Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 7 min.
Herkomst:

De hond, die geen hond was Een Nederlands sprookje over een in een hond betoverde prins

Er was eens een schipper en die voer met zijn schip over zee en toen verging het schip en hij kwam op een stuk hout aan land drijven. Hij was droevig, omdat hij zijn schip verloren had en toen kwam daar een zwarte hond bij hem en die vroeg hem, wat hem scheelde.

"Och, je kunt me toch niet helpen," zei de schipper, maar de hond hield aan. "Ik zal het je maar zeggen," zei die, " ik kan je wel helpen." De schipper was bang, dat die hond de Duivel was en hield zijn mond, maar toen het beest volhield, zei hij het op het laatst toch en hij vertelde, dat hij zijn schip had verloren en nu geen nieuwe meer krijgen kon.

"Bestel maar een schip," zei de hond, en de schipper bestelde een schip en toen ze dat aan het timmeren waren, liep de hond daar de hele tijd omheen, want hij moest het geld ervoor geven. Toen het schip klaar was, betaalde de hond het, maar het had nog geen zeilen en touwen.

"Hoe moet ik daaraan komen?" vroeg de schipper aan de hond.

"Hier heb je geld," zei de hond, "koop daar zeilen en touwen voor."

En toen die erop waren, zei de schipper: "Nu heb ik nog geen knechten en geen eten om op reis van te leven." De hond gaf hem weer geld. "Koop daar eten voor en huur knechten."

Dat deed de schipper en zo kwam hij klaar voor de reis. "Nu moet ik ook meevaren," zei de hond toen. Goed, en ze staken in zee. "Je moet maar al noord-aan zeilen," zei de hond. Goed, dat deed de schipper.

Toen ze drie dagen gezeild hadden, zei de hond: "Je moet je gereed maken, we krijgen een storm van anderhalve dag." Goed, toen kregen ze ook die storm.

En toen de storm over was, zei de hond: "Nu hebben we lange tijd mooi weer."

En zo gebeurde het ook. Maar daarna zei de hond: "Nu krijgen we weer een storm van een dag of drie, maak je maar gereed." En het gebeurde weer, zoals de hond gezegd had.

En nadat ze weer lange tijd mooi weer hadden gehad, zei de hond, dat er een storm van een week lang zou komen en dat ze het anker maar moesten laten vallen. Dat deed de schipper toen en die storm ging ook weer voorbij. "Nu hebben we net zo lang mooi weer, als we nog op zee zijn," zei de hond toen. En dat hadden ze ook.

Ze voeren lange tijd door en toen vroeg de hond: "Zie je ook haast land?"

"Nee," zei de schipper.

"Zeil vooral noord-aan," zei de hond.

Dat deed de schipper en na een dag of drie vroeg de hond weer, of de schipper nog haast geen land zag. "Nee," zei de schipper, "ik zie geen land, maar ik zie wel een groot vuur. Het lijkt de hel wel."

"Nee," zei de hond, "het is de hel niet en het is ook geen vuur. Het is mijn vaders kasteel, dat is van goud en daar schijnt de zon op."

Toen zeilden ze nog een dag of drie en daarna kwamen ze bij het land, maar ze konden niet dicht genoeg bij de wal komen, want het was daar niet diep genoeg. De hond zei, dat ze maar een boot uit moesten zetten en daar gingen ze toen mee naar het kasteel.

Daar was geen mens en de hond zei: "Nu moet je drie kwade nachten uitstaan, maar hou je maar stil."

"Goed," zei de schipper.

De eerste nacht brak aan, en toen de kaarsen opkwamen, was er een kamer vol volk en ze grepen de schipper en kaatsten hem elkander toe, van de een naar de ander. Zo de gehele nacht door en toen de dag aanbrak was al dat volk weg en ze waren weer met hun beiden en des daags aten ze met hun beiden.

Toen de kaarsen de tweede nacht weer opkwamen, ging het weer net zo en ze zeiden: - Dat is een mooie kaatsbal! En de derde nacht alweer zo. Maar toen zei de hond, dat het genoeg was, en ze kwamen in een kamer, waar een groot zwaard op tafel lag.

"Daar moet je me de kop mee afhouwen," zei de hond toen. Maar dat zinde de schipper niet. "Nee, dat kan ik niet doen, je bent veel te goed voor me geweest," zei hij.

"Je moet het toch doen," zei de hond, "anders moet jouw kop eraf."

Toen deed de schipper het en toen de hond zijn kop er af was, werd hij een mens.

"Zie je wel," zei hij, "zo is het beter. Mijn vader had mij in een hond omgetoverd en op zo'n manier moest ik weer een mens worden."

De schipper was natuurlijk heel blij. En hij kreeg nog zoveel geld van de hond toe, dat hij daar zijn hele leven genoeg aan had. Hij bedankte de hond, maar die zei, dat het niet nodig was. "Ik mag jou wel bedanken," zei hij. En de schipper ging voort met zijn geld.


*   *   *

De hond, die geen hond was Samenvatting
Een Nederlands sprookje over een in een hond betoverde prins. Een schipper is zijn schip verloren, maar een zwarte hond helpt hem aan een nieuwe. De hond vaart mee en stuurt ze alsmaar noordwaarts. Als ze aan land komen, helpt de schipper een betovering te verbreken. Lees het verhaal

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Nederlandse sagen en volksverhalen" door Cor Bruijn. Fibula, Houten, 1989. Oorspr. titel: Nederlandse sagen. Ploegsma, Amsterdam, 1946. ISBN: 90-269-4419-5

Herkomst: Nederland
Verteltijd: ca. 7 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook