Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 25 min.
Herkomst:




De koopman, zijn vrouw, de sultan en de kat Zeven brandende kaarsen op een kattestaart

In de stad Tasjkent woonde eens een ijverige en zeer verstandige koopman. Onvermoeid reisde hij van de ene plaats naar de andere, verkocht zijn handelswaar en bracht uit verre streken soms heel bijzondere voorwerpen en sieraden mee, die de voorname families in zijn eigen stad graag kochten. Het was een winstgevende manier van handeldrijven die hem goed beviel en zijn kapitaal was zeker het viervoudige van dat waarmee hij eens was begonnen. En als hij op reis was hoefde hij zich geen zorgen te maken over hoe het thuis ging met zijn goederen want hij had een wijze en handige partner: zijn vrouw Sarnijar. Op een dag lagen de balen met goederen klaar voor een reis naar een hem onbekende plaats.
Dit keer zou de koopman edelsmeedwerk meenemen, kostbare dienbladen van goud en van zilver.
De bijbehorende kruiken waren met edelstenen bezet en ook de overige siervoorwerpen vormden een lust voor het oog. Hij nam afscheid van zijn vrouw en beloofde haar nu en dan bericht te sturen.
Deze reis was niet zonder gevaar en zou zeker langer duren dan alle vorige. Zijn vrouw die altijd heel veel vertrouwen had in haar man en zijn lot keek hem deze keer met bezorgde ogen na.
Onderweg dacht de koopman echter aan de grote winst die zijn prachtige handelswaar zeker zou opbrengen.
Woonde in de stad die hij zou aandoen niet de rijke sjah, wiens schatkamers in het hele land beroemd waren? Toen Mahmed daar aankwam begaf hij zich naar de karavaan serail, de herberg voor de mannen en hun kamelen. Tot zijn bevreemding merkte hij dat zijn groet niet beantwoord werd. Een van de bezoekers keek hem ernstig aan, nam hem even apart en fluisterde in zijn oor: 'U doet er het beste aan zo vlug mogelijk weer te verdwijnen. Er wordt hier geen handel gedreven.'
Voordat Mahmed had kunnen antwoorden was hij verdwenen.

Mahmed vroeg zich af wat dit te betekenen had, maar daar stond een rijk geklede heer voor hem, die hem hoffelijk groette en vroeg wat hij wenste.

Mahmed vertelde hem dat hij een maand in de stad wilde blijven om handel te drijven, maar ook over de onvriendelijke ontvangst. Was dit eigenlijk wel de stad van zijn verwachtingen? 'Let maar niet op de lanterfanters die hier hun tijd zoekbrengen,' zei de man snel, 'in opdracht van de sultan beheer ik deze serail. Nogmaals heet ik u hartelijk welkom en ik zal u vlug een passende woning in de stad wijzen. Een winkel vindt u later wel. Eerst moet u onze levenswijze leren kennen.'
Mahmed raakte al wat meer op zijn gemak. 'Onze sultan,' vervolgde de heer, 'is erg gesteld op zeldzame schatten uit andere landen.
Daarom nodigt hij iedere vreemde koopman uit om hem in zijn paleis te ontmoeten. Als wederdienst verwacht hij een geschenk.
Daar zult u toch wel mee instemmen?' Mahmed boog. Jazeker daar zou hij voor zorgen! Een mooie gelegenheid kreeg hij nu om de sultan van zijn kostbare koopwaar te vertellen. Waarschijnlijk wilde hij zelf daar iets van uitzoeken of kon hem in ieder geval de naam van een rijke inwoner van de stad noemen. Zijn eerste bediende liet hij de woning inrichten.
De tweede zou zorgdragen voor de balen vol kostbaarheden. En de derde ging met hem mee naar het paleis van de sultan.
Die zou ook het geschenk dragen: een zwaar, gouden dienblad.
De sultan begroette de vreemde koopman zeer vriendelijk, bekeek met welgevallen het prachtige geschenk en daarna gingen zij samen aan tafel. Steeds weer probeerde de koopman het gesprek op de kostbare handelswaar die hij bezat, te brengen, maar de sultan stelde liever vragen. Over zijn woonplaats, familie...

Mahmed beantwoordde openhartig alles wat hij wilde weten. Het bleek nu dat de voorname heer, die Mahmed in de serail had ontmoet, de raadsheer van de sultan was. Later werd er een groot schaakbord binnengebracht, met gouden en ivoren stukken. 'U schaakt toch?' vroeg de sultan.

Mahmed knikte. Hij voelde zich zeer vereerd dat een vorst hem, eenvoudig man, voor een spel uitnodigde. Nu trad de raadsheer naar voren. 'Voordat u met de sultan gaat spelen, moet ik u op een paar regels wijzen die aan dit spel verbonden zijn,' zei hij. 'Mijn vorst bezit een bijzonder wijze kat. Zij kijkt voortdurend toe en zorgt ervoor dat geen enkele valse zet gedaan kan worden.
Daarbij zit zij zo stil, zo onbeweeglijk, dat wij zeven kandelaars met brandende kaarsen op haar staart kunnen zetten, zonder angst dat er één zal omvallen. Als het u lukt, door een zeer wijze zet of door een ongewoon snel spel de aandacht van de kat te wekken, zodat zij met haar staart gaat slaan en de kaarsen omvallen, dan zijn alle rijkdommen in deze zaal de uwe en kunt u ook in de schatkamers van de sultan uitzoeken wat u wenst.'
Nu bracht de sultan zijn raadsheer tot zwijgen en vervolgde: 'In dat geval ben ik in uw macht en kunt u naar eigen goeddunken handelen. Maar beweegt de kat niét, dan ben ik de eigenaar van al uw handelswaar en kan ik u laten opsluiten zolang het mij uitkomt.'
Mahmed schrok hevig. Hij kon geen woord uitbrengen en keek radeloos rond. Vluchten was onmogelijk. Hij was volledig in de macht van deze hebzuchtige sultan en zijn raadsheer.
Daar werd de goudbruine kat binnen gebracht en op haar plaats gezet. Evenals voor de schaakspelers werd voor het dier een zilveren beker met wijn gevuld. Op de langgestrekte staart van de kat zette een dienaar zeven kandelaars met kaarsen, die één voor één werden aangestoken.

Droom ik of waak ik, dacht Mahmed vol ontzetting. O dwaas die ik ben, hier verspeel ik mijn rijkdom en mijn leven. En wat zal er van mijn lieve vrouw worden als ik niet terugkom? Hij wendde zich tot de sultan: 'Wat gebeurt er als ik win en de kat tóch onbeweeglijk blijft zitten?' 'Dan keert u terug naar uw woonplaats,' antwoordde de raadsheer voor zijn vorst, 'maar uw bezittingen zijn voor de sultan.'
Het spel begon en de vorst opende.

Mahmed was nooit een slecht speler geweest en nu zijn leven op het spel stond, was hij heel voorzichtig. Maar de angst speelde hem parten. Zijn handen beefden en meer dan eens deed hij een verkeerde zet. En hij voelde dat hij onmogelijk zou kunnen winnen. Langzaam verliepen de uren van de nacht. Opnieuw werd er wijn en gebak binnengebracht.
De tweede partij begon en na enkele zetten was de sultan weer de meerdere.

Mahmed dacht: ik moet het heel anders aanpakken.

Toen het spel erg spannend werd, schoof hij met zijn lange arm in één ruk alle stukken van het bord op de grond.
Dit móést de kat doen opschrikken. Maar die dacht er zelfs niet aan zicht te bewegen. Verveeld bleef het dier met grote ogen, geel als barnsteen, zitten en stil en kaarsrecht brandden de kaarsvlammen. Een derde spel begon. Toen de morgen aanbrak had Mahmed verloren.
Dodelijk vermoeid zakte hij neer op het tapijt en steunde: 'Ik kan niet meer, ik ben verslagen.'
De sultan, die niet anders verwacht had, riep zijn dienaren en zei: 'Boei deze man en breng hem bij de anderen in de kerker.'
Daarna beval hij zijn raadsheer alle bezittingen van Mahmed uit de karavaan-serail naar het paleis te laten brengen. Voordat de deur van de kerker gesloten werd, smeekte Mahmed de dienaren hem enkele regels naar zijn vrouw te laten schrijven. Hij trok zijn beurs uit de leren gordel en verdeelde alle goudstukken die hij nog bezat, onder de beide dienaren.
Deze, nu de sultan er niet bij was, uitten hun verontwaardiging over de schandelijke daden van hun vorst. Natuurlijk mocht Mahmed schrijven.
De brief werd in handen gegeven van de meest trouwe bediende van Mahmed, met het verzoek zo snel mogelijk naar huis terug te keren. In zijn gevangenis maakte Mahmed zich bittere verwijten omdat hij zich, bij aankomst in de herberg, niets had aangetrokken van de vreemde houding van de mannen. Natuurlijk was dit een waarschuwing geweest! Het allerergste was de gedachte aan zijn lieve vrouw, die nu om hem zoveel verdriet zou hebben.

De kooplieden, die al eerder gevangen waren genomen, keken meewarig naar het nieuwe slachtoffer en namen hem hartelijk in hun midden op. Zij waren slechts van één gedachte vervuld: wanneer komt er een einde aan deze onwaardige, ellendige toestand?

Al die tijd wachtte Sarnijar, de vrouw van Mahmed, op de terugkeer van haar man. Een bang voorgevoel zei haar dat er iets met hem gebeurd was.
Eindelijk, na vier maanden, kwam een dienaar in de stad Misnar terug. Met vuile kleren en doodvermoeid reikte hij haar de brief over.

'Uw man leeft,' zei hij somber, 'maar hij maakt, het niet goed. Met ons drieën zijn we, zonder geld of kameel, op weg gegaan.
De twee anderen hebben een betrekking aangenomen om niet van honger om te komen. Als kameeldrijver heb ik eindelijk Tasjkent kunnen bereiken. Uw man zit gevangen bij een afschuwelijke, hebzuchtige sultan, die er mensenlevens voor over heeft als zijn bezit maar steeds groeit!'

Sarnijar las de weinige woorden van haar man en liet de dienaar alles vertellen wat hij wist. Het klonk verschrikkelijk, maar zij liet zich niet dadelijk ontmoedigen. Er moest een manier zijn om Mahmed te bevrijden.
Diep in gedachten bleef zij tegenover de dienaar staan.

Toen kwam er een vastberaden blik in de donkere ogen. 'Luister,' zei ze, 'je hebt mijn man altijd trouw gediend. Help ook mij, nu dat nodig is. Probeer in een week uit te rusten en alle narigheid te boven te komen. Dán gaan wij samen naar de stad waar mijn man gevangen zit. Ik wil proberen hem uit die ellende te verlossen.'

Twee dienaressen hielpen haar in alle stilte de reis voor te bereiden. En aan niemand vertelde zij welk plan ze had bedacht.
Zij verkleedde zich als een man en nam twee, precies gelijke, met zilver beslagen kistjes mee. In het ene lagen kostbare geschenken voor de sultan. Het andere gaf zij aan haar betrouwbare dienaar, die het voortdurend onder zijn hoede zou houden. Sarnijar vertelde hem precies wat hij in het paleis zou moeten doen. Aangekomen in de vreemde stad verging het hen net als Mahmed. Zij begreep de waarschuwing van de mannen, vooral niet te blijven overnachten.

Toen zij aan een jongen om onderdak vroeg, fluisterde die: 'Heer, in hemelsnaam, als uw leven u lief is, ga dan heen! Vraag ons niets. Als wij u iets vertellen wacht ook ons de dood.'
Op hetzelfde ogenblik kwam de raadsheer van de sultan te voorschijn. Hij wees haar een prettig huis, vlakbij de stadspoort en alles gebeurde precies zoals bij de kooplieden die, argeloos, al hun bezittingen hadden verloren en toen ook nog hun vrijheid.

Voordat zij de sultan zou bezoeken vroeg ze aan de raadsheer, terwijl zij het kistje opende: 'Wat denkt u dat uw vorst, van deze schatten, het liefst als geschenk zal ontvangen?'
De raadsheer sloeg een begerige blik in de kist. Kostbare brokaat en zijden stoffen, een met edelstenen versierde dolk... Sarnijar nam en tulband uit de kist, die met meer dan honderd paarlen en robijnen was versierd, legde die op een gouden dienblad en zei haar dienaar dat hij de kist in het paleis van de sultan moest brengen, zodat deze dit of een ander geschenk kon kiezen.

De raadsheer was zeer tevreden over de gang van zaken en merkte helemaal niet dat de dienaar de kistjes verwisseld had en in plaats van het eerste nu het andere meenam. Voor de zaal wachtte hij met Sarnijar totdat de sultan de jonge koopman kon ontvangen. Opgetogen door het prachtige geschenk nodigde hij zijn gast aan tafel en de sultan merkte met enige verbazing dat de koopman zijn wijn niet dronk. Hij dronk zelfs de hele avond niets!

Na de maaltijd werd, zoals verwacht, het grote schaakbord binnengebracht en de vorst nam met een vergenoegd lachje op zijn kussen plaats. 'Welke regels volgt u, genadige heer?' vroeg Sarnijar.
De sultan antwoordde: 'Wij zullen de hele nacht doorspelen. Ten minste, zolang mijn wijze kat zich niet heeft bewogen. Zij gaat nauwkeurig ons spel na. Als u morgenochtend het spel niet gewonnen hebt, kan ik over u en uw bezittingen beschikken.'
'En wat gebeurt er als de kat zich wel beweegt?' wilde Sarnijar weten. 'Dan ben ik verslagen en kunt u met mij doen wat u wilt. Uw bezit is veilig en bovendien kunt u uit mijn schatkamer meenemen wat u wenst.'

'Wel, dat is een hoge inzet,' antwoordde Sarnijar ernstig en ze deed of zij het spottende lachje van de sultan niet zag. 'Maar als u dit zo gewend bent, zulen wij het doen. Sta mij echter één ding toe. Gedurende de nacht wil ik nu en dan iets eten wat niet uit uw keuken komt, maar door mijn eigen kokkin is klaargemaakt. M'n dienaar zal het mij geven. Ik ben dat sinds vele jaren gewend. Als ik 's nachts niet iets eet, slaap ik dadelijk in. En dat is in deze nacht zeker niet de bedoeling.'

De goudbruine kat met de barnsteengele ogen werd binnengebracht.
De kandelaars werden op de staart gezet, de kaarsen aangestoken en het spel kon beginnen.
De kat staarde met die vreemde ogen naar het schaakbord. En had Sarnijar niet zelf gezien hoe ze op haar vier poten was binnengewandeld, dan zou zij haar zeker voor een beeldje hebben gehouden, zo star, bijna versteend zat zij daar. De sultan was zo in de ban van de mooie, jonge koopman, dat hij wat verstrooid speelde en schrok, toen uit de mond van Sarnijar de woorden 'de koning staat schaak!' klonken. Maar het spel was nog niet uit en de vorst was weldra aan de winnende hand.
Nu klapte Sarnijar in haar handen en de dienaar verscheen. Hij gaf haar een droog pannenkoekje, dat zij met smaak op at. Voordat de dienaar de zaal verliet, haalde hij stiekem uit zijn zak drie levende muizen, die nu over de kussens naar de zaalmuur renden, blij dat zij uit de benauwde kist waren bevrijd! De kat merkte het vreemde geluid in de zaal, een siddering ging door haar goudbruine vel. Haar ogen verloren de afwezige blik, ze fonkelden.
De sultan bleef dit niet verborgen. Hij vulde ogenblikkelijk de kattebeker met de sterke wijn. Maar de kat liet die staan en likte begerig haar bek, terwijl de muizen angstig naar een holletje zochten. Het schaakspel werd voortgezet.

De kat bleef weliswaar nog rustig zitten, maar liet af en toe een licht geblaas horen. Een uur later kwam die dienaar van Sarnijar opnieuw binnen, gaf zijn meesteres haar nachthapje en liet, bij het verlaten van de zaal, weer een handvol muizen los.
Die keken schichtig om zich heen en verspreidden zich toen haastig naar alle kanten.

Nu was het met de rust van de wijze kat gedaan. Zij mauwde erbarmelijk, maakte een sprong waardoor alle kaarsen omvielen en ging plezierig op de muizenjacht!

Verbijsterd sprong de sultan overeind. Wat was er in 's hemelsnaam gebeurd? Dit mocht eenvoudig niet. Hij schreeuwde zenuwachtig tegen de kat dat ze moest gaan zitten! Maar hij begreep dat hij voor de allereerste keer verloren had.

Voordat dit goed tot hem was doorgedrongen, hadden Sarnijar en haar dienaar hem al gegrepen. Ook de raadsheer, die zijn sultan te hulp wilde schieten, werd geboeid. En de sultan sloegen zij met een leren riem net zo lang tot hij om genade smeekte.

'Genade heb je niet verdiend,' zei Sarnijar kort.

'Ik laat alle gevangen kooplieden vrij, zij krijgen hun bezittingen terug!' kreunde de sultan,' alles wat ik bezit mag u hebben, maar alstublieft, spaar mijn leven!' De dienaren, die op het hulpgeroep waren toegesneld, verroerden geen vingen om hun vorst te helpen.
Dit boosaardige mens moest maar eens gestraft worden! De sultan, zijn dienaren en vooral de raadsheer, die zo nauw betrokken was geweest bij alle misdaden, werden in een donkere kerker geworpen, waar zij tot het bittere einde van hun leven konden nadenken over wat zij anderen hadden aangedaan.

Sarnijar ging zelf naar de cel waarin de kooplieden gevangen zaten. En daar stond zij, eindelijk, tegenover haar eigen man.

Mahmed legde zijn handen om het zo vertrouwde gezicht en tranen van geluk schoten hem in de ogen. Zij had hem en al die anderen bevrijd! Zij had, door haar scherpe verstand maar bovenal in haar liefde voor hem, alle gevaren getrotseerd en moedig volgehouden tot het einde. Ook anderen spraken vol lof over de vrouw die kans had gezien de geheimzinnige kat met de barnsteengele ogen te overwinnen. Er heerste een ongekend ontspannen sfeer in het paleis.
Daarna rustten de vreemdelingen uit van alle vermoeienissen en trokken huiswaarts, beladen met schatten van de praalzuchtige sultan.

De goudbruine kat was tijdens het feestrumoer stilletjes verdwenen. Sinds zij, na al die zware wijn, weer de geur en de smaak van een muis had geproefd, en nu zij in plaats van zeven brandende kaarsen op haar staart, weer de frisse wind door haar snorharen voelde strijken, verwisselde zij snel de zijden kussens in het paleis voor de vrije natuur. Nog vele, vele jaren leefden Mahmed en Sarnijar in vrede en geluk.

Op reis ging de koopman niet meer. Gedurende de lange, duistere nachten in de kerker had hij veel nagedacht.
Hij wist nu dat er een belangrijker levensopdracht bestond dan geld verdienen.


*   *   *

De koopman, zijn vrouw, de sultan en de kat Samenvatting
Zeven brandende kaarsen op een kattestaart.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
ER WAS EENS...EEN VROUW 34 sprookjes over bewonderenswaardige vrouwen verzameld door Ilse Korn, voor Nederland bewerkt door Marijke van Raephorst Kosmos Amsterdam 1981 ISBN 9021510197

Herkomst: Oezbekistan
Verteltijd: ca. 25 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook