Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 10 min.
Herkomst:




De krokodil en de aap

Er was eens een diepe en brede rivier en in die rivier leefde een krokodil. Ik weet niet, of je ooit een krokodil gezien hebt; maar als je er een zou zien, ben ik er zeker van, dat je er bang voor zou zijn. Ze zijn erg lang, twee keer zo lang als je bed; en ze zijn bedekt met harde, groene of gele schubben; en ze hebben een brede, platte snuit en geweldige kaken met honderden scherpe tanden, zo groot, dat ze je er helemaal in kunnen vasthouden. Deze krokodil lag de hele dag in de modder, half onder water, te zonnebaden en bewegen deed hij zich nooit; maar als een of ander klein dier in de buurt * kwam, sprong hij op en opende zijn grote kaken en hapte hij het naar binnen, zoals een hond een vlieg in slikt. En als jij dicht bij hem in de buurt gekomen zou zijn, zou hij jou ook even gemakkelijk opgeslokt hebben.

De krokodil en de aap
Op de oever van die rivier leefde een aap. Hij bracht de dag door met rondklimmen in bomen, en noten of wilde vruchten eten; maar hij was daar al zo lang geweest, dat er bijna geen vrucht meer aan de bomen overgebleven was.

Nu gebeurde het, dat de vrouw van de krokodil een verlangende blik op deze aap wierp. Ze was erg kieskeurig wat betreft haar eten, mevrouw Krokodil, en ze hield van lekkere hapjes. Dus begon zij op een morgen te huilen. Krokodille-tranen zijn heel groot en terwijl haar tranen in het water vielen, plets, plets, plets, werd meneer Krokodil wakker uit zijn dutje en keek rond om te zien wat er aan de hand was.

"Maar, vrouw," zei hij, "waarom huil je?"

"Ik heb honger!" klaagde mevrouw Krokodil.

"Goed," zei hij, "wacht maar even. Ik zal gauw iets voor je vangen."

"Maar ik wil het hart van die aap!" zei mevrouw Krokodil. Plets, plets, plets gingen haar tranen weer.

"Kom, kom, kop op," zei meneer Krokodil. Hij was erg dol op zijn vrouw en hij zou haar tranen gedroogd hebben, alleen had hij geen zakdoek. "Kop op!" zei hij. "Ik zal zien wat ik doen kan."

Zijn vrouw droogde haar tranen en meneer Krokodil ging weer in de modder liggen en dacht na. Hij dacht een heel uur lang na. Zie je, hoewel hij erg groot was, was hij heel dom. Op het laatst slaakte hij een zucht van verlichting, want hij dacht, dat hij op een slim plan was gekomen.

Hij sleepte zich langs de oever naar een plaats, juist onder een grote boom. Boven in de boom hing onze aap aan zijn staart te zwaaien en in zichzelf te babbelen.

"Aap!" riep hij, zo zacht als hij kon. Erg zacht was het niet, zoiets als het geluid van een ratelaar; maar iets beters kon hij niet, met al die scherpe tanden.

De aap stopte met zwaaien en keek naar beneden. De krokodil had nog nooit eerder tegen hem gesproken en hij was nogal verrast.

"Aapjelief!" riep de krokodil weer.

"Wel, wat is er?" vroeg de aap.

"Ik weet zeker, dat je honger moet hebben," zei meneer Krokodil. "Ik zie, dat je al de vruchten aan deze bomen opgegeten hebt; maar waarom probeer je de bomen niet aan de andere kant van de rivier? Kijk maar eens, appels, peren, kweeperen, pruimen, watje maar zou kunnen wensen. En zo veel."

"Dat is allemaal mooi en wel," zei de aap, "maar hoe kan ik over zo'n brede rivier als deze komen?"

"O!" zei de sluwe krokodil, "dat is zo voor mekaar. Ik vind je aardig en ik wil je een goede dienst bewijzen. Spring maar op mijn rug en ik zal naar de overkant zwemmen; dan kun jij je amuseren!"

De aap had nog nooit zo'n verleidelijk aanbod gehad. Hij zwaaide drie keer om een tak heen van plezier; zijn ogen glansden en zonder ook maar een ogenblik na te denken sprong hij omlaag op de rug van de krokodil.

De krokodil begon langzaam naar de overkant te zwemmen. De aap vestigde zijn blik op de tegenoverliggende oever met zijn heerlijke fruitbomen en danste van vreugde. Plotseling voelde hij het water om zijn voeten! Het steeg tot aan zijn poten, het steeg tot aan zijn middel. De krokodil was aan het zinken!

"Meneer Krokodil! Meneer Krokodil! Pas op!" zei hij. "U zult me laten verdrinken!"

"Ha, ha, ha!'' lachte de krokodil, terwijl hij met zijn grote kaken klapte. "Dus jij dacht, dat ik je enkel uit goedmoedigheid naar de overkant bracht? Je bent een onnozele aap, dat is zeker. De waarheid is, dat mijn vrouw een oogje op je heeft en je hart te eten wil hebben! Als je haar vanmorgen had zien huilen, weet ik zeker, dat je medelijden met haar gehad zou hebben."

"Wat goed dat je me dat verteld hebt!" zei de aap. (Hij was een heel schrandere aap en had zijn zinnen goed bij elkaar.) "Wacht even, dan zal ik u vertellen waarom. Mijn hart, zei u, geloof ik? Wel, ik draag mijn hart nooit met me mee; dat zou veel te gevaarlijk zijn. Als wij apen in de bomen zouden gaan rondspringen met ons hart binnen in, dan zouden we het in de kortste keren in stukken stoten."

De krokodil steeg weer naar de oppervlakte. Hij voelde zich erg blij dat hij de aap niet verdronken had, omdat hij, zoals ik zei, een dom schepsel was en niet inzag, dat de aap hem een poets aan het bakken was.

"O," zei hij, "waar is je hart dan?"

"Zie je die tros ronde dingen daar boven in de boom, ginds op de oever? Dat zijn opzij gelegde harten, allemaal op een hoop; en tamelijk veilig ook op die hoogte, mag ik hopen!" Het was eigenlijk een vijgenboom en de vijgen leken werkelijk heel veel op een hoop harten. "Breng me maar naar de overkant," zo ging hij verder, "dan klim ik omhoog en laat mijn hart naar beneden vallen; ik kan heel goed zonder."

"Jij voortreffelijk schepsel!" zei de krokodil. "Dat zal ik doen!"

En hij zwom de rivier over. De aap sprong luchtig van de krokodil zijn rug en zwaaide zichzelf omhoog de vijgeboom in. Toen ging hij op een tak zitten en begon met groot genot de vijgen te eten.

"Je hart alsjeblieft!" riep de krokodil uit. "Zie je niet, dat ik wacht?"

"Wel, wacht zolang u wilt!" zei de aap. "Bent u zo dwaas om te denken, dat welk schepsel ook zijn hart in een boom bewaart? Uw lichaam is groot, maar uw verstand is klein. Nee, nee; hier ben ik en hier wil ik blijven. Veel dank, dat u me naar de overkant gebracht hebt!"

De krokodil klapperde met zijn kaken van walging en ging terug naar zijn vrouw, terwijl hij zich heel dom voelde, wat hij ook was; en de aap deed zich tegoed in de vijgenboom, zoals hij zijn hele leven nog niet gedaan had.


*   *   *

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Boeddhistische sprookjes uit de Jataka afkomstig uit het oude India" uit het Pali vertaald en bewerkt door W.H.D. Rouse. Uitgeverij Sirius en Siderius BV, Den Haag, 1981. ISBN: 90-6441-019-4

Herkomst: India
Verteltijd: ca. 10 min.
Leeftijd: vanaf 5 jaar

Lees ook