Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 36 min.
Herkomst:




De koningszoon die onsterfelijk wilde worden Een Hongaars sprookje over de Koningin van de Onsterfelijkheid

Er leefde eens, ik weet niet waar, maar het was nog voorbij zeven maal zeven koninkrijken, aan de overkant van de zee, op de ingestorte zijkant van een ingestorte kachel, in de zevenenzeventigste plooi van de rok van een oude vrouw, een witte vlo. In zijn binnenste hart lag een schitterende koningsstad. In deze stad nu woonde een al wat oudere koning die één enkele, veelbelovende zoon had. Om kort te gaan, op deze zoon had de koning al zijn hoop gevestigd en daarom liet hij hem in alle wetenschappen onderwijzen. Vervolgens stuurde hij hem naar vreemde landen, zodat hij de wereld zou zien, horen en beleven.

Al langer dan een jaar had de koningszoon daar rondgereisd, toen hij uiteindelijk op verzoek van zijn vader naar huis terugkeerde. Tijdens zijn lange reizen was de koningszoon echter sterk van karakter veranderd. Hij was nadenkend en somber geworden. Zijn vader was zeer verwonderd en peinsde erover wat toch de oorzaak van deze grote verandering kon zijn. Hij sprak er echter met niemand over, maar piekerde in stilte tot hij op de gedachte kwam dat zijn zoon zeker verliefd was, daarom was hij vast zo in zichzelf gekeerd.

Op een dag zaten de koning en zijn zoon met zijn tweeën in de eetkamer van het koninklijke paleis. De koning pakte zijn zoon bij de arm, bracht hem in de aangrenzende kamer, die geheel was gevuld met portretten van mooie meisjes, en zei: "Lieve zoon, je bent zo mismoedig. Het zou goed zijn als je trouwde. Kijk om je heen, deze kamer is gevuld met portretten van alle dochters van keizers, koningen en edelen. Je kunt uitkiezen wie je wilt. Trouw met het meisje dat je het beste bevalt. Kom, laat me dan nu een opgewekter gezicht zien."

"Ach, mijn lieve koninklijke vader," antwoordde de koningszoon, "het ligt noch aan liefde noch aan trouwen dat ik zo treurig ben. Het is de gedachte dat alle mensen, ook koningen, eenmaal moeten sterven. Daarom wil ik een land opzoeken, waar de dood geen macht heeft. Ik ben ook vastbesloten zo'n land te vinden, al moet ik blijven zoeken tot mijn benen tot aan mijn knieën zijn versleten."

De oude koning deed zijn uiterste best zijn zoon van zijn voornemen af te brengen. Hij zei dat hij het onmogelijke wilde. Hij vertelde hem dat hij al vijftig jaar koning van het land was en dat hij altijd gelukkig en tevreden had geleefd en tegelijkertijd bood hij zijn zoon aan het koninkrijk aan hem over te dragen, als hij maar weer opgewekt was en thuis wilde blijven. Maar de koningszoon bleef vast bij zijn voornemen. De volgende ochtend bond hij een zwaard om en ging op pad.

Toen hij al enkele dagen zijn vaders rijk had verlaten en langs de straat stapte, zag hij vanuit de verte een enorme boom en het leek alsof in de top een grote adelaar zweefde. Hij kwam naderbij en zag toen dat er werkelijk een grote adelaar in de top van deze enorme boom zat, die hard aan de takken schudde en de twijgen naar alle kanten uit elkaar rukte.

Hij stond nog verwonderd te kijken, toen de adelaar naast hem naar beneden kwam, over de kop duikelde en in een koning veranderde die de verbijsterde koningszoon vroeg: "Waarom sta jij daar zo verwonderd te kijken, jongen?"

"Ja waarachtig," antwoordde deze, "ik vraag me af waarom je zo aan de top van deze grote boom aan het schudden was."

Vervolgens zei de adelaar: "Zie je, ik ben ertoe veroordeeld dat noch ik, noch een van mijn nakomelingen mag sterven tot ik deze boom hier met wortel en al heb uitgerukt. Maar het wordt al avond, vandaag werk ik niet verder. Ik ga nu naar huis en ook jou laat ik graag als gast de nacht in mijn bescheiden woning doorbrengen." De koningszoon nam het aanbod aan en samen wandelden ze naar het paleis van de adelaarskoning. Nu had de adelaarskoning een beeldschone dochter. Zij verwelkomde haar vader en de koninklijke gast, liet direct de tafel dekken en zorgde voor het avondeten. Tijdens de maaltijd vroeg de adelaarskoning zo in het gesprek aan de reizende koningszoon wat het doel van zijn tocht was. De koningszoon vertelde hem daarop dat hij net zo lang wilde rondtrekken tot hij een land had gevonden, waar de dood geen macht had. "Wel mijn lieve jongen," zei de adelaarskoning, "dan ben je hier precies op het juiste adres. Heb je niet gehoord dat de dood noch over mij, noch over mijn nakomelingen enige macht heeft totdat ik die grote boom met wortel en tak heb uitgerukt? Daar zullen minstens zeshonderd jaar overheen gaan. Trouw met mijn dochter, dan kunnen jullie hier bij mij lang genoeg leven!"

"Ach, beste koning, dat zou geweldig zijn, maar na zeshonderd jaar moeten we dan toch sterven. Ik wil echter een plek zoeken waar de dood nooit macht zal hebben."

Ook de prinses verzocht hem te blijven, want ze stonden al op vertrouwelijke voet met elkaar. Maar ook zij slaagde er niet in hem tot blijven te bewegen. Ten slotte gaf ze hem, om hem niet zonder een aandenken aan haar te laten vertrekken, een doosje met op de bodem een geschilderd portret van haar en zei tegen hem: "Goed dan koningszoon, aangezien je beslist niet bij me wilt blijven, geef ik je dit aandenken dat de volgende toverkracht bezit: als je bij je omzwervingen moe wordt, open dan het doosje, kijk naar mijn portret en je kunt reizen zoals je wilt. Door de lucht als een stormwind of over de grond als de snelste gedachte of een razende wervelwind."

De koningszoon bedankte haar voor het doosje en stopte het in zijn zak. De volgende dag nam hij afscheid van het huis van de adelaarskoning en vervolgde zijn reis.

Een tijd lang liep hij langs de landweg, maar na een poosje werd hij moe en toen dacht hij aan zijn doosje. Hij haalde het uit zijn zak, opende het, bekeek het portret van de prinses en dacht: "Kon ik maar zo snel vooruitkomen als de wind boven in de lucht!" Direct werd hij opgeheven en vloog zo snel als de wind vooruit.

Toen hij nu een flink eind had afgelegd en boven een reusachtig grote, hoge berg vloog, zag hij hoe een man met een kaal hoofd met spade en houweel aarde van de top van de berg in een mand laadde en naar beneden droeg. De koningszoon hield halt op de grond en verbaasde zich over wat hij zag. De kale man bleef ook staan en vroeg de koningszoon: "Waarom kijk je zo verbaasd, jongen?"

"Ja waarachtig, ik vraag me af waarheen je deze mand vol aarde draagt."

"Ach beste jongen," antwoordde de oude man, "ik ben ertoe veroordeeld dat noch ik, noch iemand van mijn familie kan sterven totdat ik deze hoge berg met mijn mand heb afgegraven en met de grond gelijk heb gemaakt. Maar het is al avond, vandaag werk ik niet meer." Vervolgens duikelde hij over de kop en veranderde in een koning met een kaal hoofd, die naar de reizende koningszoon toe ging en hem uitnodigde bij hem te overnachten. Zo liepen ze samen naar het paleis van de kale koning. Deze had echter een dochter die wel honderd maal zo mooi was als de vorige. Zij verwelkomde haar vader en zijn gast en zette ze snel een avondmaal voor. Tijdens de maaltijd vroeg de kale koning de reizende koningszoon hoe lang hij rond wilde reizen. Daarop antwoordde de koningszoon dat hij net zo lang rond wilde reizen tot hij een land had gevonden, waar de dood geen macht had.

"Dan ben je hier precies aan het juiste adres," zei ook de kale koning, "want zoals ik al zei ben ik ertoe veroordeeld dat noch ik, noch iemand van mijn familie kan sterven totdat ik die hoge berg heb afgegraven. Daar zullen minstens achthonderd jaar overheen gaan. Trouw met mijn dochter. Ik kan wel zien dat jullie je samen niet zullen vervelen en achthonderd jaar is een lang leven."

"Ongetwijfeld," zei de koningszoon, "maar ik wil daarheen, waar de dood nooit macht zal hebben."

Daarop stond hij op, wenste goedenacht en ging naar zijn slaapkamer. De volgende dag stond iedereen heel vroeg op. De prinses vroeg de koningszoon opnieuw om te blijven, maar hij wilde beslist niet. Omdat ze hem niet zonder aandenken weg wilde laten gaan, gaf ze hem een gouden ring met toverkracht. Wanneer zijn eigenaar hem aan zijn vinger draaide, dan was hij terstond waar hij wilde zijn. De koningszoon nam de ring en bedankte haar. Vervolgens nam hij afscheid en ging weer op weg.

Toen hij enige tijd langs de landweg had gelopen, dacht hij weer aan zijn ring. Hij draaide hem aan zijn vinger en bedacht dat hij graag aan het einde van de wereld wilde zijn. Hij sloot zijn ogen en waarachtig, toen hij ze een ogenblik later weer opende, bevond hij zich midden in een schitterende koningsstad. Hij liep door de straten en zag veel mensen in zonderlinge kledij en met een zonderling uiterlijk. Hij probeerde in zevenentwintig talen met hen te spreken, want zoveel talen kende de koningszoon, maar niemand gaf hem in ook maar een ervan antwoord. Dat maakte hem verdrietig, want wat moest hij daar als hij met niemand kon praten. Hij liep lang met zijn zorgen rond, tot hij plotseling iemand zag die zo was gekleed als dat in zijn eigen land gebruikelijk was. Hij sprak de man in zijn eigen taal aan en daarin kon deze hem ook werkelijk antwoorden. Allereerst vroeg hij hem natuurlijk wat het voor een stad was, waar hij terecht was gekomen. De man legde hem uit dat dit de hoofdstad was van het land van de blauwe koning. De koning zelf was echter dood en nu regeerde een lieve, beeldschone prinses in haar eentje over zeven rijken, want er was niemand anders meer over van het hele koningshuis. De koningszoon was tevreden met deze inlichtingen en vroeg de man of hij hem het koninklijk paleis kon wijzen.

"Ja zeker, met genoegen," antwoordde de man. Hij bracht de koningszoon naar het paleis en nam daar afscheid van hem. De koningszoon ging naar binnen en daar zat de prinses op de trappen van het paleis een goudglanzende nevelsluier te borduren. De koningszoon ging regelrecht op haar af, maar de prinses stond op van haar zitplaats. Ze zag direct dat hij geen gewoon mens was en nodigde hem het paleis binnen, waar ze hem als een vorst onthaalde. Na vele gesprekken, waarbij de prinses het voornemen van de koningszoon leerde kennen, vroeg ze hem bij haar te blijven en haar te helpen met de regering. De koningszoon verklaarde echter dat hij zich alleen wilde vestigen in een land waar de dood geen macht had. Daarop nam de prinses hem bij de arm, bracht hem naar de deur van een zijkamer en - kijk! - de vloer van die kamer was zo vol gestoken met naalden, dat er niet één meer bij had gekund.

"Wel, beste koningszoon," zei het meisje, "zie je deze ontelbare naalden? Ik ben ertoe veroordeeld dat noch ik, noch iemand die tot mijn familie behoort, kan sterven totdat ik al deze naalden heb opgebruikt. Dat zal echter wel duizend jaar duren, dus als je bij me blijft, kunnen we heel lang samen leven en regeren."

"Zeker," antwoordde de koningszoon, "maar na duizend jaar moeten we dan toch sterven. Ik ben echter op zoek naar een land waar de dood nooit enige macht zal hebben."

De nevelsluierbordurende prinses deed genoeg moeite de koningszoon van zijn voornemen af te brengen, maar tenslotte verklaarde deze dat hij niet wilde blijven, maar dat hij zijn onderbroken reis zou voortzetten. Daarop ging de prinses naar hem toe en zei: "Aangezien ik je op geen enkele manier kan weerhouden, geef ik je als aandenken aan mij een kleine gouden staf. Deze heeft het vermogen zich in een noodgeval in alles te veranderen wat je maar wilt."

De koningszoon bedankte de prinses voor het geschenk en stopte het in zijn zak. Daarna nam hij afscheid van haar en ging weer op weg.

Hij was nog maar net buiten de stad gekomen, of hij stuitte al op een brede rivier. Hij zag echter dat aan de overkant de luiken van de hemel waren gesloten en dat hij niet verder kon. Hij had namelijk het einde van de wereld bereikt. Dus volgde hij de rivieroever stroomopwaarts en toen hij zo een poosje had gelopen, viel zijn oog plotseling op een schitterend koningskasteel dat boven het water in de lucht zweefde. Hij keek nauwkeurig om zich heen, maar hij zag noch een weg, een brug die dit kasteel met het vasteland verbond. Toch zou hij graag dit prachtige kasteel van dichtbij bekijken.

Toen herinnerde hij zich plotseling de gouden staf, die hij van de nevelsluierbordurende prinses had gekregen. Hij haalde hem te voorschijn, gooide hem op de grond en dacht: "Ik hoop dat hieruit een brug ontstaat naar het schitterende koningskasteel." En terstond groeide er uit de staf een gouden brug naar het schitterende kasteel. De koningszoon aarzelde niet lang, maar sprong op de gouden brug en liep naar het kasteel. Toen hij echter door de poort ging, zag hij dat deze werd bewaakt door vreemde, wonderlijke dieren zoals hij nog nooit ergens had gezien.

Hij schrok en riep tegen zijn zwaard: "Zwaard, uit de schede!" Zijn zwaard sprong te voorschijn en sloeg enkele dieren de kop af, maar kijk, direct groeiden er weer nieuwe koppen aan. Daar schrok de koningszoon nog meer van, riep zijn zwaard terug en bleef verbijsterd staan. De koningin van het kasteel had alles gezien vanuit haar venster en stuurde meteen een dienaar naar hem toe, zodat de wachters hem niets zouden doen. Bovendien beval ze de dienaar de vreemde reiziger bij haar te brengen. De dienaar ging snel naar buiten en voerde de koningszoon tussen de wachters door naar de meesteres van het kasteel.

Zodra de koningszoon voor de koningin verscheen, begon deze tegen hem te spreken: "Ik zie dat je geen gewoon mens bent, maar zeg me wie je bent en waarom je hier bent gekomen."

Daarop vertelde de koningszoon wie zijn vader was en dat hij op reis was gegaan om een land te zoeken, waar de dood geen macht had.

"Wel, dan ben je hier op de juiste plek," zei de koningin, "want ik ben de Koningin van het Leven en van de Onsterfelijkheid. Hier kun je de dood trotseren."

Daarop vroeg ze hem te gaan zitten, nodigde hem uit voor de maaltijd en nam hem vreugdevol in haar huis op.

Al bijna duizend jaar verbleef nu de koningszoon in het schitterende kasteel, maar die waren zo snel voor hem vervlogen als voorheen een half jaar.

Toen er precies duizend jaar waren verstreken, droomde de koningszoon op een nacht dat hij thuis was en met zijn vader en moeder sprak. Daardoor kreeg hij zo'n heimwee, dat hij zodra hij de volgende morgen was opgestaan, de Koningin van de Onsterfelijkheid meedeelde dat hij naar huis wilde gaan om zijn vader en moeder nog een keer terug te zien. De Koningin van de Onsterfelijkheid was hier zeer verbaasd over en zei: "Ach koningszoon, wat haal je je nu in je hoofd? Je vader en moeder zijn immers al meer dan achthonderd jaar geleden gestorven. Van hen zul je niet het geringste spoor meer aantreffen."

Ze slaagde er echter niet in de koningszoon van zijn voornemen af te brengen en daarom zei ze: "Wel, als je werkelijk wilt gaan, kom dan eerst met me mee, zodat ik je kan toerusten voor de reis." Daarna hing ze hem een gouden en een zilveren flesje om zijn nek en nam hem mee naar een zijkamer. Daar toonde ze hem in een hoekje een kleine valdeur, liet hem deze openen en zei: "Vul met het water dat zich onder deze deur bevindt het zilveren flesje. Het is namelijk zo: wanneer je iemand daarmee besprenkelt, wordt hij ter plekke een kind des doods, ook al beschikte hij daarvoor over duizend levens."

Vervolgens bracht ze hem naar een andere zijkamer, waar eveneens in de hoek een kleine valdeur te zien was. Ook deze beval de koningin hem te openen en toen vulde ze het gouden flesje met water en zei: "Wel koningszoon, dit water, dat aan de rots der eeuwigheid ontspringt, heeft de kracht iemand die dood is, al is het vier- of vijfduizend jaar, weer sterk en bloeiend tot leven te wekken, als je maar het kleinste botje van hem ermee besprenkelt."

De koningszoon bedankte de Koningin van de Onsterfelijkheid voor haar geschenken en vervolgens nam hij afscheid van haar en van het hele kasteel en ging op weg.

Al snel bereikte hij de stad waar de nevelsluierbordurende prinses had gewoond, maar hij herkende het geheel nauwelijks, zo sterk was alles veranderd. Haastig ging hij naar het koninklijk paleis, maar daar heerste een rust alsof er niemand woonde. Hij ging het paleis binnen en in de woonkamer vond hij de prinses, die gebukt over haar borduurwerk was ingeslapen. Zachtjes en voorzichtig liep hij naar haar toe en sprak haar aan, maar ze antwoordde niet. Toen trok hij haar zachtjes aan haar rok, maar ze bewoog zich niet. Vervolgens liep hij naar de kamer die vol met naalden was geweest en hij zag dat er geen enkele naald meer over was. Ook de allerlaatste naald had de prinses bij het borduren gebroken en daarna was ze gestorven.

Terstond pakte hij zijn gouden flesje en besprenkelde de prinses met het water daaruit. Daarop kwam ze weer tot leven, plotseling tilde ze haar hoofd op en begon tegen de koningszoon te praten: "Mijn lieve vriend, wat fijn dat je me hebt gewekt. Ik heb vast heel lang geslapen."

"Je zou tot in alle eeuwigheid hebben geslapen," antwoordde de koningszoon, "als ik je niet had gewekt."

Toen pas drong het tot de prinses door dat ze dood was geweest en dat de koningszoon haar weer tot leven had gewekt. Ze bedankte hem hartelijk en beloofde hem dat ze tot wederdienst bereid was.

Nadat de koningszoon afscheid van haar had genomen, ging hij regelrecht naar de kale koning en hij zag al uit de verte dat deze de hoge berg helemaal had afgegraven. Zodra hij bij die plek aankwam, zag hij dat de koning de mand onder zijn hoofd had geschoven en zijn schop en houweel naast zich neer had gelegd en dat hij zo was gestorven. Snel haalde hij ook hier zijn gouden flesje te voorschijn, besprenkelde de kale koning ermee en wekte hem weer tot leven, zoals hij dat eerder met de prinses had gedaan. Ook hij verklaarde zich tegenover de koningszoon tot wederdienst bereid en daarna nam deze afscheid van hem en trok verder naar de adelaarskoning. De adelaarskoning had de hoge boom van de top tot aan de wortels zo finaal uit elkaar getrokken, dat er zelfs geen klein takje meer te bekennen was. De koning zelf had zijn vleugels uitgespreid, zijn snavel op de grond gelegd en was zo gestorven. De vliegen zoemden al om hem heen. De koningszoon haalde zijn gouden flesje te voorschijn en besprenkelde de adelaarskoning. Ook hij kwam weer tot leven, werd wakker en zei: "Ach wat heb ik lang geslapen. Ik ben je dankbaar dat je me wakker hebt gemaakt, mijn beste vriend."

"Je zou tot in alle eeuwigheid hebben geslapen," zei de koningszoon, "als ik je niet had gewekt."

Nu besefte de adelaarskoning dat hij dood was geweest. Hij herinnerde zich de koningszoon, bedankte hem dat hij hem weer tot leven had gewekt en beloofde hem zo mogelijk een wederdienst.

Vervolgens nam de koningszoon ook van de adelaarskoning afscheid, reisde verder en bereikte al spoedig de hoofdstad van zijn vaders rijk. Al van verre merkte hij echter dat het koninklijk paleis was verdwenen, geen stofje, geen kruimeltje was er van over. Hij liep erheen en zag dat er op de plaats van het paleis een zwavelmeer was ontstaan, dat met blauwe vlammen brandde als een goede pruimenjenever. Toen gaf de koningszoon alle hoop op dat hij nog iets van zijn vader en moeder terug zou kunnen vinden en verdrietig aanvaardde hij de terugreis. Zodra hij echter de stad verliet, hoorde hij achter zich iemand deze woorden roepen: "Halt koningszoon, hier ben je op de juiste plaats. Al precies duizend jaar zoek ik onophoudelijk naar je." De koningszoon keek om en zag dat het de oude dood zelf was, die hem had aangeroepen. (Naar de duivel met hem!) Direct draaide hij de ring aan zijn vinger en zo snel als de gedachte was hij bij de adelaarskoning en daarna bij de kale koning en vervolgens bij de nevelsluierbordurende prinses. En ieder van hen vroeg hij hun hele leger in te zetten om de Dood tegen te houden tot hij bij de Koningin van de Onsterfelijkheid was aangekomen, maar de Dood galoppeerde overal zo snel achter hem aan, dat hij de koningszoon nog net bij zijn ene voet kon grijpen toen hij zijn andere over de drempel van het kasteel van de Koningin van de Onsterfelijkheid zette.

"Halt," riep hij, "je bent van mij."

Dat zag de Koningin van de Onsterfelijkheid en ze riep vanuit haar raam tegen de Dood wat hij in haar rijk kwam doen, omdat zijn macht daar immers ophield.

"Dat klopt," zei de Dood, "maar zijn ene been hangt in mijn rijk, dat is van mij."

"Zeker, maar in elk geval is hij ook voor de helft van mij," antwoordde de onsterfelijke koningin, "maar wat zou je ermee opschieten als we hem deelden. Aan een halve koningszoon hebben we allebei niets. Daarom stel ik je voor binnen te komen, voor deze keer sta ik dat toe, om de zaak met een weddenschap op te lossen."

Daar stemde de Dood mee in. Hij stapte het kasteel van de Koningin van de Onsterfelijkheid binnen en vervolgens stelde de koningin voor de koningszoon omhoog te gooien, regelrecht tot in de zevende hemel en om de morgenster heen. En als het haar lukte hem zo omhoog te gooien, dat hij weer in het kasteel belandde als hij naar beneden kwam, dan was hij van haar. Als hij echter buiten de kasteelmuren omlaag zou vallen, dan behoorde hij aan de Dood. De Dood ging met deze weddenschap akkoord. Toen zette de koningin de koningszoon in het midden van het kasteel, klemde haar voet onder zijn voeten en slingerde hem zo ver tussen de sterren omhoog, dat hij helemaal verdween. Door de inspanning struikelde de koningin echter een beetje en ze maakte zich hevig bezorgd dat de koningszoon daarom buiten het kasteel terecht zou komen. Dus wachtte ze vol ongeduld tot de koningszoon weer omlaag viel. Plotseling zag ze hem, zo groot als een wesp, weer aankomen. Ze schatte met haar ogen waar hij was en waar hij wel neer zou komen. "Wel allemachtig, precies op de kasteelmuur!" schoot het door de koningin heen.

Maar een zacht briesje uit het zuiden had net zoveel effect dat de koningszoon precies aan de binnenkant van de kasteelmuur zou neerkomen, als de koningin hem niet opving. Snel sprong de koningin naar voren, ving hem als een lichte bal op en droeg hem in haar armen het kasteel binnen. Toen ze zag dat hij een beetje duizelig was, kuste ze hem om hem weer tot zichzelf te brengen. Daarna beval de koningin haar hofpersoneel alle bezems te voorschijn te halen, deze aan te steken en met behulp van de vuurbezems de Dood uit haar kasteel te jagen. Ze verbood hem ooit nog een voet op haar terrein te zetten. Daarna leefden de koningszoon en de koningin gelukkig en tevreden tot op de huidige dag.

Als je dit verhaal niet gelooft, moet je het kasteel van de Koningin van de Onsterfelijkheid opzoeken, dat aan het einde van de wereld in de wolken boven de rivier zweeft. Zodra je dat hebt gevonden, zul je direct van de waarheid van dit sprookje overtuigd zijn.


*   *   *

De koningszoon die onsterfelijk wilde worden Samenvatting
Een Hongaars sprookje over de Koningin van de Onsterfelijkheid.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Hongaarse sprookjes" samengesteld door Leander Petzoldt, vertaald door Uta Anderson. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1996. ISBN: 90-389-03839

Herkomst: Hongarije
Verteltijd: ca. 36 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook