Leeftijd:
Verteltijd: ca. 29 min.
Herkomst:

De hemeljonkvrouw

Wanneer een jonge prins hemeljonkvrouwen in een lotusvijver ontdekt, neemt hij de knapste van hen - de dochter van de hemelkoning - gevangen om met haar te trouwen. Wanneer er oorlog uitbreekt krijgt ze haar vrijheid terug om weer naar de hemel te gaan. Hij gaat later weer naar haar op zoek en moet vele gevaren overwinnen.
In een stad in Tibet regeerde eens een koning, die maar één zoon had. Deze jongeman hield veel van jagen. Zijn liefste bezigheid was door de bossen te zwerven en zo kwam het, dat hij er helemaal niet aan dacht, zich een vrouw te kiezen.

Op een keer was hij verder dan gewoonlijk het bos in getrokken. Hij bevond zich nu in een gedeelte, waar hij nog nooit geweest was. Terwijl hij zo om zich heen keek, bemerkte hij tot zijn verbazing, dat iemand in de kruin van een reusachtige boom, niet ver van hem af, een huisje had gebouwd. De wanden en het dak van dit huisje waren bedekt met de mooiste bloemen. Aan de voet van de boom zat een kluizenaar, wiens lange, grijze baard tot op de grond neerhing. De oude man staarde voor zich uit en keek zo gelukkig, of hij heel in de verte iets prachtigs zag.

De prins - hij heette Sudhana - groette de kluizenaar en vroeg: "Vader, waar kijkt u toch zo aandachtig naar?"

De kluizenaar antwoordde: "Ik zie in de verte een meer, waarvan het water zo blauw is als de hemel. In dat meer drijven prachtige lotusbloemen, zo groot als ze nergens anders op aarde gevonden worden. En tussen de bloemen door zwemmen zwanen en andere sierlijke watervogels. Maar kun jij dit alles niet zien?"

Sudhana tuurde enige ogenblikken aandachtig tussen de bomen door in de richting, die de kluizenaar hem wees en zag toen het meer ook. Vol bewondering keken beiden er een tijdlang naar. Toen zei de kluizenaar: "Op de vijftiende dag van iedere maand komen de jonkvrouwen uit Wolkenland naar het meer om er te baden. Zij dansen zo vrolijk en zingen zo lieflijk, dat zelfs de wilde dieren uit het bos komen luisteren. En de mooiste van deze hemel jonkvrouwen is zeker wel Manohara, de dochter van hun koning."

Toen de prins dit hoorde, besloot hij tot de vijftiende dag van de maand bij de kluizenaar te blijven om de hemeljonkvrouwen ook te zien.

Vol ongeduld wachtte hij, tot die dag eindelijk aangebroken was. Toen verborg hij zich tussen de struiken aan de oever van het meer. Hij behoefde niet lang te wachten. Opeens hoorde hij een zacht geruis en opkijkend, zag hij de hemeljonkvrouwen komen aanvliegen. Zij streken neer op een open plek in het bos, vlak bij het meer, en begonnen te dansen en te zingen. Eén van de meisjes droeg een kroontje van veren en Sudhana begreep dadelijk, dat zij de prinses moest zijn, over wie de kluizenaar gesproken had. Voorzichtig richtte hij zich op en wierp zijn gordel naar de prinses. Deze gordel bezat toverkracht. Hij wikkelde zich vanzelf om het lichaam van het meisje en wel zo stevig, dat zij zich niet meer kon bewegen. Dodelijk verschrikt vluchtten de andere hemeljonkvrouwen weg en waren spoedig uit het gezicht verdwenen.

Toen Sudhana bij Manohara kwam, weende ze en smeekte hem, haar te bevrijden. Sudhana zei: "Ik wil je geen kwaad doen en zal je bevrijden, als je me belooft niet te ontvluchten."

"Neem dan het verenkroontje van mijn hoofd," zei Manohara, "want zonder dit kroontje kan ik niet vliegen."

Sudhana nam het kroontje, wikkelde de gordel los en werkelijk, Manohara vloog niet weg, maar keek met angstige blikken naar Sudhana. Deze lachte haar vriendelijk toe en bracht haar naar het paleis van zijn vader.

Na verloop van enkele maanden trouwde hij met haar. Ze waren heel gelukkig met elkaar, maar toch hield Sudhana het verenkroontje steeds goed verborgen. Want hij was bang, dat Manohara op den duur misschien heimwee naar haar eigen land zou krijgen en dan toch nog zou wegvliegen.

Sudhana's vader, die nog steeds over de stad regeerde, was al een oud man. Hij had in zijn dienst twee ministers, die hij vaak om raad vroeg. Maar deze ministers bedrogen hun koning. In het geheim maakten ze plannen om hem te verjagen en dan zelf de macht in handen te nemen. De oude koning zou weinig tegenstand kunnen bieden, maar hoe raakten ze die lastige Sudhana kwijt? Want de verraders begrepen heel goed, dat ze hun plannen nooit zouden kunnen uitvoeren, zolang de prins nog leefde. Het duurde echter niet lang, of ze meenden hun kans schoon te zien.

In de bergen leefde een stam van wilde rovers. En nu kwamen spionnen de koning vertellen, dat de woestelingen van plan waren, de stad aan te vallen. Dadelijk liet de koning zijn ministers komen en vroeg hun om raad. Dat was het ogenblik, waarop de verraders gewacht hadden!

"Het beste zal zijn, de vijanden aan te vallen, vóór ze ons kunnen aanvallen," zei de ene minister.

"Ja," zei de ander, "maar dan moeten onze soldaten wel een goede aanvoerder hebben. Wie zouden we daarvoor kunnen kiezen?" Ze bleven enige ogenblikken beraadslagen. En door heel listig te praten, wisten ze de koning ervan te overtuigen, dat Sudhana de beste man was om de soldaten aan te voeren. Ze hoopten, dat de prins dan zou sneuvelen en daar was werkelijk wel veel kans op. Maar de oude koning dacht geen ogenblik aan dat gevaar, en Sudhana zelf vond ook, dat hij de soldaten moest aanvoeren. Hij was een dapper man en vreesde geen gevaar. Zo trok hij dan ook op een goede dag aan het hoofd van zijn leger de stad uit en de vijand tegemoet.

Voor zijn vertrek had hij het verenkroontje aan zijn moeder gegeven met de woorden: "Als Manohara ooit in gevaar mocht komen, geef haar dan haar kroontje terug, dan kan ze tenminste nog ontvluchten." Zijn moeder, die veel van Manohara hield, had beloofd haar schoondochter zoveel mogelijk te zullen beschermen.

Het duurde niet lang, of Sudhana's leger raakte in gevecht met de vijanden, maar dankzij Sudhana's moed werden de rovers op de vlucht gejaagd. Ze trokken zich nu in de bossen terug en deden vooral 's nachts vaak onverwachte aanvallen. Maar het leger van Sudhana vocht zo dapper, dat de rovers steeds verder moesten terugtrekken. Sudhana bleef hen achtervolgen. Zijn plan was, de rovers zo'n afstraffing te geven dat ze nooit meer de stad zouden durven aanvallen.

Zo kwam het, dat hij geruime tijd niets van zich liet horen en de ministers dachten dan ook, dat hij gesneuveld was. Ze deden, of ze vreselijk bedroefd waren, om niemand iets van hun boze plannen te laten merken. Nu moest Manohara nog verdwijnen. En alweer scheen het geluk met de verraders te zijn.

Op een nacht droomde de oude koning dat een onzichtbare vijand hem van de troon wilde stoten. Dadelijk liet hij zijn ministers komen om hun te vragen, wat deze droom kon betekenen. Deze keken elkaar eens aan. Toen zei de ene: "We denken, dat de goden boos op u zijn. Waarom, dat weten we niet. Maar het beste zal zijn, dat u hun een offer brengt."

"Welk offer?" vroeg de koning.

"Het gevaar dat u bedreigt, is groot, Sire," zeiden de verraders. "Het offer moet dus ook groot zijn. Een rund is zeker niet voldoende."

Zo praatten ze nog geruime tijd en zeiden op het laatst heel voorzichtig, dat naar hun mening de koning zijn troon alleen zou kunnen behouden, als hij Manohara wilde offeren. De koning, die te oud was om te begrijpen dat hij bedrogen werd, stemde na enige aarzeling toe, en zo werd besloten dat Sudhana's vrouw aan de goden geofferd zou worden. Manohara verzette zich niet tegen dit wrede besluit.

Maar haar schoonmoeder herinnerde zich nu de belofte, die zij aan Sudhana gedaan had en gaf de prinses het verenkroontje.

Gewillig liet Manohara zich naar het altaar brengen, maar toen zij daar aangekomen was, veranderden haar armen in vleugels en met enkele vlugge wiekslagen vloog ze weg. Maar voordat ze naar het Wolkenland terugkeerde, bezocht ze eerst de kluizenaar bij het meer.

Ze boog heel diep voor de oude man en sprak: "Als prins Sudhana hier mocht komen om me te zoeken, zeg dan dat het heel gevaarlijk is me te volgen."

"Ik zal het zeggen," beloofde de kluizenaar. "Maar als hij u toch wil zoeken?"

"Geef hem dan deze ring," zei Manohara, "en vertel hem, dat hij over de drie zwarte bergen moet trekken die in de verte liggen. Dan komt hij bij de Himavat, de hoogste berg der aarde. De koning der vogels zal hem daar overheen dragen. Maar zijn leven zal voortdurend in gevaar zijn. Hij zal over een brede afgrond moeten springen. Een boze geest, in de vorm van een grote vlinder, zal trachten hem in het verderf te storten. Hij zal zeven reuzenslangen moeten bevechten. En op het laatst zal hij aan een rivier komen, waarvan de oevers verdedigd worden door honderd woeste krijgslieden. Maar als hij al deze moeilijkheden kan overwinnen, zal hij in het Wolkenland aankomen, waar hij moet wachten tot hem gezegd wordt wat er verder van hem verlangd wordt." Nadat Manohara deze woorden gesproken had, sloeg ze haar vleugels uit en was spoedig uit het gezicht verdwenen.

Ondertussen had Sudhana de oorlog met zijn vijanden beëindigd. Beladen met rijke buit keerde hij aan het hoofd van zijn troepen naar zijn vaders paleis terug. Daar aangekomen wilde hij dadelijk zijn vrouw begroeten en was wanhopig, toen zijn moeder vertelde wat er gebeurd was.

Hij wilde niemand meer spreken en toonde zich zo bedroefd, dat zijn moeder bang was, dat hij zou sterven. Hij kon niet slapen, hij wilde niet meer eten, nergens kon hij rust vinden. Eindelijk nam hij een kloek besluit en zei tegen zijn moeder: "Ik ga Manohara zoeken. Zonder haar kan ik toch nooit meer gelukkig zijn."

"Dat zal wel het beste zijn," zuchtte zijn moeder. "Maar waar wil je haar zoeken?"

"Op de plaats, waar ik haar het eerst gezien heb," sprak Sudhana. "Misschien kan de kluizenaar me helpen." Hij nam afscheid van zijn moeder en trok geheel alleen het bos in. Na enkele dagen kwam hij bij de kluizenaar aan. Deze was in het geheel niet verbaasd hem te zien.

"Ik kom u vragen of u me helpen wilt, mijn vrouw terug te vinden," zei de prins. "Kunt u mij de weg wijzen naar Wolkenland?"

"Ik kan je de weg wel wijzen," antwoordde de kluizenaar ernstig, "maar ik moet je waarschuwen, dat je op je tocht daarheen bedreigd zult worden door grote gevaren. Iedereen weet, dat je een held bent. Niemand zal je minder moedig vinden, als je je plan opgeeft en je vader opvolgt als koning."

De prins antwoordde: "Ik wil mijn lieve vrouw weer vinden of anders sterven. Zonder haar kan ik toch niet leven."

"Als dat zo is, zal ik je de weg wijzen," zei de kluizenaar. En hij vertelde Sudhana hoe hij moest reizen en ook welke gevaren hem onderweg zouden bedreigen. Maar aan dat laatste schonk Sudhana weinig aandacht. Hij aarzelde geen ogenblik, maar ging recht op zijn doel af.

Aan de voet van de eerste berg gekomen, begon hij die vol moed te beklimmen. Maar de helling was erg steil en bovendien begroeid met zulk dicht struikgewas, dat hij slechts met de grootste moeite vooruit kon komen. Plotseling stond hij voor een diepe afgrond met steile wanden. Hoe moest hij daar nu overheen komen? Hij kon zelfs geen aanloop nemen. "En toch keer ik niet terug," dacht hij.

Hij ging op de rand van de afgrond staan en nam een sprong... Maar de afstand was te groot geweest. En hij zou in de diepte gestort zijn, als hij niet juist nog een struik had kunnen grijpen. Enige ogenblikken hing hij boven de gapende afgrond. Toen wist hij zich op te hijsen en stond eindelijk met kloppend hart aan de andere zijde van de kloof.

Hij ontmoette verder geen moeilijkheden en kwam veilig en wel aan bij de voet van de tweede berg. Vol moed begon hij ook deze te bestijgen. Hoe verder hij kwam, hoe mooier het bos werd. Hij vond een pad, dat begroeid was met zacht mos. Onder de bomen was het heerlijk koel. Telkens zag hij heldere beekjes, waarvan de oevers begroeid waren met kleurige bloemen. Doch de prins bleef voortdurend waakzaam om zich heen kijken.

Achter een struik zag hij plotseling een mooie vlinder, die wel zo groot was als een mens. De vlinder sprak: "Reiziger, je bent zeker onbekend in dit bos, nietwaar?"

"Ja," antwoordde Sudhana, "ik kom van ver en heb deze streek nog nooit bezocht."

"Ga dan met me mee," sprak de vlinder. "Dan zal ik je de wonderen van dit land laten zien. Ik zal je op plaatsen brengen, waar je het goud en de edelstenen maar voor het oprapen hebt."

Even dacht de prins na. Toen zei hij eenvoudig: "Ik zoek een schat, die mij meer waard is dan goud en edelstenen, en ik weet mijn weg." Zonder verder acht te slaan op de vlinder, vervolgde hij zijn tocht.

Zonder enige moeite bereikte hij de derde berg. De helling ervan was weer steil. Losse rotsblokken, die naar beneden rolden zodra hij er de voet opzette, maakten hem het klimmen uiterst moeilijk. Maar Sudhana zette door en dacht erover na, welk gevaar hem nu weer zou wachten.

Hij was al over de top heen en met de afdaling begonnen, toen hij door het loslaten van een stuk steen een flink eind naar beneden rolde. Hij deed zich vreselijk pijn, maar hoe groot was niet zijn schrik, toen hij bemerkte, dat hij op de rand van een hol was aangekomen, waarin zeven reuzenslangen hem met nijdig gesis begroetten!

De afschuwelijke dieren hieven zich half op om hem aan te vallen. Snel sprong Sudhana op en zijn pijn vergetende, trok hij zijn zwaard en begon zich te verdedigen. Al spoedig had hij twee slangen gedood. Maar toen bemerkte hij, dat twee andere achter hem gekropen waren en zich om zijn benen trachtten te wikkelen. Hij draaide zich om en met enkele goed gerichte slagen wist hij ook deze twee monsters te doden. Met afgesneden kop lagen ze te kronkelen aan zijn voeten. Er waren nu nog drie slangen overgebleven. Onversaagd sloeg Sudhana met zijn zwaard naar het levende kluwen. Maar de dieren schenen te begrijpen, dat de vijand hun te machtig was en verdwenen ijlings in hun hol. Sudhana vervolgde zijn tocht. Het duurde niet lang, of hij stond aan de voet van de Himavat, die zo hoog was, dat de top in de wolken verscholen ging.

"Zonder hulp zal ik deze berg nooit kunnen beklimmen," dacht hij. Gelukkig hoefde hij dit niet te proberen, want op een groot rotsblok zag hij de koning der vogels zitten, die hem op zijn rug over de Himavat heen droeg. Sudhana was nu in Wolkenland aangekomen en stond voor een brede rivier, waar hij overheen zwom.

Nauwelijks was hij op de andere oever aangekomen, of zeker wel honderd woest uitziende wilden renden onder luid geschreeuw op hem af, terwijl ze met hun knotsen, speren en andere wapens zwaaiden.

"De overmacht is te groot," dacht Sudhana, "ik ben verloren." Maar hij wilde zich toch verdedigen, zo lang hij kon. Als een bliksemstraal flitste het vlijmscherpe zwaard door de lucht. Telkens viel een aanvaller dodelijk getroffen neer. Hij was zo vlug in zijn bewegingen, dat het wel leek of hij tien armen had. Zich plotseling omkerend, velde hij enige vijanden die hem van achteren bedreigden. Zijn vlugheid redde hem. Doordat er verscheidene doden en gewonden om hem heen lagen, kon de vijand niet dicht bij hem komen. Maar de punt van zijn zwaard wist de aanvallers wel te bereiken. Na een kort, maar hevig gevecht sloegen de wilden op de vlucht.

Op een schaduwrijk plekje onder een boom, ging Sudhana liggen om uit te rusten. Hij was zo uitgeput, dat hij dadelijk in slaap viel.

Hoe lang hij geslapen had, wist hij niet, maar toen hij ontwaakte zag hij een groot aantal hemeljonkvrouwen, die hun kruiken in de rivier vulden. Sudhana vroeg: "Waar dient al dat water voor?"

De meisjes antwoordden: "Manohara, de dochter van onze koning, is in het rijk der mensen geweest, die haar aangeraakt hebben. Nu sprenkelen wij water over haar heen om haar te reinigen."

"En wordt al dat water daarvoor nu werkelijk gebruikt?" vroeg Sudhana.

"Ja zeker," antwoordden de meisjes.

Terwijl hij zo sprak, had Sudhana ongemerkt Manohara's ring in de kruik van het voorste meisje laten vallen. Nadat de kruiken gevuld waren, keerden de hemeljonkvrouwen naar het paleis van Manohara's vader terug.

Toen het voorste meisje de kruik boven Manohara's hoofd omkeerde, viel de ring op het gezicht van de prinses. Manohara raapte het sieraad op.

"Nu kan Sudhana niet meer ver af zijn," dacht ze verheugd en ze vroeg aan het meisje of ze soms ook een vreemdeling gezien had.

"Jawel," antwoordde het meisje, "aan de rivier was een vreemdeling, die tot ons sprak, toen we onze kruiken vulden."

Ga dan naar de rivier terug en breng hem naar een plek, waar niemand hem kan zien," gebood Manohara het meisje. Het meisje deed, wat haar gezegd was.

Manohara ging nu naar haar vader en vroeg: "Als Sudhana, over wie ik u gesproken heb, eens in ons land was en vroeg of hij mij kon spreken, wat zou u dan doen?"

De koning was juist in een vreselijk boze bui. Hij riep: "Ik zou hem doden, zijn lichaam laten verbranden en de as in de wind strooien!"

Manohara zweeg nu maar verder. Maar enige dagen later, toen haar vader kalmer geworden was, herhaalde ze haar vraag. En nu antwoordde hij: "Als je weet, waar Sudhana is, laat hem dan bij me komen. Als hij de taak kan volbrengen die ik hem zal opleggen, zal ik hem een grote schat geven. Maar kan hij niet volbrengen wat ik van hem vraag, dan zal hij moeten sterven."

Dadelijk ging Manohara naar de rivier en vond daar Sudhana. De blijdschap over hun wederzien was groot. Eindelijk zei Manohara: "Zonder de toestemming van mijn vader mag je niet in ons land blijven. Hij zal alleen goed vinden dat je bij ons woont, als je een moeilijke taak kunt volbrengen. Maar denk er aan: slaag je daarin niet, dan moet je sterven."

Sudhana antwoordde slechts: "Om jou terug te winnen, is geen gevaar mij te groot."

Manohara bracht hem nu bij haar vader. Deze liet zeven staven goud in de vloer van zijn paleis vastzetten. Daarna droeg hij Sudhana op, met zijn zwaard van elke staaf een stuk af te slaan.

Sudhana, die zag hoe angstig Manohara keek, lachte haar geruststellend toe. Hij trok zijn zwaard, zwaaide het enige malen in het rond... en voor de omstanders wisten wat er gebeurd was, vielen de zeven staven, in kleine stukjes gehakt, rinkelend op de stenen van de vloer.

De koning van Wolkenland keek bewonderend naar Sudhana en sprak: "Ik weet nu, dat je waardig bent mijn schoonzoon te zijn. Ik zal een prachtig paleis voor jou en Manohara laten bouwen."

Dit gebeurde en lange tijd leefden Sudhana en Manohara heel gelukkig met elkaar. Maar toen veel jaren voorbij gegaan waren, kreeg Sudhana toch weer verlangen naar de aarde. Hij wilde graag zijn moeder terug zien en de plaatsen, waar hij vroeger geleefd had. Hij sprak er nooit over, maar Manohara merkte wel dat haar man niet meer zo gelukkig was als vroeger. En ze begreep ook, wat daar de oorzaak van was. Daarom ging zij naar haar vader en vertelde, wat er aan Sudhana's geluk ontbrak. De koning antwoordde: "Welnu, als je het goed vindt, ga dan met hem naar de aarde. Wanneer jullie de helft van het jaar daar doorbrengt en de andere helft hier, ben ik ook tevreden."

Dit gebeurde en voortaan waren Sudhana en Manohara volkomen gelukkig.


*   *   *

Bron
"Sprookjes van Azië" verzameld en bewerkt door R.M. Dalang. C.P.J. van der Peet, Amsterdam, 1957.

Lees ook