Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 15 min.
Herkomst:

De houten maagd en haar minnaars Een Turks sprookje over mannen die strijden om één vrouw

De houten maagd en haar minnaarsDe boeken van het verleden vertellen - naast andere ware verhalen - dat eens vier mannen, een timmerman, een goudsmid, een kleermaker en een vrome boeteling, samen op reis gingen. Toen ze enige tijd gereisd hadden, gebeurde het volgens Allahs wil dat ze eens in een onveilige streek moesten overnachten. Uit angst om door verscheurende dieren te worden aangevallen, besloten ze tijdens de slaap om beurten te waken.

De beurt was het eerst aan de timmerman. Toen nu de drie anderen gingen liggen, werd hij zo door moeheid overmand dat hij, om de slaap maar te verdrijven, zijn gereedschap pakte. Hij velde een slanke boom, sneed het hout ervan klein en vormde een meisjesfiguur met hoofd, handen en voeten.

Na hem was de goudsmid aan de beurt. Ook deze werd na enige tijd slaperig en keek rond naar iets te doen. Toen viel zijn blik op het houten meisje dat de timmerman gemaakt had. Hij bewonderde dienst kunstzinnigheid en om de slaap te verdrijven, bewees ook hij zijn handigheid door voor de figuur oorringen, armbanden en andere vrouwensieraden te maken en haar daarmee heel mooi te sieren.

Maar toen zijn tijd om was, kwam de kleermaker aan de beurt. Toen deze uit zijn slaap opstond, zag hij met grote verbazing de mooie figuur en riep meteen uit: "Hier moet ik mijn kunst tonen!" Hij maakte dus prachtige feestkleren die bij de lieflijke gestalte van het meisje pasten en kleedde haar van top tot teen aan. Iemand die haar zo gezien had en niet wist dat het maar een beeldje was, zou haar voor een bezield wezen gehouden hebben - ze leek op een levend geworden geest.

Toen tenslotte ook de beurt van de kleermaker over was, wekte hij de boeteling en ging liggen. Deze sloeg uit zijn slaap zijn ogen op en zag meteen het welgevormde beeld. Het was hem alsof in de nachtelijke eenzaamheid een licht voor hem opdook en hij kwam nader. Wat zag hij daar? Een gestalte die zelfs asceten zou dwingen haar te aanbidden. Een schitterend beeld, haar wenkbrauwen een verlokking voor de schare smekende minnaars, haar lippen robijnen waarvan voor geest en hart voedsel te nippen. Meteen hief hij zijn handen op naar degene die zielen schiep met de smekende uitroep: "O, enige die met kracht en macht begiftigd is. Alheerlijke, die uit de duistere nacht het reine beeld van een mens gebracht heeft op de lichte velden van het bestaan. O, gij die de zoete vruchten uit dor hout laat ontspringen. Allah, wil me in uw oneindig grote genade, niet verstoten en beschamen voor mijn vrienden! Geef deze geestloze vorm een ziel, zodat ze zich in het leven kan verheugen en haar tong zich losmaakt voor eeuwige dankwoorden!"

Zo smeekte hij in diepe deemoed. Hij was echter een man met een rein hart, wiens gebed bij Allah genade vond zodat hij, de Eeuwige, in zijn onuitputtelijke barmhartigheid die figuur een ziel gaf en haar liet leven. Meteen was ze een lieflijk meisje, voor haar levensjaren aan een glanzende ster gebonden. Ze begon te bewegen en heen en weer te wiegen als de slanke cipressen. Toen ze haar gedachten uitsprak, waren haar woorden lieflijk als die van een papegaai.

Toen echter de ochtend aanbrak en door de zon, het wereldlicht, het aangezicht van de aarde verlicht was, viel de blik van de vier reizigers op het hartveroverende goddelijke wezen dat in de nacht tot leven gewekt was. En nauwelijks hadden ze het gezien, of ze waren allemaal waanzinnig verrukt! Als gevangenen in haar lokken geboeid liggend, als muggen om de kaars van haar schoonheid vliegend. En ziek van zo'n hartstocht kregen ze onderling ruzie en twist. "Ik," zei de timmerman, "heb haar gemaakt en dus behoort het meisje mij toe. Jullie hebben helemaal geen aanspraken!" Daartegen verzette de goudsmid zich: "Heb ik haar niet," sprak hij, "goud en edelstenen omgelegd? Heb ik niet geld en goed voor haar opgegeven, wat zoals bekend de helft van de ziel is? Dus behoort ze mij toe en ik ben haar eigenaar."

"Geld en goed," liet de kleermaker zich horen, "heb ik ook voor haar uitgegeven! Ja in velerlei prachtige gewaden heb ik haar gekleed en daarmee haar schoonheid vervolmaakt en haar tot zo'n lieflijkheid gebracht dat de levensvlam in haar werd aangewakkerd! Dit is mijn werk, daarom moet ze de mijne zijn."

Toen riep de boeteling: "O nee - de mijne moet ze zijn! -de kracht van mijn gebed werd door haar bewezen, als voorproefje van de meisjes in het paradijs werd ze me gegeven - mijn recht is duidelijk - onaanvechtbaar!"

Kortom, ze vonden geen andere uitweg dan hun aanspraken aan de gerechtelijke beslissing over te laten, en ze wilden al voor dit doel op weg gaan, toen een andere reiziger voor hen verscheen, een derwisj in haren gewaden. Meteen toen ze hem zagen, besloten ze hem tot rechter in hun strijd te maken en zich te onderwerpen aan het oordeel dat hij zou vellen. Ze riepen hem er dus bij en vertelden hem uitvoerig de hele gebeurtenis. De derwisj echter had nauwelijks het mooie meisje gezien of hij begon, als de klaaglijke tonen van de fluit, van liefde te zuchten en te steunen. Toen overlegde hij snel hoe hij zijn eigen pijn kon genezen en keek de vier reizigers aan en begon: "Muzelmannen, wat spreekt ge voor domme woorden? Hebt ge dan geen vrees voor de almachtige, dat ge zo'n wandaad begaat en mij van mijn rechtmatige echtgenote beroven wilt en beweert dat een van u haar uit hout gesneden en een ander over haar gebeden heeft? Zeg toch iets verstandigs dat volgens de goddelijke wet mogelijk is! Dit is mijn vrouw en de dingen die ze aan heeft, heb ik voor haar laten maken. Alleen is er een paar dagen geleden een onbetekenende ruzie tussen ons ontstaan en daarover vertoornd, heeft ze vannacht mijn huis verlaten. De wens haar terug te vinden, dreef mij daarop ook op weg; ik ging haar na en God zij dank! het is me gelukt, ik heb haar gevonden. Maar maak jullie toch niet belachelijk voor de mens met dat soort woorden. Daar hebben jullie geen reden voor."

De derwisj overtroefde dus de andere reizigers nog in zijn rechtsaanspraken, en dus waren er nu vijf mannen die allemaal beweerden tegen de anderen een aanklacht te kunnen indienen. Twistend en strijdend kwamen ze in een stad waar ze zich meteen naar het huis van de politiechef begaven aan wie ze hun zaak voorlegden. Deze echter had nog maar net het meisje gezien of hij werd nog duizendmaal erger dan de anderen op haar verliefd en zei om haar voor zichzelf te winnen, tegen de vijf klagers: "Trouweloze rovers, deze vrouw was de vrouw van mijn oudere broer. Hij werd door rovers vermoord en zijn vrouw ontvoerd, maar God zij dank! Vergoten bloed gaat niet verloren, jullie eigen voeten hebben jullie in de val gebracht!"

De politiechef werd dus een nog verhitter klager dan de anderen; hij bracht het gezelschap meteen voor het gerecht en begeleidde ze zelf naar de qadi. Nu probeerde ieder deze eerwaarde man zijn aanspraken duidelijk te maken; maar hij had het gezicht van het meisje nauwelijks gezien.

Een aantrekkelijk meisje zag hij voor ogen, lieflijk van top tot teen stond ze daar! Haar gestalte maakte iedere toeschouwer liefdesziek, verderf bracht haar trotse gang. De aardbol met nood van haar wimpers bedreigd, haar goddeloos lonken met hel en dood. Waar ze marktdag hield op de liefdesbazar, daar bood men als prijs duizend zielen haar. Waar de vloed van haar schoonheid het hart bestormt, geen dam weerstond, geen verstand beschermde; de burcht van de eerbaarheid werd door het gietvat verwoest, door liefde de basis van fatsoen verwoest!

Toen dus de qadi dit wezen voor zich zag, vatte hem het verlangen haar zelf te bezitten. "Vrienden," zei hij dus tegen het gezelschap, "de rechtsstrijd die jullie voeren willen, is nietig. Dit mooie meisje is een in mijn huis opgegroeide en vanaf haar eerste jeugd door mij gehouden slavin. Door slechte lieden verleid, heeft ze het goud en de sieraden en de mooie gewaden die ze draagt, genomen en heeft me verlaten. De Hoogste zij gedankt dat ze door jullie vriendelijke toedoen gevonden is en mijn wens om haar weer te bezitten, in vervulling gegaan is. Ik hoop bij Allah dat hij, de Alwetende, jullie deze liefdesdienst zal aanrekenen en dat hij jullie ervoor belonen zal."

Toen de klagers deze woorden hoorden, deden vier van hen afstand, want ze wisten dat de qadi een boos oordeel over ze kon uitspreken dat ze nooit zouden kunnen afwenden. De boeteling wendde zich echter tegen de qadi en begon: "Past het je wel, hoge heer, die beweert op het profeten-slaaptapijt te zitten, dat je een proces van rechtgelovige mannen niet volgens de heilige wet beslist, maar zelf aanspraken maakt op dit meisje onder voorwendsel dat ze je slavin is en probeert haar met geweld aan ons te ontnemen? Welke religie staat zulk onrecht toe? En hoe wil je je morgen daarvoor voor de Schepper van de wereld verantwoorden?"

"Schilderijendief," antwoordde de qadi de boeteling, "die zich, om de mensen te bedriegen, door hongerlijden holle wangen verschaft heeft en die graag de wereld zou doen geloven dat de vrees voor God je gestalte krom gemaakt heeft. Denk eraan, een beroemd spreekwoord zegt: 'Een handige leugenaar moet niet alleen een goed geheugen, maar ook een scherp verstand en doordringend inzicht hebben.' Wat heb jij echter aan inzicht en verstand te bieden? Dwaas, wil je een waanzinnige leugen opdissen, doe het dan op zijn minst met een beetje fatsoen! Kan men dan van hout mensen maken? Hou op met die beweringen en ga, of niet - hoe jullie willen! Ik heb immers mijn slavin terug."

Toen gingen de mannen zwijgend weg. Zo gaat het hen die het zelf niet eens worden en hun recht bij de qadi zoeken.


*   *   *

De houten maagd en haar minnaars Samenvatting
Een Turks sprookje over mannen die strijden om één vrouw. Vier mannen gaan samen op reis. Om beurten houden ze 's nachts de wacht en maken gezamenlijk een houten meisje, dat de volgende dag tot leven komt. Ieder van hen maakt aanspraak op haar en ze besluiten aan een qadi (rechter) voor te leggen aan wie zij toebehoort. De rechter is echter zó betoverd door haar schoonheid, dat hij zelf aanspraak op haar maakt. Lees het verhaal

Toelichting
In dit sprookje speelt het Pygmalion-motief de hoofdrol. Pygmalion maakte een ivoren beeldje en werd verliefd op zijn werk. Op zijn bidden wekte de godin Venus het beeldje tot leven. De 'houten maagd' wordt door vier mannen gemaakt die er vervolgens om vechten aan wie ze moet toebehoren, wie recht op haar heeft. Daarin kan een beeld van narcistische liefde gezien worden, want met de door hem geschapen vrouw bemint de man zijn eigen werk en dus zichzelf en niet een zelfstandig ander iemand.

Een ander beroemd houten beeld dat tot leven komt is natuurlijk Pinokkio.

Een qadi is een islamitische rechter die op grond van de sharia, de islamitische wetgeving, oordeelt. In landen binnen de islamitische wereld waar de regering zich oriënteert op de westerse wereld, zoals Turkije, en waar geen sharia aan de basis staat van het wetssysteem, worden rechters en magistraten nog steeds qadi's genoemd.

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes over Liefde en Eros" verzameld door Ulrike Blaschek-Krwaczyk. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1992. ISBN: 9061209595

Herkomst: Turkije
Verteltijd: ca. 15 min.
Leeftijd: vanaf 12 jaar

Lees ook