveel als ze zelf goeddunkten, en bovendien namen ze bij elk bezoek iets van hun gading mee naar huis. Er kwam een dag, dat de kale muren zijn enige gezelschap waren...

Berooid bleef de vorst achter, samen met zijn huwbare dochters Marguerita, Eleonora, Sancha en de jongste, Beatrix, en geen van hen bezat een bruidsschat!

De meisjes waren mooi, beschaafd en van voorname afkomst, maar zonder bruidsschat had hun schoonheid weinig waarde en zouden ze geen goed huwelijk kunnen sluiten!

Hun vader deed alle moeite om een bruidegom voor hen te vinden, en in zijn wanhoop vroeg hij zelfs de paus om hulp. Maar deze had het geld zelf veel te hard nodig om er zijn zoveelste kruistocht van te kunnen betalen, en dacht er eenvoudig niet over om het aan de verkwistende heer Raymond te besteden.

Op Kerstavond, toen het buiten bitter koud was, zat heer Raymond aan zijn tafel en at het laatste stuk brood met olijven en dronk de laatste wijn, treurig naar de kale muren starend, waarop het zwakke schijnsel van een fakkel dapper maar tevergeefs probeerde de duisternis te verdrijven.

Plotseling rook hij de geur van rozemarijn. De deur knarste en als uit de hemel gevallen stond daar op de drempel een pelgrim met een lange, witte baard. Hij droeg een versleten kiel, een oude hoed en in zijn rechterhand een stok, terwijl de linker de geurende twijg vasthield.

"De deur was open, daarom ben ik zo vrij geweest binnen te komen, edele heer," zei de oude man. "Het enige wat ik vraag is, een poosje bij het vuur te mogen zitten..."

"Ga gerust zitten, als je denkt dat het hier behaaglijker is. Ik zou je graag een aalmoes willen geven, maar het enige wat ik bezit zie je hier op tafel staan. Ik deel het graag met je, als je daar prijs op stelt," antwoordde de vorst.

De pelgrim stemde zwijgend toe. Hij ging aan tafel zitten en samen aten ze het restant van het armzalige kerstmaal.

Daarna stortte de vorst zijn hart uit bij de oude man, die een geduldig toehoorder bleek te zijn. Hij beklaagde zich niet over zijn eigen lot, omdat hij heel goed wist dat alles aan zijn eigen onbedachtzaamheid was te wijten. Maar het droevige lot van zijn dochters ging hem ter harte - waarom moesten ze voor zijn daden boeten?

Daarop antwoordde de oude man resoluut: "Maakt u niet te veel zorgen, heer. Uw dochters krijgen een flinke bruidsschat. Het enige wat u daarvoor hoeft te doen is, me als beheerder over uw goederen aan te stellen..."

"Zou je dat heus willen doen?" vroeg de vorst. "Ik ben zo langzamerhand ten einde raad. Maar wat vraag je als beloning voor je diensten? Vergeet niet, dat ik zo arm ben als een kerkrat."

"Eten en drinken, en een kleine kamer om te overnachten, dat is voldoende," glimlachte de pelgrim. Even later voegde hij er nog aan toe: "Ik zou het op prijs stellen, als het venster uitkeek in de richting van het Heilige Land."

Voor heer Raymond was dit zo'n eenvoudige oplossing, dat hij in de pelgrim een wonderdoener zag, die juist op tijd was gekomen om redding te brengen voor zijn hopeloze situatie. Onmiddellijk begon hij voor hem een kamer te zoeken, die aan de verwachtingen beantwoordde, en weldra had hij er een gevonden in de hoogste toren. Weliswaar was het een pover kamertje, dat nog kortgeleden als duiventil had dienst gedaan, maar de pelgrim was er tevreden mee. Het enige venster keek namelijk op het zuid-oosten uit, in de richting waar hij in de nevelige verte het graf van de Verlosser kon vermoeden.

Na nieuwjaar begon de nieuwe rentmeester aan zijn taak. Om beurten bezocht hij alle boerderijen, hoeven en dorpen en bracht met groot geduld weer orde op zaken. Hoewel de pachters aanvankelijk niet veel vertrouwen in hem hadden en hem vanwege zijn oude kiel zelfs een beetje belachelijk vonden, slaagde hij er door zijn vriendelijk en tactvol optreden in, iedereen voor zich te winnen, zelfs degenen, die de soevereiniteit van de vorst maar moeilijk konden erkennen.

De Provence begon weer tot bloei te komen. Heer Raymond herkreeg zijn vroegere aanzien en na drie jaar kon hij zijn rentmeester verheugd meedelen:

"Ik heb dankzij jouw hulp vier volle kisten goud kunnen sparen. Het is genoeg om mijn dochters als bruidsschat mee te geven. Wat denk je ervan, zullen we voor ieder van hen een andere kleur voor de uitzet kiezen en de kist dan in deze kleur met edelstenen inleggen?"

"Ik ben het er niet mee eens, heer," zei de pelgrim hoofdschuddend. "Hoewel u met uw eigendommen kunt handelen zoals u goeddunkt, moet u toch voorzichtig te werk gaan. Het goud kreeg u door het zweet en door het harde werken van uw onderdanen, en zij hebben er recht op, dat het ook hen ten goede komt. Zo moet het voor hen mogelijk zijn, in rust en vrede te leven, zonder angst voor de strooptochten van de rovers uit de buurt. En het is ook nog niet zo lang geleden, dat dit gebied werd geteisterd door de aanvallen van de Saracenen."

"Je raadt me dus aan, een leger te werven en mijn dochters geen uitzet mee te geven?" vroeg de vorst verwonderd.

Maar de rentmeester schudde glimlachend zijn hoofd: "Nee, want ook die vier kisten zullen nog niet voldoende zijn voor het leger dat u voor ogen staat. Wat de Provence nodig heeft, is de bescherming van een koninklijk leger. En u kunt de gunst van de Franse koning winnen door hem uw oudste dochter als vrouw te geven!"

"Maar hoe staat het dan met de bruidsschat? Eén kist met goud - dat is voor een toekomstig koningin veel te weinig," bracht heer Raymond naar voren.

"Daar heb ik ook al over nagedacht," zei de rentmeester. "U moet Marguerita alle vier de kisten meegeven. Wees niet bezorgd, het zal uw andere drie dochters geen windeieren leggen, want iedereen die het koninklijk hof bezoekt zal proberen om in de gunst te komen van de zusters der koningin. Ook zonder bruidsschat zullen ze dus een begeerde partij zijn."

De vorst zag wel in, dat zijn rentmeester niet alleen uitstekend zaken kon behartigen, maar ook niets onbeproefd liet wat zijn gezin of zijn Provence ten goede zou komen.

Hij volgde dus zijn raad op en weldra reisde hij met zijn dochter Marguerita naar de koning in Parijs.

Die koning was Lodewijk IX. Nauwelijks zag hij de oudste dochter van heer Raymond, of hij werd tot over zijn oren op haar verliefd en als het aan hem had gelegen, dan was hij nog diezelfde dag met haar in het huwelijk getreden. Maar zijn moeder, de oude koningin, was voorzichtiger en gaf pas toestemming voor het huwelijk, nadat ze zich had overtuigd van de beschaving en voorname afkomst van het meisje en vóór alles haar bruidsschat had gecontroleerd.

Alles gebeurde dus, zoals de grijze rentmeester had voorspeld.

Nu stond niets meer het huwelijk in de weg, en de bruiloftsgasten werden naar het Louvre uitgenodigd.

Heer Raymond twijfelde er niet meer aan, dat op die bewuste kerstdag de goddelijke voorzienigheid zelf de pelgrim naar Aix-en-Provence had gezonden. Hij volgde nu al zijn raadgevingen letterlijk op en stuurde onmiddellijk na de bruiloft zijn andere drie dochters naar het koninklijk hof.

En nog voor het jaar ten einde was, huwde Eleonora de Engelse koning Frederik-III, die naar Parijs was gekomen om over de vrede te onderhandelen.

Richard van Cornwall, Frederiks broer, nam de derde dochter Sancha tot vrouw, en haar schoonheid hielp hem later om Duits koning en Rooms keizer te worden.

Alleen de jongste dochter, Beatrix, bleef nog ongehuwd. Niet dat zij gebrek aan bewonderaars had: vorsten, graven en ook koningen hadden haar een aanzoek gedaan, maar de een na de ander wees ze af.

Toen reisde heer Raymond naar Parijs en vroeg haar ronduit waarom ze zo handelde.

"Het is echt niet mijn bedoeling, ongetrouwd te blijven, vader," antwoordde het meisje openhartig. "Maar als ik mijn man naar verre landen moet volgen, zoals bijvoorbeeld Engeland, dan blijf ik liever bij jou in onze Provence, want de Provence blijft voor mij het mooiste land op aarde..."

Toen de vorst weer naar huis was teruggekeerd en zijn rentmeester om raad vroeg, zei de oude man peinzend, toen hij alles had gehoord: "Het is duidelijk heer, uw dochter zal alleen met een man trouwen, die met haar in de Provence blijft... Maar misschien weet ik wel een geschikte bruidegom voor haar..."

"Vertel het me alsjeblieft!" zei de vorst nieuwsgierig.

"Het is Karel, de broeder van Lodewijk en hertog van Anjou. Hij zal Beatrix noch de Provence afwijzen, want door dit huwelijk zal hij de machtige heerser van een groot gebied worden."

Ook dit keer bleek de rentmeester de juiste voorspelling te hebben gedaan. Naast zijn eigen koninkrijk annexeerde Karel later ook de kroon van Sicilië. En zo had heer Raymond de machtigste verwanten in heel Europa en de Provence de invloedrijkste beschermers. En dat was natuurlijk gunstig voor de rijkdom en de roem van de stad Aix.

Na enkele jaren schitterde het vorstelijke hof weer in volle glorie, en naarmate de rijkdom toenam, vertoonden ook de dichters, musici, komedianten en ridders zich weer om hun kunsten en talenten te vertonen.

En weer richtte heer Raymond de schitterendste feestmaaltijden aan, maar zelf trad hij niet meer zo op de voorgrond, want heimelijk vreesde hij de afkeurende blikken van zijn rentmeester. De oude man hield niet van een luidruchtige en overdadige levensstijl; hij bereisde de landgoederen of bracht zijn tijd door in zijn torenkamer.

De gasten kwamen er al gauw achter, welke invloed de rentmeester op de vorst uitoefende. Ze verlangden terug naar de oude tijd, toen ze bij heer Raymond voor hun wensen en grillen nog een gewillig oor vonden, en de gehate rentmeester hen niet met vermanende blikken achtervolgde.

Ze besloten, de oude man te verdrijven, en begonnen ermee, achter zijn rug om, lasterpraatjes over hem te verspreiden. Niet uit naastenliefde of christenplicht zou hij zijn taak vervullen, zo beweerden ze boosaardig. Integendeel, hij zou iedere gelegenheid aangrijpen om zich ten koste van zijn heer te verrijken. En waarom zou hij eigenlijk zo geheimzinnig doen over zijn kamertje? Daar was beslist een opslagplaats van gestolen schatten!

Aanvankelijk schonk de vorst aan deze praatjes geen aandacht. Maar tegen de aanhoudende verdachtmakingen was hij op den duur niet opgewassen.

Op een avond, toen de maaltijd was afgelopen en de vorst, samen met zijn gasten, overvloedig van de wijn genoot, luisterde hij, flink aangeschoten, met een gewillig oor naar de praatjes die ook deze avond weer de ronde deden. De jaloerse lieden drongen er net zo lang bij hem op aan, tot hij toestemming gaf naar de kamer van de rentmeester te gaan en deze te doorzoeken.

Ze ontstaken de fakkels en bestegen de wenteltrap die naar de toren leidde. Toen klopte de vorst hard op de deur.

Aan de andere kant bleef het doodstil...

"Zie je wel, hij is bang om open te doen," schreeuwden ze door elkaar. "Hij wil niet, dat we de verstopte schat te zien zullen krijgen."

Ze braken de deur open. En op hetzelfde ogenblik stond de rentmeester op de drempel.

"Wat wenst u, heer?" vroeg hij met een gezicht dat niet veel goeds voorspelde. "Ik was even buiten op de omgang, toen ik het lawaai hoorde en het gebonk op de deur. Kunt u niet zo beleefd zijn om te wachten?"

"Nee, dat kunnen we inderdaad niet. Toon ons onmiddellijk je scha-scha-schatten," lalde heer glorie, en wilde de kamer binnenvallen.

De rentmeester probeerde hem tot bezinning te brengen en hem tegen te houden: "Ik heb hier geen schatten, en het maakt me verdrietig dat u zoiets van me kunt denken, heer. Maar ik waarschuw u, als u deze drempel overschrijdt, ziet u me nooit meer terug..."

De oude man was nog niet uitgesproken, maar de troep dronkaards schoof hem eenvoudig opzij en drong de kamer binnen.

Ze keken nieuwsgierig om zich heen, maar van pracht en praal was hier geen sprake. Alleen een stoel, een ruwhouten tafel met daarop een handgesneden kandelaar en tegen de muur een ijzeren bed met een paardeharen deken.

De teleurstelling was groot, maar toen ze naast het bed een met ijzer beslagen kist zagen dachten ze hun doel bereikt te hebben. Als een troep aasgieren vielen ze er op aan, maar nadat ze het slot hadden opengebroken en het deksel opgetild, kwamen ze tot de ontdekking, dat de hele schat bestond uit een afgedragen pelgrimskiel met een kap. Onder de kiel lag de rozemarijntak.

Heer Raymond schaamde zich diep. Hoe ongegrond was zijn verdachtmaking en hoe dom was hij geweest, af te gaan op de kletspraatjes van jaloerse mensen...

Hij wilde onmiddellijk naar de pelgrim om zijn spijt te betuigen, maar het was al te laat.

In de ontstane verwarring had deze zijn kiel gepakt en was verdwenen. En sinds die tijd heeft men hem noch in het land noch in de stad Aix meer gezien. Het was precies zo gegaan, als hij had voorspeld.

Alleen de rozemarijntwijg was achtergebleven. Gedurende het leven van heer Raymond bleef hij een heerlijke geur verspreiden, als herinnering aan de goede pelgrim en als waarschuwing aan de vorst, geen aandacht te schenken aan valse verdachtmakingen maar slechts op zijn eigen oordeel te vertrouwen.


*   *   *

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Sagen van Europese steden" verteld door Vladimír Hulpach. Holland, Haarlem, 1980. ISBN: 90-251-0412-6

Herkomst: Frankrijk
Verteltijd: ca. 22 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook