Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 22 min.
Herkomst:




De leergierige Ali-Dsjan

In oude tijden leefde er in een stad in Oezbekistan een koopman die driehonderd goudstukken bezat. Hij riep zijn zoon bij zich en sprak: "Ali-Dsjan, jij bent nu bijna volwassen. In de jaren die ik nog te leven heb, wil ik je wegwijs maken in de handel. Ik geef je vandaag honderd goudstukken. Morgen vertrek je met een handelskaravaan naar vreemde streken. Ik wil dat je het geld onderweg besteed op een verantwoorde manier. Geef het niet uit aan nutteloze dingen. Koop er alleen goede waren voor."

Ali-Dsjan was een verstandige en eerlijke jongen, wat nog niet wil zeggen dat hij erg geschikt was voor de handel. In zijn hart wilde hij liever iets anders worden dan koopman. Hij durfde echter niet tegen de wensen van zijn bejaarde vader ingaan. Dus nam hij de honderd goudstukken aan en vertrok de volgende dag met de handelskaravaan. Een paar dagen trok de karavaan door onbewoonde streken. De eerste rustplaats was een grote stad. Daar namen de handelaren hun intrek in een karavaan-serail: een groot gebouw met veel kamers en stallen, speciaal gebouwd om doortrekkende reizigers tijdelijk te huisvesten. Midden in deze stad was een groot park.

De avond na de aankomst van de karavaan kon men daar Ali-Dsjan nieuwsgierig en verwonderd zien wandelen. Het park was helder verlicht door talloze olielampen. Midden in het park was een prachtig paviljoen, met een vloer van wit marmer en rijkelijk versierd met kleurig houtsnijwerk. Om het paviljoen, dat overschaduwd werd door sierlijk geboomte, was een smeedijzeren hek. In het paviljoen stonden op bonte tapijten tafeltjes die van goud en zilver waren gemaakt en ingelegd met parelen en robijnen. Op ieder tafeltje stonden kleine beeldjes. Deze beeldjes werden heen en weer geschoven door jongemannen, waarvan er aan elk tafeltje twee tegenover elkaar zaten. Voor ze een beeldje vooruit of achteruit schoven, peinsden de jongemannen diep en soms nam de een bij de ander een beeldje weg en dan glimlachte hij even. Verbaasd stond Ali-Dsjan naar dit tafereel te kijken; hij vergat de tijd.

Een parkwachter, die dat op den duur vreemd ging vinden, liep naar hem toe en vroeg: "Waarom sta jij daar zo stil te kijken? Wat verbaast je zo?"

"Wie zijn die jongemannen?" vroeg Ali-Dsjan, "en wat doen ze?"

"Die jongens leren schaken," antwoordde de parkwachter. "Dit paviljoen is een Openbare Schaakschool."

"Kan ik ook die school bezoeken en schaken leren?"

"Natuurlijk! Als je eerst honderd goudstukken schoolgeld betaalt." Ali-Dsjan herinnerde zich wat zijn vader had gezegd: geef je geld alleen uit aan nuttige dingen. Was schaken nuttig? Daar was Ali-Dsjan niet zo zeker van. Hij wist wel dat het hem erg boeiend leek om te schaken. De volgende dag meldde hij zich bij het hoofd van de Schaakschool en betaalde de honderd goudstukken schoolgeld.

De karavaan trok verder zonder Ali-Dsjan. Ali-Dsjan kon niet mee. Hij moest naar school. Op school werd hij een vlijtige en scherpzinnige leerling. Het duurde geen vol jaar voordat hij een kei in het schaken was geworden. Ja, op een dag versloeg hij de leraar; dat was de eerste keer dat op die school een schaakleerling het had gewonnen van een schaakmeester.

Het jaar ging voorbij. De grote vakantie brak aan. De leerlingen - van wie er sommigen ver weg woonden - reisden terug naar huis.

Ali-Dsjan vroeg zich af: hoe zal ik naar huis reizen zonder geld? Hij nam de schaakmeester in vertrouwen, en vertelde hem dat hij al zijn geld had besteed om schaken te leren. De schaakmeester wilde zijn begaafde leerling graag helpen en gaf hem twee goudstukken; dat was net genoeg voor de terugreis. Met een karavaan die zijn geboortestad aandeed, reisde Ali-Dsjan naar huis.

Zijn vader was benieuwd wat zijn zoon had meegebracht maar toen hij begreep dat de honderd goudstukken waren besteed zonder dat Ali-Dsjan er koopwaar voor had ontvangen, werd hij verschrikkelijk boos en schold zijn zoon uit voor losbol.

Een heel jaar ging voorbij. Weer riep de vader zijn zoon bij zich en weer gaf hij hem honderd goudstukken en duizend vermaningen, weer werd Ali-Dsjan met een karavaan meegestuurd om de handel te leren. Na een paar dagen bereikte de karavaan dezelfde grote stad waar Ali-Dsjan schaken had geleerd. Hij had zich vast voorgenomen deze keer het geld van zijn vader beter te besteden, maar toen hij 's avonds door het park wandelde en bij het paviljoen bleef stilstaan, hoorde hij een prachtige muziek die hem alle voornemens deed vergeten. In de Schaakschool was nu een Muziekschool. Op geborduurde kussens zaten jongemannen die zich bekwaamden in het bespelen van kostelijk klinkende instrumenten.

Op slag vergat Ali-Dsjan de vermaningen van zijn vader. Hij betaalde het schoolgeld dat honderd goudstukken bedroeg en werd leerling van de Muziekschool. Hij was een vlijtige en muzikale leerling en geen jaar was voorbij gegaan voor Ali-Dsjan zelfs zijn muziekleraar de baas was in vedelen, tokkelen, strijken en blazen.

Aan het einde van het jaar, toen de leerlingen de school verlieten om naar huis te reizen, moest Ali-Dsjan zich weer afvragen: hoe kom ik thuis zonder geld? En wat zal mijn vader ervan zeggen als hij geen koopwaar ziet? Gelukkig was de muziekleraar een goedhartig man en hij gaf Ali-Dsjan de twee goudstukken die nodig waren voor de thuisreis.

Al was de vader van Ali-Dsjan de eerste minuten erg blij dat zijn zoon terug was, toen hij begreep dat ook deze tweede reis geen tastbare resultaten had opgeleverd, werd hij verschrikkelijk boos en schold Ali-Dsjan uit voor flierefluiter en losbol. Weer ging een jaar voorbij. De vader riep voor de derde keer zijn zoon bij zich en hij gaf hem zijn laatste honderd goudstukken met deze woorden: "Als je ook deze keer het geld uitgeeft aan dingen als schaken of muziek dan hebben we niets meer en zijn we straatarm!"

Ali-Dsjan beloofde zijn vader plechtig dat hij deze keer het geld alleen zou uitgeven om koopwaar mee naar huis te brengen. Weer trok hij mee met de karavaan, weer kwam hij aan in de grote stad waar hij schaken en muziek had geleerd. Om het stof van de reis van zich af te spoelen ging Ali-Dsjan naar een badhuis en het toeval wilde dat hij op de terugweg weer bij het park kwam waar het prachtige paviljoen was. Hij dacht: "Ik zal er even naar binnen kijken. Dat kan geen kwaad."

Deze keer zag hij geen schakende of musicerende jongemannen, maar een hele klas die bezig was met boeken en pennen. Voor hen stond een leraar die hen de dichtkunst bijbracht. Ali-Dsjan redeneerde: "Nu kan ik schaken en musiceren, zou ik dan geen dichten leren?"

Weer betaalde hij de honderd goudstukken schoolgeld. Hij werd leerling van de School voor Dichters. Hij was een vlijtige en talentvolle leerling en voor het jaar om was, schreef hij sprookjes op rijm, heldendichten in strofen, historie in verzen en gedichten om voor te dragen in het openbaar. Weer kwam het einde van het schooljaar en weer vroeg Ali-Dsjan zich af (deze keer op rijm):
"Hoe zal ik de terugreis betalen
en wat zal ik vader verhalen,
nu ik het laatste geld
heb neergeteld
om woorden te laten pralen?"
Gelukkig vond de leraar van de school het ongerijmd zijn beste leerling in de steek te laten zodra het vakantie was en hij gaf Ali-Dsjan de goudstukken die nodig waren voor de terugreis.

Maar deze keer reisde Ali-Dsjan niet terug naar zijn geboortestad. Hij wilde zijn vader niet voor de derde keer teleurstellen en ging in dienst bij een koopman die op het punt stond een verre handelsreis te ondernemen.

De volgende morgen bij zonsopgang vertrok de karavaan, zwaar beladen met koopwaar. Een paar dagen en nachten trok de karavaan door de onbewoonde woestijn. Het werd tijd om water te vinden. Maar de bron waar ze op gehoopt hadden, bleek opgedroogd te zijn. De koopman droeg Ali-Dsjan op om te gaan zoeken naar een poel water of een onbekende bron. Ali-Dsjan zwierf tussen rotsblokken en woestijnplanten, toen hij in een groot brok steen een lage deur ontdekte.

"Wat zou er achter die deur zijn?" vroeg hij zich af en hij duwde de deur open.

Achter de deur was een ruim vertrek. Daar zat op een tapijt van kameelhaar een woestijngeest treurig voor zich uit te staren. In zijn handen hield hij een oude viool.

Ali-Dsjan liep naar de woestijngeest toe, nam hem het instrument uit handen en begon erop te spelen. Eerst klonk het erg vals, maar het duurde niet lang voor Ali-Dsjan de snaren had bijgesteld en uit de oude viool de heerlijkste muziek liet klinken.

De woestijngeest ontwaakte uit zijn droevige verstarring. Hij strekte zijn hand uit en legde die op de schouder van Ali-Dsjan. "Vertel mij, mensenkind, hoe ben je hier gekomen?"

Die vraag herinnerde Ali-Dsjan aan de buiten wachtende karavaan. Hij wilde opstaan en het vertrek verlaten. Maar de woestijngeest hield hem tegen. Hij keek Ali-Dsjan dankbaar aan en zei:
"Je hebt mijn instrument weer stem gegeven.
Wat je ook wenst in je verdere leven
zal als beloning worden vervuld,
waar je je ook bevinden zult."
Ali-Dsjan keek de woestijngeest verwonderd aan.

"Ik heb mijn enige zoon verloren," vertelde de woestijngeest nu, "en ik wilde het lied van de snaren horen om mij te troosten in mijn grote verdriet. Maar het instrument speelde niet en ik dacht al dat alle hoop verloren was toen jij hier kwam en het instrument genas. De muziek zal op zijn beurt mijn smart genezen en dus zal ik je altijd dankbaar wezen." En hij gaf hem een zakje goudstukken.

Blij met die gave ging Ali-Dsjan weer naar buiten. Maar - wat een schrik! - de karavaan was verder getrokken. Ali-Dsjan volgde de sporen van de kamelen in het woestijnzand en haalde de karavaan weer in. Iedereen was verbaasd hem nog terug te zien. Men had gedacht dat hij verdwaald was. Toen de koopman zag dat Ali-Dsjan in de tijd dat hij onvindbaar was geweest een zakje vol goudstukken had verdiend, werd hij groen van afgunst.

De volgende rustpauze benutte de koopman door een verklaring op een blad papier te schrijven en er zijn zegel aan te hechten. Vervolgens zei hij tegen Ali-Dsjan: "In deze brief heb ik neergeschreven dat ik heb besloten jou mijn dochter tot vrouw te geven. Rijd met deze brief naar mijn huis en geef hem aan mijn vrouw. Ze zal alles klaarmaken voor de bruiloft. Pas onderweg goed op je goudstukken! Over drie dagen reis ik je achterna." Hij legde Ali-Dsjan uit hoe hij moest reizen en hij gaf hem zijn snelste paard.

Na een uurtje in de goede richting te hebben gereden, hield Ali-Dsjan zijn paard in en steeg af. Hij maakte de brief van de koopman open en las:

"Beste vrouw. Het geld, dat deze bediende bij zich heeft, is voor jou. Om hem te bewegen naar ons huis te rijden, heb ik hem onze dochter beloofd. Zorg ervoor dat hij na aankomst wordt onthoofd."

Gelukkig droeg Ali-Dsjan in zijn mantel zelf papier en schrijfstift. Hij schreef haastig een brief die hem beter leek, maar schreef in het handschrift van de koopman - een dichterlijke vrijheid die noodzakelijk was om zijn eigen hoofd te redden. Hij schreef:

"Beste vrouw. Ontvang deze bediende als een vorst en laat hem zo snel mogelijk trouwen met onze dochter. Wacht in geen geval op mij. Een hartelijke groet!"

Ali-Dsjan hechtte aan deze nieuwe brief het zegel van de oude en reed verder in de goede richting. Hij kwam aan in de stad waar de koopman woonde, liet zich diens huis wijzen en meldde zich bij zijn vrouw. Ze las de brief en nodigde Ali-Dsjan uit binnen te komen en te doen alsof hij thuis was. De volgende dag werd de bruiloft gevierd. De dochter van de koopman was mooi en lief; Ali-Dsjan had zich geen betere vrouw kunnen kiezen.

De dag na de bruiloft liet Ali-Dsjan zijn paard zadelen. Hij kondigde aan dat hij op reis moest. Tegen de dienaren zei hij: "Als in de nacht hier iemand aankomt, doe dan in geen geval de poort voor hem open. Klimt hij over de muur, grijp hem dan vast en geef hem een pak slaag. Dit zijn de bevelen van jullie nieuwe heer."

De volgende nacht kwam de koopman bij zijn huis aan. Hij klopte op de poort. Niemand deed open. Hij bleef kloppen, twee uur, drie uur lang. Niemand deed open. Ten einde raad klom hij over de muur.

Aan de andere kant werd hij verwelkomd door dienaren met knuppels, die hem er duchtig van langs gaven. Meer dood dan levend sleepte hij zich vanuit de donkere tuin naar de slaapkamer van zijn vrouw. Hij stamelde: "Wat heb je gedaan met die jongeman die ik mijn brief meegaf?"

"Bedoel je onze schoonzoon?" vroeg de vrouw. "Hij is vanmorgen op reis gegaan. De bruiloft was prachtig. Jammer dat je er niet bij kon zijn."

"O wee, o wee!" kreunde de koopman. "Hij is me te slim af geweest."

Hoe ging het intussen met Ali-Dsjan? Hij reed een hele tijd op zijn paard door de woestijn tot hij aankwam in een grote stad. Het was daar juist marktdag. Een omroeper ging rond over het marktplein en riep keer op keer: "Luister naar wat wordt gezegd! De Sjah nodigt ieder die goed kan schaken uit om naar zijn paleis te komen en met hem te spelen. Wie alle drie partijen wint, krijgt van de Sjah zijn pauwentroon. Wie drie partijen achter elkaar verliest, zal worden onthoofd, samen met al zijn pionnen!"

Ali-Dsjan was de enige die deze uitdaging durfde aan te nemen. Hij reed naar het paleis van de Sjah en het schaaktoernooi tussen de Sjah en Ali-Dsjan begon.

Ali-Dsjan verloor de eerste partij, won de tweede en ook de derde. Daarna won de Sjah twee partijen en hij verloor er een. Na een korte onderbreking om de benen te strekken speelden ze verder. Ali-Dsjan deed zijn uiterste best en won achter elkaar drie partijen. Tegen de Sjah zei hij: "Kijk niet zo mat, Sjah! Ik wil uw pauwentroon niet. Ik wil terugreizen naar mijn oude vader die ik zo dikwijls heb teleurgesteld. Ik groet u en uw pionnen!"

Hij voegde de daad bij het woord en reisde terug naar zijn oude vader. Onderweg schaakte hij nog zijn eigen vrouw uit het huis van haar vader. Hij kwam zonder verdere avonturen thuis aan en hij vertelde aan zijn vader alles wat hem was overkomen. Na afloop van dat verhaal riep de vader geestdriftig: "Wat ben ik trots op een zoon die zoveel dingen heeft geleerd en zoveel gevaren getrotseerd. Je hebt laten zien dat je een leergierig mens bent. Laat nu ook zien dat je met wat je leerde niet gierig bent!"

Deze keer volgde Ali-Dsjan de raad van zijn vader stipt op. Hij vestigde zich met zijn vrouw in zijn geboorteplaats en begon er een Schaakschool, een Muziekschool en een School voor Dichters. Zodat het niet lang duurde o£ het wemelde in die stad van de schakers, muzikanten en dichters. Dat bracht leven in de brouwerij. Handelen is heel fraai, maar ook vrij saai! Vroeger verveelde men zich vaak in die stad vol kooplui, maar na de avonturen van Ali-Dsjan was er nooit meer iemand die zich verveelde. En dat was meer waard dan driehonderd goudstukken.


*   *   *

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes en vertellingen uit Rusland" vertaald en bewerkt door Hans Werner. Deltos Elsevier, Amsterdam/Brussel, 1972. ISBN: 90-10-30122-2

Herkomst: Oezbekistan
Verteltijd: ca. 22 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook