Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 24 min.
Herkomst:




De jakobsladder Een Birmees sprookje over het ontstaan van tung-olie en kapok

De jakobsladderAls je je doel wilt bereiken, zul je er iets voor over moeten hebben, ook al moet je daar de hoogste berg voor beklimmen.

Zo woonde er eens een arme oude man aan de voet van een berg. Hij had een armoedige hut en woonde daar alleen met zijn twee kinderen, een zoon en een dochter. De oude man vlocht bamboemanden, de jongen zocht bamboe in het bos en de dochter zorgde voor het huishouden. Zo werkten ze alle dagen, en ondanks dat hadden ze een armoedig bestaan. Ze hadden net genoeg voor een beetje rijst en een paar pelzen. De mensen kenden toen nog geen katoen en kleedden zich in dierenvellen en boomschors. En ze kenden ook nog geen olie, zodat ze 's avonds geen licht hadden. Ze werden gedwongen om het vuur hoog op te stoken, zodat ze wat konden zien als ze aan het werk waren. Maar als het vuur zo hoog oplaaide begonnen hun ogen te tranen van de rook, en als ze een klein vuurtje hadden bevroren ze 's nachts van de kou. De jonge mensen liepen voortdurend te rillen en konden bijna niets zien. De oudere mensen waren verzwakt door ziekte en waren half blind.

Half blind en ziek was ook de oude man. Zijn kinderen hadden daar veel verdriet van, maar wat konden ze er aan doen. Als ze niet iedere dag tot diep in de nacht zouden werken, zouden ze van honger omkomen. En daarom stookten ze iedere avond het vuur hoog op en vlochten ijverig bamboemanden.

Op een avond zuchtte de zoon: "Als de maan net zo fel zou schijnen als de zon, dan zouden onze ogen niet zo'n pijn doen." En de dochter zuchtte ook: "Als de maan iedere nacht op zou komen en ons zou verwarmen, dan zouden we het ook niet zo koud hebben."

De oude vader dacht een ogenblik na en zei: "Wie weet, waarom de maan zo weinig licht geeft. Wie weet, waarom hij niet iedere nacht opkomt. We zullen het hem vragen. We zullen hem vragen om ons meer licht en meer warmte te geven. Ik heb gehoord, dat er ergens ver weg een berg moet zijn, die de jakobsladder wordt genoemd. Boven op die berg woont een grijsaard. Hij heeft witte haren, witte wenkbrauwen en een witte baard die tot aan de grond reikt. Hij is de vader van alle bomen. Hij is een vriend van de maan. Altijd als de maan in de buurt van de grijsaard komt, brengt hij hem een bezoek. Alleen hij kan aan de maan vragen waarom hij niet iedere nacht opkomt om ons te helpen."

En toen sprong de zoon van de oude man op en riep: "Laat mij naar de grijsaard gaan, vader. Laat mij hem vragen, of hij een goed woordje voor ons wil doen bij de maan." En de dochter van de oude man sprong ook op en riep: "Laat hem gaan, vader en mij ook." Maar de oude man schudde zijn hoofd: "Het is geen eenvoudige zaak, kinderen. De jakobsladder is ver weg. Je zult over zeven bergen en door acht dalen moeten lopen. En de jakobsladder is een hele hoge berg. Zijn top verdwijnt in de wolken. Als het iemand gelukt bij hem te komen, zullen zijn voeten opengehaald zijn door de stenen en zullen handen en voeten verkleumd zijn van kou. Het lukt geen mens om bij de grijsaard te komen." - "Maar ik speel het wel klaar," zei de jongen vastbesloten. "Ik ga morgen meteen op weg."

Bij het aanbreken van de volgende dag ging de jongen op weg. Hij moest een heel eind lopen, over zeven bergen, door acht dalen, door rivieren en bossen, over stenen en rotsen. Na negen maanden lukte het de jongen bij de jakobsladder te komen. Zijn top verdween in de wolken. Zijn hellingen waren bedekt met sneeuw en ijs. Toen hij de voet van de berg bereikt had, zaten zijn voeten vol bloed. Toen hij de berg beklom waren zijn handen en voeten verkleumd van de kou. Maar hij klom moedig verder tot hij de top van de jakobsladder bijna bereikt had. Onder zich zag hij de wolken en boven zich de heldere hemel. En voor hem zat op de rotsen de grijsaard. Hij kamde zijn witte haren, zijn wenkbrauwen en zijn baard, naar de jongen keek hij niet. De jongen maakte een buiging voor hem en zei: "Vergeef me, grijsaard, dat ik u stoor in uw eenzaamheid. Vergeef me, maar help me. Vraagt u de maan waarom hij niet net zo schijnt als de zon en waarom hij niet iedere nacht opkomt."

De grijsaard kamde zijn witte haren, zijn wenkbrauwen en zijn baard, maar hij gaf de jongen geen antwoord. De jongen maakte weer een buiging voor de grijsaard en zei: "Vergeef me, grijsaard, dat ik u stoor bij uw overpeinzingen. Vergeef me, maar help de mensen op aarde. Ze moeten de hele nacht doorwerken met te weinig licht. Ze werken de hele nacht door en zijn door de rook van het vuur al half blind geworden. Vraag de maan of hij net zo wil schijnen als de zon en of hij ons wat meer warmte kan geven."

De grijsaard keek langzaam op en keek de jongen aan. Zijn voeten waren rood van het bloed, en zijn handen en voeten blauw van de kou. De grijsaard kreeg medelijden met hem en sprak: "Wacht een ogenblik, jongen." En toen legde hij zijn kam neer, wikkelde zijn baard om zijn hals en liep naar de top van de jakobsladder. Na korte tijd kwam de maan langs. Hij stopte bij de jakobsladder en de grijsaard klom op de maan, alsof hij in een zilveren boot stapte.

De jongen wachtte geduldig onder de top van de jakobsladder. Voordat hij er erg in had sprong de grijsaard weer uit de zilveren boot en de maan ging verder. De grijsaard sprak: "Ik heb de maan gevraagd, mijn jongen, waarom hij niet schijnt zoals de zon. Ik vroeg hem, waarom hij niet iedere nacht opkwam. Ik smeekte hem jullie meer licht en warmte te geven. Maar de maan antwoordde dat hij dat niet kon. Hij heeft niet genoeg kracht om net zoveel licht en warmte als de zon te geven, en hij kan niet iedere nacht opkomen, omdat hij af en toe zijn gezicht in de zee moet wassen. Als hij dat niet zou doen, zou hij nog minder licht geven."

De jongen begon te huilen. Het deed hem pijn dat de mensen 's nachts moesten werken en bijna niets konden zien. Zijn hete tranen vielen op de sneeuw en de sneeuw smolt onder zijn voeten. De grijsaard had medelijden met hem en sprak: "De maan aan de hemel kan niemand helpen. De mensen op aarde moeten zichzelf helpen." De jongen vroeg huilend: "Maar hoe? Ik zou mijn leven willen geven, als dat zou helpen!" En toen sprak de grijsaard: "Als jij jouw leven wilt geven, en je zou veranderen in een boom, dan kun je je vader en alle andere mensen helpen." Toen kamde hij uit zijn baard een prachtige glanzende parel, zo groot als een ei en hij gaf hem aan de jongen. "Als je niet bang bent, slik deze parel dan door, dan zullen de mensen het goed krijgen."

De jongen droogde zijn tranen, stopte moedig de parel in zijn mond en slikte hem door. Op hetzelfde ogenblik veranderden zijn benen in wortels, zijn lichaam werd een boomstam en zijn hoofd werd de kruin van een prachtige boom. De boom kreeg bladeren en tussen de bladeren groeiden prachtige bloemen, en de bloemen werden na korte tijd vruchten, zo groot als een ei. De grijsaard sprak: "Jongen, je bent nu een boom geworden. Als de mensen jou ontdekken zullen ze je Tung noemen. Ze zullen met plezier naar je bloemen kijken en de vruchten zullen ze oogsten. Ze zullen leren de vruchten uit te persen en er olie van te maken, en de olie zal hun licht geven. Ze zullen je eren en de rook van het vuur zal hen niet langer blind maken. Ze zullen de maan niet meer vragen om net als de zon te schijnen." De Tungboom luisterde en begon vrolijk met zijn bladeren te ruisen, alsof hij lachte.

Terwijl de Tungboom vrolijk ruiste, huilde achter de zeven bergen zijn zuster. Ze wachtte tevergeefs op haar broer. Toen hij na negen maanden niet was teruggekomen zei ze: "Mijn broer keert niet meer terug, vader, ik kijk al negen maanden tevergeefs naar hem uit, maar hij komt niet. Ik ga hem zoeken, ook al moet ik naar de top van de jakobsladder." Maar de oude vader schudde zijn hoofd: "Dat is geen eenvoudige zaak, mijn dochter. Als het je broer niet gelukt is, zal het jou ook niet lukken." - "Maar ik speel het wel klaar," zei het meisje vastbesloten. "Morgen ga ik meteen op weg."

De volgende dag ging het meisje op weg. Ze moest een heel eind lopen, over zeven bergen en door acht dalen, door rivieren en bossen, over stenen en rotsen, tot haar voeten vol bloed zaten en haar lichaam verkleumd was van de kou. Pas toen stond ze onder de top van de jakobsladder. Diep onder haar zag ze de wolken, hoog boven haar de heldere hemel. En voor haar zat op de rotsen de grijsaard. Hij kamde zijn witte haren, zijn wenkbrauwen en zijn baard die tot aan de grond reikte. Maar naar het meisje keek hij niet om. Het meisje maakte een buiging voor hem en zei: "Vergeef me, grijsaard, dat ik u in uw eenzaamheid stoor. Vergeef me, maar help me. Vraag de maan, waarom hij niet net als de zon schijnt en waarom hij niet iedere nacht opkomt."

De grijsaard kamde zijn haar, zijn wenkbrauwen en zijn baard, maar hij zei niets tegen het meisje. Het meisje maakte weer een buiging voor hem en zei: "Vergeef me, grijsaard, dat ik u stoor bij uw overpeinzingen, maar help de mensen op aarde. Ze moeten de hele nacht werken en ze bevriezen van de kou. Ze worden gekweld door ziekte. Alstublieft, vraagt u de maan, of hij meer licht en warmte wil geven."

De grijsaard keek langzaam op en keek het meisje aan, haar voeten waren rood van het bloed, haar handen en voeten waren blauw van de kou. De grijsaard kreeg medelijden met haar en sprak: "Er was hier eens een jongen, die mij ook vroeg of ik de maan wilde vragen waarom hij niet wat meer licht en warmte kon geven. Ik vroeg het aan de maan, maar hij antwoordde, dat hij daar niet genoeg kracht voor had. De maan aan de hemel kan de mensen op aarde niet helpen. De mensen moeten zichzelf helpen." Het meisje vroeg huilend: "Maar hoe dan? Ik zou mijn leven er voor willen geven, als dat zou helpen." En toen sprak de grijsaard: "Als jij jouw leven zou willen geven en je zou in een boom veranderen, zou dat helpen, dan zou je je vader en alle andere mensen kunnen helpen, net zoals je broer dat heeft gedaan. Kijk eens naar deze boom, dat is je broer. Uit zijn vruchten zullen de mensen olie kunnen maken en dankzij die olie zullen ze 's nachts licht hebben als ze moeten werken. De rook van het vuur zal hen niet langer blind maken."

Het meisje begon te huilen, omhelsde de Tungboom en zei: "Als mijn broer de mensen licht kan geven, kan ik dan niet voor warmte zorgen?" En toen kamde de grijsaard uit zijn baard een stralende parel, zo groot als een ei en hij sprak: "Als je niet bang bent, slik deze parel dan door en alles zal goed komen."

Het meisje droogde haar tranen, stak vastbesloten de parel in haar mond en slikte hem door. Op hetzelfde ogenblik veranderden haar benen in wortels, haar lichaam werd een boomstam en haar hoofd en schouders werden de kruin van een prachtige boom. De boom kreeg bladeren en daartussen groeiden bloemen en uit die bloemen kwamen na korte tijd vruchten, zo groot als een ei. En de grijsaard sprak: "Meisje, nu ben je een boom geworden. Als de mensen je ontdekken, zullen ze je Kapok noemen. Ze zullen met plezier naar je bloemen kijken en ze zullen je vruchten oogsten. Ze zullen leren uit je vruchten fijne draden te spinnen. Ze zullen leren van die fijne draden lappen stof te weven. Ze zullen je eren. Ze zullen niet meer bevriezen van de kou. Ze zullen de maan niet langer vragen om hun net zoveel warmte als de zon te geven."

De Kapokboom luisterde en begon vrolijk met haar bladeren te ruisen, alsof ze lachte. En de Tungboom ruiste vrolijk met haar mee.

Terwijl hoog boven in de bergen de Tung en de Kapok vrolijk ruisten, wachtte de vader achter zeven bergen op de terugkeer van zijn kinderen. En toen ze na negen maanden nog niet teruggekomen waren zei hij: "Mijn zoon en dochter keren niet terug. Tevergeefs wachtte ik negen maanden op hen, maar de kinderen komen niet, ik zal ze zelf gaan zoeken. Ook al moet ik tot aan de top van de jakobsladder klimmen."

En zo ging de oude man de volgende dag al vroeg op weg. Na negen maanden lopen over zeven bergen en door acht dalen bevond hij zich op de jakobsladder. Diep onder hem zag hij de wolken, hoog boven hem de heldere hemel en voor hem zat op de rotsen de grijsaard met de witte haren, witte wenkbrauwen en de witte baard die tot aan de grond reikte.

De oude mandenvlechter maakte een buiging voor hem en zei: "Vergeef me, grijsaard, dat ik u in uw eenzaamheid stoor. Vergeef me, maar help me. Waar zijn mijn kinderen en vraagt u de maan alstublieft, waarom hij ons niet wat meer warmte kan geven en waarom hij niet iedere avond opkomt."

De grijsaard keek langzaam op en keek de mandenvlechter aan. Zijn voeten waren rood van het bloed, zijn handen blauw van de kou. De grijsaard kreeg medelijden en sprak: "Er was hier eens een jongen die ook wilde dat ik de maan zou vragen waarom hij niet wat meer licht wilde geven. Er was hier ook eens een meisje. Zij wilde eveneens dat ik de maan zou vragen, waarom hij niet wat meer warmte wilde geven en waarom hij de mensen op aarde niet hielp. Maar de mensen moeten zichzelf helpen. Deze boom hier is uw zoon. Hij zal de mensen olie geven, zodat ze 's nachts licht hebben als ze moeten werken. En deze boom hier is uw dochter. Zij zal de mensen katoen geven, zodat ze zich kunnen kleden en niet meer zullen bevriezen van de kou."

De oude mandenvlechter begon te huilen, omhelsde de twee bomen en zei: "Als dit mijn lieve kinderen zijn, dan wil ik hier bij ze blijven."

Maar de grijsaard schudde zijn hoofd: "Ik heb geen parels meer om je in een boom te veranderen, maar huil en klaag niet langer, want de kinderen zullen met je meegaan. Neem hun zaadjes mee en stop ze thuis in de grond. Ze zullen gaan groeien en je zult de kinderen altijd bij je hebben."

En toen begonnen de bomen vrolijk te ruisen. Ze gooiden al hun zaadjes over hun vader heen. De oude man nam een mandvol mee, maakte een buiging voor de grijsaard en keerde naar huis terug, naar zijn armoedige hut aan de voet van de berg.

Thuis zaaide hij op alle hellingen van de heuvels de zeldzame zaadjes, die hij van de jakobsladder had meegenomen. Na een jaar waren het prachtige bomen en vanaf die tijd woonden Tung en Kapok bij de mensen. Sindsdien maakte de rook van het vuur de mensen niet langer blind. Als het donker begon te worden en ze licht nodig hadden, staken ze de lamp aan met de olie die ze van Tung hadden gekregen. Als ze het koud kregen trokken ze kleren aan die van de katoen van Kapok gemaakt waren. En als ze het 's avonds lekker warm hadden en er genoeg licht bij hun werk was, dan dachten ze vol dankbaarheid aan de oude mandenvlechter en zijn beide kinderen, die voor hen naar de top van de jakobsladder waren gegaan.


*   *   *

De jakobsladder Samenvatting
Een Birmees sprookje over het ontstaan van tung-olie en kapok. Aan de voet van een berg wonen mensen, die het koud hebben omdat ze geen katoen kennen en geen licht hebben omdat ze geen olie kennen. Twee kinderen gaan op reis om aan de maan te vragen waarom deze niet fel schijnt zoals de zon (voor warmte) en niet elke nacht opkomt (voor licht). Lees het verhaal

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"De betoverde tuin" door Marie Mrstikova. Nederlandse vertaling van Els Nuijen. Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1978. ISBN: 90-251-0297-2

Herkomst: Myanmar
Verteltijd: ca. 24 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook