Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 26 min.
Herkomst:

De kikker, de vrouwtjesvos, de leeuw en het ree

In een ossespoor dat zich met water had gevuld, zat op een dag een kikker. Toen liep een vrouwtjesvos die een kip in haar bek droeg, voorbij. "Waar ga je heen, vervloekte vos?" - "O, ze houden me in de gaten!" zei de vos. En zij wierp een blik achterom en ontdekte de kikker. "Wat doe je eigenlijk hier, schurftige kikker?" - "Pas jij maar op," zei deze, "ik ben de vlugste van alle kikkers!" - "Het zal wat wezen!" zei de vos. "Als jij het wilt, loop ik zondag met je om het hardst, zoek je mensen maar bij elkaar!"

De vos haalde de leeuw als scheidsrechter, het ree, opdat het het startsein zou roepen, en het stinkdier voor de proefbaan. Ze kwamen overeen dat zij 's middags om twee uur bij de renbaan bijeen zouden komen. De vos was er tijdig en wandelde wat rond. De kikker was er nog niet. De vrouwtjesvos zei bij zichzelf: "Als ik tweehonderd meter heb gelopen, zal ik omkijken."

Intussen komt de kikker en gaat bij de lijn staan waar het startsein gegeven zal worden. De kikker zegt: "Ik wil nog een poosje zitten, ik ben toch met drie sprongen al over de finish!" - "Bij 'drie' gaan jullie lopen!" zei het ree. Het ree telde: "Een, twee," en bij 'drie' gingen ze ervandoor. De vos rende heel hard en de kikker hing aan haar staart. Na tweehonderd meter hield de vos stil en keek om. "Het heeft geen zin me te haasten," dacht zij en op haar gemak ging zij verder. Toen zij voor de finish inhield, nam de kikker een sprong en zei: "Ik ben er het eerst, vosje!"

En daarmee begon de ruzie. Ze gingen naar de scheidsrechter van de wedstrijd, opdat die zijn oordeel gaf. Het was de leeuw. "De kikker heeft gewonnen," zei hij. Dat ontkende de vos. Toen kwam het ree erbij en sprak: "Jij hebt helemaal niets meer in te brengen." - "Houd je mond," zei de leeuw tegen het ree, "je bent brutaal, jij was er voor het startsein en heb je hier niet mee te bemoeien." Het ree antwoordde: "Voor alles wat binnen de wedstrijd gebeurt, ben ik verantwoordelijk. Leve mijn goede schurftige kikker!" - "Ik geef je zo meteen een oplawaai!" riep de leeuw. "Als het mijn schuld is, trek ik me liever direct terug," zei daarop het ree. De leeuw velde echter het vonnis over het ree: "Waar ik je vind, zal ik je opvreten."

De vrouwtjesvos sprak tot de leeuw: "Luister, oom, houd je dood, dan zal ik ervoor zorgen dat het ree hier komt." En de vos huilde onafgebroken: "Mijn oom, de leeuw is dood!" Op het gehuil kwam het ree aanlopen. "Wat is er met je aan de hand, tante?" - "Mijn oom leeuw is gestorven!" - "Waar mag hij aan gestorven zijn?" vroeg het ree. "Het moet een plotselinge dood geweest zijn." - "Ik zal dadelijk voor de dodenwacht terugkomen en een kaars meebrengen," zei het ree en liep hard weg en haalde drie dorre bamboetakken en kwam daarmee weer bij de dode oom aan. En het klaagde nu, maar nog steeds van op veilige afstand: "Mijn arme oom leeuw die nu dood is! Ach, hoe lijkt deze dood op die van mijn vader! Toen hij stierf, heeft hij na zijn dood een poot uitgestrekt."

Maar de leeuw liet een wind. "Een dode die dat overkomt, krijgt mij niet," zei het ree en rende weg zo snel het maar kon. De vos zei tegen de leeuw: "Dat was slecht gespeeld. Heb je zo iets wel eens van een dode gehoord?" - "Laat het ree lopen," vond de leeuw, "ik vreet het met hoeven en al op waar ik het aantref." En hij rende weg om het te vangen. Hij liep naar een open plek waarop nog een paar boomstronken smeulden. Hij zei bij zichzelf: "Hier moet het voorbijkomen," en vervolgens sliep hij in.

Intussen komt het ree en zegt: "Kijk eens aan, daar is mijn oom." Het zoekt een halm uit en kietelt hem in zijn neus. De leeuw niesde en sprak: "Laat me toch slapen, jij vuilak!" Het ree mat daarop de halm en zei: "Nu zal ik de halm ver in zijn neus duwen!" En het stak de halm tot halverwege in zijn neus. De leeuw werd verschrikt wakker en greep met beide poten naar de halm om die eruit te trekken. "Deze strohalm heeft het ree in mijn neus gestopt! Waar kan mijn neef wel heen zijn, dat ik hem niet kan vinden?"

Op een dag ontdekte de vos het ree dat op een rots zat. Die verhief zich bij een steile weg bergopwaarts. Zij vroeg: "Wat doe jij hier?" - "Ze brengen me een vette merrie te eten, daar wacht ik op. Weet je niet waar mijn oom leeuw zit, opdat ik hem die kan schenken?" Intussen kwam de leeuw. "Zo neef, wat doe jij hier? Vandaag zal ik je opeten!" - "Stil, oom. Direct wordt mij een vette merrie gebracht, die zal ik je cadeau doen! Ga in het dal zitten, ik zal haar naar je toedrijven."

De leeuw geloofde dat, ging in het nauwe dal zitten en wachtte tot de merrie kwam. Het ree haalde echter het stinkdier te hulp, duwde een rotsblok los en rolde dat de berg aft "Daar komt de merrie, oom!" Toen de leeuw het gedonder hoorde, stond hij al klaar. "Daar komt de merrie aangalopperen," zei hij bij zichzelf en ging op de weg staan. Daar kwam het rotsblok aanrollen en raakte met een klap zijn kop. De leeuw dacht bij zichzelf: "Wat moet dat een moordmerrie zijn, als het zo'n hoefslag kan geven!" Zijn tanden zaten los in zijn bek en hij schreeuwde het uit van pijn.

Toen kwam het ree aanlopen en vroeg: "Wat is er met jou gebeurd, oom?" - "De merrie heeft me een oplawaai met haar hoef gegeven, neef." - "Kun je je ogen dan niet opendoen?" vroeg het ree. De leeuw deed zijn ogen een beetje open. "Daar beneden is de merrie!" zei het ree en liep weg. De leeuw zag nu dat de merrie een machtig rotsblok was geweest. "Ave Maria," zei hij, "een volgende keer zal mijn neef me nog vermoorden, ik moet ervoor zorgen dat ik hem opvreet zodra ik hem vind."

Het ree woonde hoog in de bergen. Op een dag vroeg de leeuw aan de vos: "Heb je mijn neef niet gezien?" - "Die zit ginds," zei ze, "je kunt hem nu werkelijk gemakkelijk opvreten." De leeuw ging op zoek. In een maannacht vond hij het ree, het zat omtaag te kijken. "Vandaag en hier zal ik je opvreten." - "Stil toch, oom leeuw! Hier beneden in de rivier drijft een machtige kaas. Ik wilde net naar beneden springen, want de mensen zeggen dat kaas heel goed is." - "Luister, neef," zei de leeuw, "dan kan ik me beter in de rivier werpen, jij kunt me dan van achteren duwen! Dan val ik met meer gewicht in het water en kom ik dieper. Als ik de kaas eruit heb, delen wij die."

Het ree duwde hem al, toen ze nog aan het praten waren. De oren van de leeuw suisden, zo groot was de snelheid die hij bereikte. Kaas haalde niemand eruit, want het was de maan geweest die in het water weerkaatste.

"Dat is nou ook wat, dat ik zo dom ben en alles van mijn neef geloof! Maar na alles wat me is overkomen, zal ik helemaal niets meer van hem geloven!"

De volgende dag zat het ree rustig in een noteboom noten te eten. Daar komt zijn oom, de leeuw, voorbij en het ree fluit naar hem en het zegt: "Luister, oom leeuw, kom horen eten!" De leeuw zette grote ogen op. "Gooi me er een toe." De leeuw raapte de noot op en drukte die met zijn poot stuk. "Zo moet je noten niet openmaken, oom," zei het ree. "Hoe doe je dat dan, neef?" vroeg de leeuw. "Zoek een grote en een kleine steen. Leg dan knikkers op de grote steen en daarop de noot. Sla nu met de andere steen op de noot. Zo krijg je het wit dat binnen in de noot zit." En de leeuw neemt de steen zoals hem gezegd is en slaat daarmee met grote kracht op de noot. Die sprong ver weg, maar de knikkers treffen hem overal. "Eet, oom, eet!"

De leeuw was half verdoofd, zo'n pijn hadden zijn knikkers hem gedaan. "Wat een doortrapte schurk!" zei hij tegen zichzelf. "Hij had me bijna zover gekregen mijn knikkers op te eten in de veronderstelling dat het noten waren! Nooit geloof ik meer wat hij zegt en als ik hem te pakken krijg, vreet ik hem op."

Toen zei het ree bij zichzelf. "Het ziet er slecht voor me uit, ik zal naar een naburig dorp moeten verhuizen." En het liep naar een dorp waar een koning heerste. In deze buurt kwam het over een brug over een rivier. En toen het aan de andere kant was, vond het een bijenkorf die van de koning was. Het ree at van de honing en liep weer naar de andere kant van de rivier terug.

Op een dag zei de koning: "Morgen ga ik honing halen." En hii vertrok met een knecht om naar de bijenkorven te kijken en ze ontdekten dat er geen honing in zat. "O," zei de koning, "mijn honing wordt dus gestolen!" En ze liepen tot de brug en vonden het spoor van de boosdoener en het spoor leek wel met hoge hakken aangebracht.

De koning dacht: "Het is dus een vrouw die mijn honing steelt." Hij keerde terug naar zijn paleis en vertelde het aan ziin vrouw: "Kind, een vrouw steek mijn honing! Wij hebben namelijk het spoor gevonden en het is afkomstig van hoge hakken." Toen zei de vrouw: "Luister, maak een grote pop van gips die de hand opheft en zet die aan de andere kant van de brug."

's Nachts kwam het ree en wilde meer honing halen. Toen zag het de pop. "Goedenavond, vriendje, ga wat opzij, dan kan ik erlangs!" zei het ree. De pop zei geen boe of ba. Het ree tilde zijn voorpoot op en sloeg de pop en bleef eraan kleven. "Luister eens, vriend," zei het, "laat me los, anders sla ik je nog een keer." En het tilde de andere voorpoot op en sloeg weer toe, maar toen bleef ook die poot vastkleven. "Laat me los," riep het, "anders geef ik je twee schoppen!" Het ree tilde de achterpoten op en gaf de pop twee trappen, en die bleven ook aan de pop kleven. "Laat me los, vriend," zei het, "anders rare ik met mijn kop tegen je aan!" En het ramde met zijn kop tegen de pop en die bleef ook kleven. "Nu zit ik in de val; als mijn oom leeuw me nu te pakken krijgt, vreet hij me samen met de pop op."

Daar hoort het ook al een getrappel en zegt bij zichzelf: "Daar komt mijn oom leeuw." Het komt op het idee te gaan schreeuwen: "Ach, dat ze me alleen daarom willen doden omdat ik die vette koe niet wil opvreten!" - "Hier moet mijn neef ergens zitten!" zei de leeuw. Maar het ree riep weer: "Dat ze me alleen daarom willen doden omdat ik die vette koe niet wil opvreten!"

Intussen kwam de leeuw bij hem aan. "Wat is er met ie, neef." - "Ze willen me doden," zei het ree, "en dat alleen maar omdat ik een vette koe niet wil opvreten." - "Ga toch opzij," zei de leeuw, "ik neem iouw plaats in!" - "Maar dat ding hier wil me niet loslaten!" riep het ree. Toen pakte de leeuw het ree bij de schaamdelen en wierp het naar achteren, nu was het vrij en los. "En wat doe ik nu?" vroeg de leeuw. "Nu geef je hem twee flinke klappen!" zei het ree. De leeuw bleef kleven. "Geef hem nu twee fikse trappen," zei het ree. En ook daarbij bleef hij kleven. "Geef hem een oplawaai met je kop," sprak het ree. Hij bleef kleven. "En nu roep je dat je de koe wilt opvreten, dan wordt die je gebracht." Daarop brulde de leeuw: "Ik vreet de vette koe op!"

Op het gebrul kwam de koning met zijn knecht aanlopen. "Jij bent dus degene die de honing heeft gestolen?" - "Nee," zei de leeuw, "ik wacht op een koe." - "Kom maar met ons mee, dan krijg je er een!" Ze sleepten hem mee naar huis. Toen ze er waren, liet de koning de bakoven gloeiend heet stoken. De leeuw dacht bij zichzelf: "Wanneer brengen ze me die vette koe hOU eens? Ik heb honger." Toen kwam de koning. "Het is tijd dat je de koe opvreet," zei hij.

Ze steepten de leeuw naar de oven en wierpen hem erin, en hij begon daarbinnen enornîe sprongen te maken, kon echter door de ovendeuren ontkomen en stormde naar be­neden, waarbij hij op zijn knieën gleed en zo zijn verbrande poten over zacht, vochtig akkerland sleepte. Toen kwam ook de vrouwtjesvos, die hem had gezocht. "Oom, wat is er met je gebeurd?" - "Ik was bijna dood geweest en zat hopeloos in de knoei! Stel je voor wat een streken mijn neef me levert! Zou je me over de brug naar de overkant kunnen helpen?" - "Maar zonder stok kun je niet lopen."

En onmiddellijk haalde de vos een coliguetak voor zijn oom en zette hem aan de andere kant van de brug af. "Nu ben ik temninste in veiligheid," zei de leeuw, "heb je mijn neef hier niet in de buurt gezien?" - "Jazeker," antwoordde de vos, "hij was daarnet halverwege de berg en zat zich bijna dood te lachen. Hij loopt met een stok en daalt om twaalf uur 's middags af om water te drinken. Dan kun je hem gemakkeliik te pakken nemen. Je gaat in de waterpoel zitten en als hij komt drinken, dan pak je hem."

De leeuw ging in de waterpoel zitten en wachtte tot het ree kwam drinken. Plotseling kwam het inderdaad en de leeuw greep hem. "O, oom leeuw," zei het, "je wilde me bij mijn poot pakken en nu heb je mijn stok gegrepen!" Toen liet de leeuw de poot los en bleef met de stok zitten. Hij sprong uit de waterpoel. Toen kwam de vos en zei: "Verdorie; wat ben je dom, oom! Je had zijn poot al te pakken en nu blijf je met de stok zitten!" - "Maar het ree zei me toch: "O, oom leeuw, je wilde me bij mijn poot pakken en je hebt de stok gegrepen"!" En toen zei de leeuw: "Wacht maar, ik zal hier weer op het ree wachten."

Op een dag zag het ree dat zijn oom weer in de buurt was. En het rende naar een boom die met slingerplanten begroeid was, en bond zich daaraan vast. Toen kwam de leeuw. "Nu zal ik je ter plaatse opvreten!" Het ree antwoordde: "Luister eens, oom, er komt een tornado en degenen die niet zijn vastgebonden, worden meegesleurd." De leeuw sprak: "Waarom bind je mij ook niet vast, heel? Dan zal ik je alles, wat je me hebt aangedaan, vergeven." - "Als dat zo is..." zei het ree en begon zich los te maken en de oom zo vast te binden dat zijn staart op zijn schouders kwam te liggen. "De tornado komt er zo aan," zei het intussen.

En het liep naar een oud vrouwtje en vroeg om een heet braadspit. Toen dat roodgloeiend was, rende hij ermee naar de leeuw. "Oom, heel diep bukken, want daar komt de tornado al!" En op dat ogenblik duwt hij het braadspit tegen zijn achterste en de leeuw kwam door de wilde stuiptrekkingen die hij maakte vrij en rende weg. Toen hij met grote moeite over een kloof sprong, viel het braadspit omlaag. De leeuw wist met veel moeite nog een boom te bereiken en stierf.

Op een avond vond de vos hem. "Mijn oom leeuw zal wel slapen, ik kan hem beter niet wekken, maar om twaalf uur terugkomen!" zei die bij zichzelf. Toen kwam zij opnieuw. "Wakker worden, oom leeuw!" Maar hoe kon de leeuw wakker worden, die immers al he­lemaal stijf was! De vrouwtjesvos weende luid en riep: "Mijn oom leeuw is dood!" Snikkend liep zij weg.

"Wat is er gebeurd?" vroeg het ree en zei direct daarop: "De tornado heeft hem zeker gedood. Wacht hier op me, ik zal hem voor je halen." Het haalde het braadspit. "Dit is de tornado!" zei het tegen de vos. "Ik zal hem aan grootmoeder teruggeven, die heeft hem mij geleend." Het rende weg en gaf het aan de oude vrouw. "Tot ziens, grootmoedertje. Bedankt voor je braadspit, het heeft de leeuw gedood."

Het ging met de vos naar oom leeuw kijken. "Zou hij zich niet dood houden zoals vroeger?" Ze kwamen bij hem. "Nu geloof ik toch werkelijk dat hij dood is, want de vliegen vreten hem op. Ik ben heel tevreden dat hij gestorven is, want nu zal niemand mij meer lastig vallen, en ik kan gelukkig leven. Begraaf jij hem, vosje, ik zal daar geen poot bij uitsteken." Zo begroef de vrouwtiesvos hem en het ree leefde heel gelukkig in dat land.


*   *   *

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Zuidamerikaanse sprookjes" verzameld door Felix Karlinger, vertaald door Geert Redslo. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1993. ISBN: 90-6120-95-60

Herkomst: Chili
Verteltijd: ca. 26 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook