Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 35 min.
Herkomst:




De Koperen, de Zilveren en de Gouden Stad Een Russisch sprookje over de Gouden Stad

Er waren eens een muis en een mus die dertig jaar lang in grote vriendschap met elkaar hadden geleefd. Alles wat de een aan eetbaars vond, deelde hij eerlijk met de ander. Op een dag vond de mus echter een maanzaadje zo groot als een speldenknop. "Wat valt hier nu nog aan te delen," zo dacht ze bij zich zelf. "Als je er één keer naar pikt, dan blijft er al niets meer van over." En ze slokte het maanzaadje naar binnen.

Het kwam de muis echter ter ore, wat de mus had gedaan en hij was daar zo boos over, dat hij de mus uitdaagde tot een gevecht op leven en dood: "Verzamel jij alle vogels om je heen, ik zal het met alle viervoetige dieren doen. En dan zullen we net zo lang strijden, tot een van ons de overwinning heeft behaald."

En zo gebeurde het. Alle vogels, van het kleine winterkoninkje tot de grote gier toe, en alle viervoetige dieren, van het kleinste veldmuisje tot de olifant, verzamelden zich en daarna ontstond een reusachtig gevecht, waarbij veren en uitgerukte plukken haar naar alle kanten stoven. In deze strijd tussen de viervoetige dieren en de vogels werd nu een adelaar gewond. Hij trok zich uit het gevecht terug en ging op de tak van een eikenboom zitten, om wat bij te komen van zijn verwondingen. Juist op dat moment kwam daar echter een boer voorbij, die de hele dag op jacht was geweest, maar nog altijd niets had geschoten. "Ik zal in elk geval een geschoten adelaar mee naar huis nemen," zei de boer bij zich zelf en hij greep zijn geweer al, om dat op de gewonde vogel te richten.

Toen sprak de adelaar echter: "Dood mij niet, goede vriend, ik heb je immers geen enkel kwaad gedaan."

De boer liet daarop zijn geweer zakken en besloot eerst nog maar eens verder te zoeken, of hij misschien nog ander wild kon buit maken. Hoe hij echter ook zocht, hij kon maar niets onder schot krijgen en tenslotte besloot hij maar weer naar de adelaar terug te keren en die toch te schieten. Weer smeekte de gewonde vogel echter hem in leven te laten, omdat hij de boer nooit iets had misdaan. En voor de tweede keer zag de boer van zijn plan af en ging nog eens de omtrek afzoeken. Hoe hij echter ook speurde in de bossen en de velden, geen haasje of fazant liet zich zien en onverrichterzake keerde de boer tenslotte weer tot de eik terug waar de adelaar nog altijd zat.

Nu nam hij zich vast voor, om tenminste met een geschoten adelaar thuis te komen. Hij legde aan, mikte en schoot... Maar zijn geweer ketste en het schot ging niet af.

"Dood mij niet, goede vriend," sprak de adelaar daarop weer. "Er zal eens een tijd komen, dat ik je van nut kan zijn. Neem mij liever met je mee naar huis en verpleeg me, zodat ik weer gezond zal worden." De boer deed wat de adelaar hem vroeg, nam de gewonde vogel mee naar huis en verpleegde hem daar zo goed als hij kon. Iedere dag kreeg de adelaar grote stukken vlees te eten. De boer slachtte een schaap voor hem en toen dat op was, slachtte hij zelfs een heel kalf voor de adelaar. De boer leefde echter niet alleen op de boerderij, hij had ook een grote familie. En die begon hem nu te verwijten, dat hij alles aan zijn adelaar weg gaf, terwijl zijn vrouw en kinderen te kort kwamen. Een hele tijd liet de boer zijn huisgenoten praten, maar tenslotte begon het hem te vervelen en hij zei tegen de adelaar: "Ik kan je nu niet langer bij me houden. Je bent vrij om te vliegen waarheen je wilt."

"Laat me eerst eens proberen, of ik al weer voldoende op krachten ben gekomen," antwoordde de adelaar en hij spreidde zijn vleugels uit en vloog omhoog naar het dak van de boerderij. Na een poosje streek hij echter weer voor de voeten van de boer neer en sprak: "Laat me nog drie dagen bij je blijven, dan ben ik sterk genoeg."

Dat vond de boer goed en de adelaar werd nog drie dagen uitstekend door hem verzorgd.

Bij het aanbreken van de vierde dag zei de boer opnieuw tot de adelaar, dat het nu tijd voor hem werd om de boerderij te verlaten. "Ja," zei de adelaar, "ik ben nu wel sterk genoeg om verder buiten jouw verzorging te kunnen. Maar," zo voegde hij daar aan toe, "ook is nu voor mij de tijd gekomen, om jou te vergelden wat je allemaal voor mij hebt gedaan. Stap daarom op mijn rug, dan zullen we samen wegvliegen."

De boer deed wat hem gezegd werd en de adelaar vloog met de boer op zijn rug naar de zee. Hij vloog een eind over de zee, de kust achter zich latende, en vroeg toen aan de boer: "Kijk om je heen en zeg me dan, wat achter ons, voor ons, boven ons en onder ons is."

De boer keek en zei: "Achter ons ligt de kust, voor ons is de zee, boven ons is de hemel en onder ons is het water."

Toen maakte de adelaar opeens een onverwachte beweging, zodat de boer van zijn rug gleed en naar beneden stortte. Even voordat hij echter in het water terecht zou komen, ving de adelaar hem weer op en ze vlogen samen verder.

Midden boven de zee aangekomen, vroeg de adelaar opnieuw: "Kijk om je heen en zeg me dan, wat achter ons, voor ons, boven ons en onder ons is."

"Achter ons is de zee, voor ons is de zee, boven ons is de hemel en onder ons is het water," antwoordde de boer.

En weer schudde de adelaar zich, zodat de boer voor de tweede keer naar beneden viel. Ditmaal plonsde hij midden in de golven en begon snel te zinken.

Voordat hij echter kopje onder ging, greep de adelaar hem weer, zette hem opnieuw op zijn rug en vloog met hem verder. Nu naderden ze de overkant en opnieuw vroeg de adelaar de boer hem te zeggen, wat hij achter, voor, boven en onder zich zag.

"Achter ons is de zee, voor ons is de kust, boven ons is de hemel en onder ons is het water," antwoordde de boer.

En ook dit keer schudde de adelaar de boer van zijn rug, zodat hij naar beneden in het water viel. Hij zonk naar de diepte en de boer dacht al dat het nu toch werkelijk met hem gedaan was, toen de adelaar hem weer opviste, op zijn rug zette en met hem verder vloog.

"Net zo'n angst als jij nu hebt gehad, toen je drie keer achter elkaar naar beneden viel, heb ik ook uitgestaan, toen je drie keer achter elkaar met je geweer op me hebt gemikt. Maar nu heb ik het kwaad dat je mij hebt aangedaan met kwaad vergolden, laat ik nu ook het goede dat ik van je heb ondervonden met goed vergelden," sprak de adelaar en hij vloog met de boer verder over het land dat aan de andere kant van de zee lag. Toen kwamen ze aan een plek waar midden op het veld een hoge koperen zuil stond. De adelaar streek neer, liet de boer van zijn rug stappen en zei tegen hem: "Lees eens wat er op die koperen zuil staat."

En de boer las: "Vijfentwintig werst achter deze zuil ligt de Koperen Stad."

"Ga daar naar toe," ging de adelaar verder. "In de Koperen Stad woont mijn zuster en vraag haar om het koperen kistje met de koperen sleutel. Maar wat ze je verder ook mag aanbieden, hetzij zilver, goud of edelstenen, neem niets daarvan aan. Vraag alleen om het koperen kistje met de koperen sleutel."

De boer deed wat hem gezegd werd, ging naar de Koperen Stad en liet zich meteen bij de tsarina aandienen die over die stad heerste. "Goeden dag," sprak de boer, "ik kom u de groeten overbrengen van uw broer."

"Waar ken je mijn broer dan van?" vroeg de tsarina.

"Ik heb hem gevoed en verzorgd toen hij ziek was, drie jaren lang."

"Ik ben je daar zeer dankbaar voor, beste man," antwoordde de tsarina. "Hier heb je zilver, goud en edelstenen zoveel als je hart maar begeert." De boer weigerde echter en zei, dat hij alleen maar het koperen kistje met de koperen sleutel wilde hebben.

"Nee, nee, vriend, dat is me veel te kostbaar. Zilver, goud en edelstenen kun je krijgen zoveel als je wilt, maar dat kistje kan ik werkelijk niet weggeven."

Toen de boer dat hoorde, zei hij dan maar weer onverrichterzake te zullen terugkeren, omdat hij van al die andere kostbaarheden niets wilde hebben. Hij nam afscheid van de tsarina van de Koperen Stad en keerde weer naar de adelaar terug, die op hem wachtte bij de koperen zuil. "Dat is niet erg," zei de adelaar toen hij het verhaal van de boer had gehoord. "Ga maar weer op mijn rug zitten, dan gaan we weer verder." En zo vlogen beiden nog verder het land in, dat aan de andere kant van de zee lag. Toen kwamen ze aan een veld, waar middenin een hoge zuil stond die helemaal van zilver was. Ook hier liet de adelaar de boer weer lezen, wat er op die zuil stond:

"Vijftig werst achter deze zuil ligt de Zilveren Stad."

"Ga nu naar de Zilveren Stad," sprak de adelaar. "Daar woont namelijk mijn tweede zuster. En vraag haar om het zilveren kistje met de zilveren sleutel. Maar ook daar moet je niets aannemen van wat ze je verder nog aan kostbaarheden zal aanbieden."

De boer deed ook deze keer wat hem gezegd was. Hij ging naar de Zilveren Stad, liet zich aandienen bij de tsarina die over die stad heerste en bracht haar de groeten van haar broer de adelaar over. Hij vertelde haar, hoe hij haar broer gedurende drie jaar had gevoed en verzorgd. De tsarina van de Zilveren Stad was zeer verheugd dat alles te horen en bood de boer zilver, goud en edelstenen aan zoveel als hij maar wilde hebben. Deze zei echter maar één wens te hebben: het zilveren kistje met de zilveren sleutel. Op al het andere stelde hij geen prijs. "Ik ben je zeer dankbaar, dat je mijn broer hebt gered," sprak de tsarina, "en daarom wil ik je net zo veel zilver, goud en edelstenen geven als je maar kunt dragen. Het zilveren kistje met de zilveren sleutel kan ik echter niet weggeven. Dat is veel te kostbaar."

Ook hier nam de boer toen afscheid, waarna hij terugkeerde naar de adelaar die ook deze keer bij de zilveren zuil was blijven wachten.

"Dat geeft niets," sprak deze. "Stap maar weer op mijn rug, dan gaan we nóg verder." En zo vlogen beiden door de lucht tot ze bij een veld kwamen, waar een zuil in de zon stond te glanzen, dat je ogen er pijn van deden als je er naar keek. Die zuil was geheel van zuiver goud. En toen de boer ook bij deze zuil keek, wat er voor opschrift op stond, las hij: "Honderd werst achter deze zuil ligt de Gouden Stad."

"Ga nu ook naar de Gouden Stad," sprak de adelaar. "Daar woont namelijk mijn lievelingszuster. En vraag haar om het gouden kistje met de gouden sleutel."

De boer reisde de lange weg van honderd werst en kwam eindelijk ook in de Gouden Stad aan.

Hij begaf zich direct naar de tsarina die over de Gouden Stad heerste, vertelde haar hetzelfde wat hij ook de vorige keren had verteld en vroeg haar of hij het gouden kistje met de gouden sleutel mocht hebben. De tsarina zei geen woord, gaf een teken aan een van de om de troon staande hovelingen en het kistje van goud met de gouden sleutel werd de troonzaal binnengedragen.

"Dit kistje is mij lief, maar mijn broer is mij nóg liever. En omdat je mijn broer gedurende drie jaar zo goed hebt verzorgd, schenk ik je dit kistje van goud met de gouden sleutel," sprak de tsarina. De boer nam het geschenk aan, boog diep tot afscheid en haastte zich terug naar de gouden zuil, waar de adelaar op hem wachtte. "Keer nu naar huis terug," zei de adelaar, "maar laat ik je een goede raad geven: open het kistje niet, vóór dat je thuis bent." En na deze woorden spreidde hij zijn vleugels uit en was een ogenblik later uit het gezicht verdwenen.

De boer nam het gouden kistje onder zijn arm en aanvaardde de terugtocht naar zijn boerderij. In het begin kon hij weerstand bieden aan zijn verlangen om eens te kijken wat er wel in dat kistje zou zitten, maar op den duur werd zijn nieuwsgierigheid hem toch te machtig en hij besloot het deksel even te openen om te kijken.

"Daar kan toch geen kwaad in schuilen," zo sprak hij bij zich zelf. "Ik zal het dan direct weer sluiten en het niet eerder weer open maken, voor ik thuis ben." En hij opende het deksel van het kistje. Maar nu gebeurde er iets, dat de boer met stomme verbazing sloeg. Nauwelijks had hij het deksel een eindje opgelicht, of uit het gouden kistje verrees een Gouden Stad, die het hele dal besloeg waar de boer toevallig door liep.

De boer liep met open mond van bewondering door de straten, bekeek vol ontzag de gouden huizen, de kerken en torens die glansden in de zon en dacht bij zich zelf, dat dat nu allemaal zijn eigendom was. Hij was echter nauwelijks van zijn verbazing bekomen, toen er in een van de gouden straten getrappel van paardenhoeven weerklonk en er enige afgezanten verschenen van de tsaar, in wiens land hij zich op dat ogenblik bevond. "De tsaar laat je het volgende weten," riepen de ruiters. "Of hij verlangt deze hele Gouden Stad die in zijn gebied ligt, óf je moet hem dat geven, wat je thuis bezit, maar waarvan je op dit ogenblik nog niet weet, dat je het bezit."

De boer dacht even na en besloot tenslotte tot het laatste. Afstand doen van zijn prachtige Gouden Stad ging hem toch wel erg aan het hart en dat te moeten missen, waarvan hij op dit ogenblik nog niet eens wist, dat hij het bezat, leek hem toch wel een aanmerkelijk lichter verlies toe. Hij verplichtte zich dus tot het afstaan van wat hem thuis wachtte. Nauwelijks had hij deze belofte gedaan, of de hele Gouden Stad was op hetzelfde ogenblik verdwenen en weer in het gouden kistje opgeborgen. De boer nam zijn bezit op en vervolgde zijn weg naar huis. Toen hij echter zijn boerderij bereikte, kwam zijn vrouw hem verheugd tegemoet met een zoontje op de arm, dat tijdens zijn afwezigheid was geboren.

De boer schrok hevig, want meteen herinnerde hij zich de belofte die hij de tsaar van het vreemde land had gedaan. Daar was nu echter niets meer aan te veranderen en de boer liet de Gouden Stad verrijzen, waar hij en zijn gezin voortaan zouden wonen en waar zijn zoontje zou worden groot gebracht, tot hij de leeftijd zou hebben bereikt, dat de boer hem aan de vreemde tsaar moest afstaan.

De jongen groeide voorspoedig op en toen hij de leeftijd van achttien jaren had bereikt, liet de tsaar door afgezanten weten, dat hij de tijd gekomen achtte om de hem gedane belofte in te lossen.

De boer en de boerin namen met tranen in de ogen afscheid van hun zoon en de jonge man verliet de stad van zijn ouders, om zich naar het rijk van de vreemde tsaar te begeven.

Na dagenlange tochten kwam hij tenslotte aan de rivier de Donau. Hij zette zich neer aan de oever om even uit te rusten. Daar zag hij toen plotseling twaalf beeldschone jonkvrouwen die de rivier naderden. Ze dachten zich onbespied, wierpen hun kleren af, veranderden zich in twaalf wilde eenden en vlogen het water in om een bad te nemen. De jongeman sloop ongezien naderbij en nam de kleren van een van de meisjes weg. Toen de eenden nu genoeg in het water hadden rondgesparteld, zwommen ze weer naar de oever, trokken hun kleren aan en verlieten de rivier. Alleen het ene meisje van wie de boerenzoon de kleren had weggenomen, kon niet weg.

In de gedaante van een eend vloog ze naar de boerenzoon toe, die een eindje verder aan het water zat en smeekte hem: "Ach, geef mij toch mijn kleren weer terug. Eens zal er een tijd komen, dat ik je van dienst zal kunnen zijn."

De jongeman deed wat de eend hem verzocht, deze trok haar kleren aan, veranderde zich weer in een jong meisje en haastte zich achter haar zusters aan. Kort daarop kwam de boerenzoon bij het paleis van de vreemde tsaar aan.

"Luister eens, vriend," zei de tsaar toen de begroeting was afgelopen. "Ik heb een opdracht voor je. Morgen zal ik je mijn twaalf dochters laten zien en daar moet jij dan de jongste uitzoeken. Slaag je daarin, dan ben je verder vrij om te gaan en te komen wanneer je wilt. Lukt het je echter niet, dan zul je jezelf nog eens beklagen dat je ooit geboren werd." De boerenzoon verliet daarop het paleis met de belofte dat hij de volgende morgen zou terugkomen om de opdracht van de tsaar uit te voeren. Even buiten de paleispoort kwam echter een van de prinsessen naar hem toe en zei:

"Een paar dagen geleden, toen ik met mijn zusters in de Donau aan het baden was, heb je mij mijn kleren weer teruggegeven. Uit dankbaarheid daarvoor zal ik je nu helpen. Morgen zal mijn vader de tsaar ons alle twaalf voor je voeren, opdat je mij, de jongste van de twaalf zusters, zult aanwijzen. Wij gelijken echter alle twaalf zó sprekend op elkaar, dat zelfs onze moeder ons niet uit elkaar kent. Wil je mij dus kunnen herkennen, dan moet je opletten bij wie van ons twaalf op het linkeroor een mugje zal zitten. Dat zal ik dan zijn." En nadat ze dit gezegd had, verdween de prinses weer in het paleis.

De volgende morgen voerde de tsaar de jongeman voor zijn twaalf dochters en droeg hem op de jongste daarvan aan te wijzen. De boerenzoon liep langs de twaalf prinsessen die inderdaad op elkaar leken als twaalf druppels water. Tot hij op het linkeroor van één van hen een klein mugje zag zitten.

"Dit is de jongste van uw twaalf dochters, o grote tsaar," sprak hij, terwijl hij het meisje bij de hand vatte en uit de rij van haar zusters naar voren trok.

"Hier is bedrog in het spel!" brulde de tsaar toen hij zag dat de boerenzoon zich inderdaad van zijn opdracht had gekweten. "Maar met mij valt niet te spotten. Ik zal je daarom nog één nieuwe opdracht geven. Slaag je er in die ook uit te voeren, dan krijg je mijn jongste dochter tot vrouw. Zo niet, dan laat ik je geketend in de diepste kerker van mijn paleis werpen. Luister goed: zorg dat je morgen een nieuw witmarmeren paleis voor me hebt gebouwd, want het mijne is oud en bouwvallig geworden. Ik kom morgen vroeg kijken, of je daarin bent geslaagd." Bedroefd verliet de jongeman het paleis, want deze keer zag hij werkelijk geen kans om tijdig aan de wensen van de tsaar te voldoen. Maar ook nu kwam de jongste tsarendochter hem weer tegemoet en sprak:

"Wees niet bedroefd. Je hebt mij indertijd mijn kleren teruggegeven, daarom zal ik je ook deze keer weer helpen. Ga vannacht gerust slapen en je zult zien, dat morgen de opdracht is uitgevoerd." De boerenzoon legde zich die nacht gewoon te rusten en begaf zich de volgende morgen in alle vroegte naar het tsarenpaleis, om te zien of de prinses inderdaad woord had gehouden. Het eerste ogenblik moest hij met zijn ogen knipperen. Want vlak naast het oude paleis stond een splinternieuw van het mooiste en witste marmer dat je je maar kunt voorstellen.

De tsaar van het vreemde land kon nu niet anders doen, dan zijn jongste dochter aan de boerenzoon ten huwelijk geven. Maar hij bleef op middelen zinnen, om de jongeman te pakken te krijgen. Tenslotte besloot hij de boerenzoon op zijn terugreis naar huis door zijn knechten te laten overvallen, zodat het net zou zijn of dit door een troep rovers was gebeurd. Toen hij dit plan echter met zijn vrouw besprak, werd alles door zijn jongste dochter afgeluisterd, die daarop de nodige maatregelen nam. Toen zij en haar man de volgende dag het paleis hadden verlaten op weg naar de Gouden Stad van haar schoonouders, veranderde zij zich zelf in een duif en haar man in een grote blauwe doffer. En toen even later de knechten van de tsaar het paar achterop kwamen rijden om hen te overvallen, zagen ze alleen maar op een tak van een boom een grote doffer zitten met naast zich een sierlijk klein duifje.

"We hebben ze niet meer kunnen vinden, o tsaar," zo zeiden de knechten bij hun terugkeer in het paleis. "Het enige wat we zagen, was een duif en een grote blauwe doffer die daar ergens op een boomtak zaten." De tsaar begreep, dat dit zijn dochter en haar man geweest moesten zijn, en in zijn woede liet hij de arme boodschappers ter dood brengen, terwijl hij nieuwe knechten er op uit stuurde om het tweetal te achterhalen. Deze joegen op hun paarden langs de weg en kwamen tenslotte aan een rivier, aan de oever waarvan één enkele boom stond. Toen ze echter nergens de prinses en haar man konden ontdekken, keerden ook deze knechten ten slotte weer naar het paleis terug en vertelden de tsaar, dat ze niets anders hadden gezien dan een rivier met een enkele boom aan de oever, maar dat ze de boerenzoon en de prinses, nergens hadden kunnen ontdekken.

"Stommeriken!" schreeuwde de tsaar hen toe, toen ze hun verhaal hadden gedaan. "Die rivier en die boom waren natuurlijk mijn dochter en mijn schoonzoon, die jullie hadden moeten overvallen." En in zijn woede liet hij ook deze knechten door zijn beul terechtstellen. Daarop sprong hij zelf op een paard en joeg achter het tweetal aan. Hij reed en reed en kwam eindelijk bij het vallen van de avond bij een oud kerkje aan. De tsaar trad daar binnen en zag er alleen een oude man, die bezig was de kaarsen voor de iconen aan te steken. "Vadertje, heb jij soms een jonge man en een jong meisje hier voorbij zien gaan?" vroeg de tsaar aan de grijsaard.

"O, grote tsaar, die trokken hier reeds gisteren voorbij," antwoordde de oude man. "Die moeten nu al lang in de Gouden Stad zijn aangekomen, die honderd werst verderop ligt." En daarop ging hij weer verder met de kaarsen voor de heiligenbeelden aan te steken.
Toen de tsaar dat hoorde, wendde hij zijn paard en keerde onverrichterzake weer naar zijn paleis terug.

Nauwelijks was echter de hoefslag van zijn paard in de verte verklonken, of opeens veranderde het oude kerkje in de prinses, terwijl de oude man tot de jonge boerenzoon werd. Ze vielen elkaar om de hals en kusten elkaar uit dankbaarheid, dat ze ook deze keer weer aan het gevaar ontkomen waren.

Daarop trokken ze verder naar de Gouden Stad, waar ze tegen de avond aankwamen.

De oude boer en zijn vrouw waren zeer verheugd, toen ze hun zoon weer in levende lijve voor zich zagen verschijnen. En ook waren ze erg blij met zo'n mooie en knappe schoondochter.

De boerenzoon en de tsarendochter bleven ook in de Gouden Stad wonen en ze leefden daar samen nog heel lang en gelukkig.


*   *   *

De Koperen, de Zilveren en de Gouden Stad Samenvatting
Een Russisch sprookje over de Gouden Stad. Een boer verzorgt een gewonde adelaar en als beloning brengt deze hem naar de Koperen, de Zilveren en de Gouden Stad. In de laatste stad krijgt de boer een gouden kistje en als hij het onderweg opent, verrijst een Gouden Stad. Hij doet een belofte aan de tsaar en moet daardoor zijn zoon aan de tsaar afgeven. Lees het verhaal

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes van Oost-Europa" verzameld en bewerkt door Doedy Bevelander. C.P.J. van der Peet, Amsterdam.

Herkomst: Rusland
Verteltijd: ca. 35 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook