Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 58 min.
Herkomst:

De legende van de Zweedse Luciadag

Een aantal eeuwen geleden woonde in het zuiden van Varmland een rijke, gierige oude vrouw. Ze werd Vrouwe Rangela genoemd.

Ze bewoonde een burcht - of beter gezegd, een versterkte boerenhoeve - aan de smalle monding van de inham van het Vannernmeer, dat diep het land insnijdt.
Over die monding had Vrouwe Rangela een brug gebouwd die kon worden opgehaald, zoals bij een kasteel. Bij de brug had zij een sterke wacht gezet.

Voor de reizigers, die in staat waren tolgelden te betalen lieten de wachters de brug zakken. Voor anderen, die uit armoede of om andere redenen niet konden betalen, bleef de brug omhoog staan. Omdat er geen veerpont was moesten de reizigers dan een flinke omweg langs de oever van de inham maken.
Deze manier van Vrouwe Rangela om tol te heffen riep veel verontwaardiging op. Waarschijnlijk zouden haar buren, een aantal trotse boeren, allang een einde aan haar praktijken hebben gemaakt als Vrouwe Rangela niet een machtige vriend en beschermer had in de persoon van Heer Eskil van Börtsholm, die op een kasteel woonde dat grensde aan het bezit van Vrouwe Rangela.

Het kasteel van Heer Eskil was versterkt met muren en torens en hijzelf was zo rijk dat zijn landerijen samen een heel district vormden. Hij reed door het land met een gevolg van zestig gewapende dienaren en was door de koning als vertrouwensman en adviseur gekozen. Hij was niet alleen een goede vriend van Vrouwe Rangela, maar het was haar ook gelukt hem tot haar schoonzoon te maken.

Onder die omstandigheden was het begrijpelijk dat niemand de gierige vrouw een strobreed in de weg durfde te leggen. Jaar na jaar ging dit door, tot er iets gebeurde dat Vrouwe Rangela ongerust maakte. Haar arme dochter stierf onverwacht en Vrouwe Rangela begreep dat een jonge man als Heer Eskil met acht minderjarige kinderen en een bijna vorstelijke hofhouding wel gauw zou hertrouwen. Als die nieuwe echtgenote Vrouwe Rangela niet zou mogen, kon dat haar veel last geven. Het was haast nog belangrijker een goede verstandhouding met de vrouw van heer Eskil te hebben dan met hemzelf. Ten slotte was heer Eskil, die veel grote verantwoordelijkheden had, veel op reis. Bij zulke gelegenheden was het de vrouw des huizes die alles op het kasteel regelde.

Vrouwe Rangela overdacht het één en ander grondig en toen de begrafenis goed en wel voorbij was, reed ze naar Börtsholm en zocht heer Eskil op. Ze herinnerde hem aan zijn acht kinderen en wat die nodig hadden, aan zijn vele bedienden, die gekleed en gevoed moesten worden en aan de grote feesten, waarop koningen en prinsen werden uitgenodigd. Ze sprak over de grote kudden, zijn landbouwgrond, de jachtterreinen, zijn bijenkorven, de hopvelden, de viswateren, kortom over alles waarvoor zijn vrouw gezorgd had. Ze riep een afschuwelijk beeld op van alles waarvoor hij, na het sterven van zijn vrouw, alleen zou staan.

Heer Eskil luisterde met gepaste eerbied naar zijn schoonmoeder, maar ook met onrust. Hij was bang dat dit allemaal inhield dat Vrouwe Rangela zichzelf als hoofd van de huishouding op Börtsholm kwam aanbieden. Hij moest zichzelf toegeven dat hij deze oude vrouw met haar onderkin, haar scherpe, gebogen neus en harde, boerse stem geen prettig gezelschap zou vinden. "Beste Eskil," ging Vrouwe Rangela verder, "ik weet datje nu een erg voordelig huwelijk zou kunnen sluiten, maar ik weet ook dat je rijk genoeg bent om niet met een bruidsschat en een mogelijke erfenis rekening te hoeven houden. Het belang van de kinderen gaat voor en daarom stel ik je voor een van de jonge nichtjes van mijn dochter als haar opvolgster te kiezen."

Heer Eskils gezicht klaarde op toen hij hoorde dat het om een jong familielid ging. Zijn schoonmoeder probeerde hem met kracht ervan te overtuigen dat hij met Vrouwe Lucia, de dochter van broer Sten Folkesson, moest trouwen. Ze werd deze winter op St. Luciadag achttien jaar. Ze werd opgevoed bij de vrome vrouwen in het klooster van Risabergen. Ze had er niet alleen goede manieren en devotie geleerd, maar ze was door het vervullen van allerlei taken ook erop voorbereid een grote huishouding te leiden.

"Als haar jeugd en armoede geen bezwaar zijn, moet je haar kiezen," zei Vrouwe Rangela.
"Ik weet dat mijn dochter haar de zorg over haar kinderen zonder meer had durven toevertrouwen. Ze zal in vrede rusten als je haar nichtje trouwt."

Heer Eskil, die nooit tijd had over zijn eigen zaken na te denken, was Vrouwe Rangela dankbaar voor haar goed advies. Hij vroeg wel een paar weken bedenktijd, maar gaf haar al de volgende dag volmacht voor hem te onderhandelen. En zo snel als in verband met de voorbereidingen voor de trouwerij en de goede smaak mogelijk was, werd de bruiloft gevierd. De jonge vrouw deed een paar maanden nadat ze achttien jaar was geworden haar intocht op Börtsholm.

Toen Vrouwe Rangela zich bedacht hoeveel reden haar nichtje had haar dankbaar te zijn, voelde ze zich nog veiliger dan toen haar eigen dochter de teugels in handen had op Börtsholm. In haar optimisme verhoogde ze het bruggegeld nog wat en ze verbood de buren streng de reizigers met een bootje over te zetten. Iedereen die langskwam, zou tol moeten betalen.

Toen Vrouwe Lucia een aantal maanden op Börtsholm woonde kwam er eens een groep zieke pelgrims langs, die op weg waren naar de Heilige Drieëenheidsbron bij Sökra. Ze vroegen of ze over de brug mochten gaan. Ze waren gewend dat de mensen die ze tegenkwamen hen hielpen. Het gebeurde vaker dat ze geld kregen, dan dat ze het moesten uitgeven.

De brugwachters van Vrouwe Rangela hadden strenge bevelen gekregen niemand zó maar door te laten en zeker niet dit soort reizigers. Ze verdacht hen ervan helemaal niet zo ziek te zijn als ze voorgaven, maar uit luiheid zo door het land te trekken.

Toen hun de vrije doorgang geweigerd werd, begonnen de zieken te jammeren. De verlamden en mismaakten toonden hun gebreken en vroegen hoe iemand zo hard kon zijn. Hun tocht zou hierdoor een dag langer duren. De blinden zonken op hun knieën en de vrienden en familieleden van de zieken die hen vergezelden op hun tocht, keerden hun zakken om, om de wachtposten te laten zien dat ze werkelijk geen geld hadden.

Maar de wachters lieten zich niet vermurwen en de wanhoop van de armen groeide steeds meer. Op dat moment kwam de kasteelvrouw van Börtsholm met haar stiefkinderen aanroeien. Toen ze had begrepen wat de moeilijkheid was, riep ze uit: "Maar hier kunnen we gemakkelijk iets aan doen. De kinderen brengen een bezoek aan grootmoeder Rangela en intussen zet ik deze zieken over in mijn boot."

De wachters en ook de kinderen die wisten dat er met Vrouwe Rangela niet viel te spotten, als haar dierbare tolgeld in het geding was, probeerden de jonge vrouw met blikken en gebaren te waarschuwen. Maar ze merkte het niet. Of wilde ze het niet begrijpen? Ze was in alles het tegengestelde van haar tante. Ze had al sinds haar jeugd de heiligverklaarde Siciliaanse maagd Lucia liefgehad en vereerd. Zij was haar beschermheilige en voorbeeld geworden. Daardoor was haar hele wezen met licht en warmte doortrokken geraakt. Over haar uiterlijk lag iets lichts, iets doorschijnends, bijna te teer om aan te raken. Met veel vriendelijke woorden zette zij de zieken over. Ze werd overladen met goede wensen en zegeningen, die als ze even zwaar als waardevol waren geweest, haar boot onmiddellijk zouden hebben doen zinken.

Na deze gebeurtenis begon Vrouwe Rangela te vermoeden dat ze van haar nichtje weinig steun had te verwachten. Ze had er spijt van dat ze ervoor gezorgd had dat zij met heer Eskil was getrouwd. Ze besloot dat vóór het meisje haar belangen nog meer zou schaden, ze uit haar hoge positie verdreven zou moeten worden.

Ze liet niets van haar boze opzet merken en bezocht haar nichtje vaak op Börtsholm. Ze probeerde wel tweedracht tussen de jonge vrouw en de bedienden te zaaien, maar tot haar verbazing mislukte dat helemaal. Voor een deel kwam dat doordat Vrouwe Lucia ondanks haar jeugd haar huishouding goed leidde. De werkelijke reden was echter, dat de kinderen en bedienden geloofden dat de nieuwe huismoeder een machtige, hemelse bescherming genoot, waardoor zij die haar kwaad wensten, gestraft zouden worden en degenen die haar trouw dienden, voorspoed zouden genieten. Vrouwe Rangela merkte dat ze op deze manier niets bereikte, maar wilde de hoop nog niet opgeven en eerst ook heer Eskil nog op de proef stellen. Deze zomer was hij meestal aan het hof in verband met moeizame en inspannende onderhandelingen. Als hij af en toe een paar dagen thuiskwam, bracht hij zijn tijd voornamelijk met de jachtopzichters en de voormannen door. Aan de vrouwelijke bewoners van Börtsholm schonk hij alleen maar terloops aandacht en zelfs als Vrouwe Rangela op bezoek kwam, trok hij zich terug. Ze kreeg nooit de kans hem onder vier ogen te spreken. Op een mooie zomerdag zat heer Eskil in zijn kamer met zijn stalmeester te praten. Plotseling klonk er in het kasteel een luid geschreeuw. Hij onderbrak het gesprek en haastte zich naar buiten om te zien wat er aan de hand was. Daar zag hij zijn schoonmoeder, Vrouwe Rangela, die buiten de poort te paard zat en harder krijste dan een uil.

"Je arme kinderen, heer Eskil!"

schreeuwde ze, "ze zijn in levensgevaar. Vanmorgen kwamen ze naar mijn strand roeien, maar op weg naar huis moeten ze water in hun boot hebben gekregen. Ik kon vanuit mijn huis zien dat ze het moeilijk hadden en ben hierheen gereden om je te waarschuwen. Ook al is je vrouw mijn eigen nichtje, ik vind het onverantwoord dat zij ze in een dergelijke oude boot het water op laat gaan. Het is een stiefmoederstreek!"

Heer Eskil stelde haastig een paar vragen en snelde toen met zijn stalmeester naar het botenhuis. Maar nog voor ze daar waren aangekomen, zagen ze op het steile pad naar het meer Vrouwe Lucia aankomen met alle kinderen. De jonge kasteelvrouw was dit keer niet meegegaan met haar kinderen, maar naar huis gegaan om te werken. Maar alsof ze een waarschuwing van haar hemelse beschermers had gekregen, was ze plotseling naar buiten gegaan om naar hen te kijken. Ze had gemerkt dat ze met hun armen zwaaiden en om hulp riepen. Ze was snel in haar eigen boot naar hen toegeroeid en op het laatste moment was het haar gelukt de kinderen uit het zinkende vaartuig in haar eigen boot te krijgen.

Toen Vrouwe Lucia en haar stiefkinderen het pad opkwamen waren ze druk in gesprek. Ze vroeg de kinderen hoe het ongeluk toch had kunnen gebeuren. Ze waren zo verdiept in hun gesprek dat ze heer Eskil met Vrouwe Rangela niet zagen. Hij was ongerust geraakt over wat Vrouwe Rangela had gezegd over een stiefmoederstreek. Hij gaf zijn stalmeester een teken en ze verborgen zich achter één van de wilde rozenstruiken, die bijna de hele heuvel, waar Börtsholm op lag, overdekten.

Hij hoorde hoe de kinderen Vrouwe Lucia uitlegden dat ze in een goede boot waren uitgevaren, maar dat hun boot verwisseld was met een oude, slechte boot, toen ze bij Vrouwe Rangela te gast waren. Ze hadden het pas gemerkt toen ze al op het meer waren en er aan alle kanten water de boot instroomde. Ze zouden zeker verdronken zijn als hun lieve moeder niet zo snel te hulp was gekomen.

Het leek alsof Vrouwe Lucia iets begon te begrijpen, want ze bleef doodsbleek midden op het steile pad staan. Er sprongen tranen in haar ogen en ze drukte haar handen tegen haar hart. De kinderen drongen om haar heen om haar te troosten. Ze riepen dat ze toch allemaal heelhuids aan het gevaar waren ontsnapt, maar ze bleef onbeweeglijk en machteloos staan.

Toen vouwden de twee oudste kinderen, twee sterke jongens van veertien en vijftien, hun handen in elkaar en droegen haar het steile pad op. De jongeren volgden lachend en klapten in hun handen. Terwijl de kleine stoet zo in triomf tussen de rozen door naar Börtsholm trok, stond heer Eskil in gedachten zijn vrouw en kinderen na te kijken. De jonge vrouw zag er zo lief en stralend uit, dat hij wilde dat zijn leeftijd en waardigheid hem zouden hebben toegestaan haar in zijn armen te nemen en naar het kasteel te dragen.

Misschien bedacht heer Eskil op dat ogenblik ook hoeveel moeite zijn werkzaamheden voor het vorstenhuis hem kostten en hoe weinig bevredigend dat werk eigenlijk was. Wellicht wachtten hem thuis veel meer vrede en vreugde. Hij sloot zich die dag niet meer op in zijn kamer, maar praatte met zijn vrouw en keek naar zijn spelende kinderen.

Vrouwe Rangela zag het met lede ogen aan. Zodra ze fatsoenshalve kon, verliet ze haastig Börtsholm. Omdat niemand haar echt durfde te verdenken, werd de vriendschappelijke band niet verbroken en kon ze haar pogingen voortzetten om de jonge kasteelvrouw van haar hoge positie te beroven. Het leek alsof het onberispelijke gedrag en het goede hart van Vrouwe Lucia en de hemelse bescherming die ze genoot, alle aanvallen deden afketsen. Maar in de herfst deed tot Vrouwe Rangela"s blijdschap haar nichtje iets, dat heer Eskil wel moest afkeuren.

Dat jaar was de oogst op Börtsholm overvloediger geweest dan ooit. Ook de jacht en de visvangst hadden tweemaal zoveel opgebracht als anders. De bijenkorven liepen bijna over van was en honing en de hop was goed opgekomen. De koeien gaven overvloedig melk, de wol van de schapen werd net zo lang als het gras en de varkens vraten zich zo vet, dat ze zich nauwelijks konden bewegen. Iedereen die op het kasteel woonde zag de gezegende opbrengsten en men beweerde al gauw dat het door de aanwezigheid van de jonge Vrouwe Lucia werd veroorzaakt.

Terwijl men nu op Börtsholm druk bezig was de rijke oogst te verwerken, verscheen er een grote groep mensen die in nood verkeerden. Zij kwamen van de oostelijke en noord-oostelijke oever van het grote Vannernmeer. Onder veel tranen vertelden ze dat de hele streek door een vijandelijk leger was geteisterd. Brandend, plunderend en moordend hadden de soldaten rondgetrokken. Zij waren zo wreed geweest dat ze zelfs het koren op de velden in brand hadden gestoken en alle vee hadden meegenomen. De mensen die het overleefd hadden, gingen de winter zonder voedsel en dak boven hun hoofd tegemoet. Sommigen waren gaan bedelen, anderen verborgen zich in het bos en weer anderen zwierven moedeloos tussen de afgebrande woningen rond, treurend over wat verloren was gegaan.

Toen Vrouwe Lucia deze verhalen hoorde, werd de aanblik van alle levensmiddelen die zich in Börtsholm opstapelden, haar te veel. Ten slotte werd de gedachte aan al die hongerende mensen aan de overkant van het meer haar te machtig. Ze kon geen hap meer naar binnen krijgen. Telkens opnieuw moest ze denken aan de verhalen, die ze in het klooster over heilige mannen en vrouwen had horen voorlezen. Die hadden zich tot op het blote lijf ontkleed om hen die het nodig hadden te helpen. En bovenal herinnerde ze zich haar eigen beschermheilige, Lucia van Syracuse, die in haar barmhartigheid zó ver was gegaan dat ze voor een heidense jongen, die haar liefhad om haar mooie ogen, haar ogen had uitgestoken en die aan hem had gegeven. Ze wilde hem genezen van zijn liefde voor haar, daar zij als christen hem nooit zou kunnen trouwen. De jonge vrouw werd door deze herinneringen bang en gepijnigd. Ze verachtte zichzelf omdat ze zoveel over de ellende van anderen kon aanhoren, zonder pogingen te doen te helpen. Op het moment dat die gedachten haar het meest kwelden, kwam er een bericht van heer Eskil dat hij voor de koning op reis naar Noorwegen moest en niet vóór Kerstmis thuis verwachtte te zijn. Maar dan zou hij niet alleen met zijn eigen gevolg van zestig man komen, maar ook nog met een groot aantal vrienden en familieleden. Hij verzocht Vrouwe Lucia zich voor te bereiden op een groot en langdurig feest.

Diezelfde dag nog deed Vrouwe Lucia een poging om de gevoelens van wroeging en zelfverachting te bezweren. Ze droeg haar ondergeschikten op alle levensmiddelen die op Börtsholm lagen opgeslagen naar het strand te brengen. Daar werd de hele wintervoorraad op pramen en schuiten geladen tot grote verbazing van alle kasteelbewoners.

Toen de kelders en voorraadkamers helemaal leeg waren, ging Vrouwe Lucia met haar kinderen en dienaren aan boord van een goed uitgerust schip. Op het kasteel liet ze alleen een paar oude wachtposten achter. Ze liet zich met al haar bezittingen voortroeien over het grote, schijnbaar onbegrensde meer, dat voor haar lag.

Over die reis van Vrouwe Lucia bestaan nog steeds allerlei oude sagen en verhalen. Zo wordt er verteld dat de westoever van het Vannernmeer, waar de vijand het meest had geplunderd, bij haar aankomst bijna volledig uitgestorven was. Vrouwe Lucia was daar erg teleurgesteld langsgevaren, speurend naar een levensteken. Maar er was geen rook omhooggekringeld, er had geen haan gekraaid en geen koe geloeid.

Toch woonde er in één gemeente nog een oude geestelijke, die heer Kolbjörn genoemd werd. Hij was achtergebleven toen zijn gemeenteleden uit hun verwoeste boerderijen en huizen vluchtten. Zijn pastorie en de kerk waren vol mensen die bij de gevechten gewond waren geraakt. Hij was bij hen gebleven, had hun wonden verzorgd en had het voedsel dat hij nog had onder hen verdeeld, zonder zichzelf een ogenblik rust of een maaltijd te gunnen. Daardoor was hij zo uitgeput dat hij meer dood dan levend was.

Toen had, op één van de donkerste herfstdagen, toen er donkere wolken boven het meer hingen en het water met zware golven kwam aanrollen, heer Kolbjörn geprobeerd de kerkklok te luiden om Gods zegen over zijn zieken af te smeken. Voor het lezen van de mis had hij geen kracht meer gehad.

Nauwelijks hadden de eerste klanken geklonken of er was een kleine vloot schepen en pramen naar het land komen roeien. Uit één van de scheepjes was een jonge vrouw gestapt met een door licht omstraald gezicht. Voor haar uit liepen acht kinderen en achter haar liep een lange rij knechten die flinke hoeveelheden levensmiddelen droegen, waaronder gebraden kalveren en schapen, broodkoeken op lange stokken, kruiken met dranken en zakken meel. De hulp was als een wonder net op tijd gekomen.

Niet ver van de kerk van heer Kolbjörn had op een landtong, die het meer inliep en Saxudden heette, sinds onheuglijke tijden een boerderij gestaan. Die was nu platgebrand en geplunderd, maar de eigenaar, een man van zeventig, hield zoveel van de boerderij dat hij de ruïne niet wilde verlaten. Zijn oude vrouw, een kleinzoon en een kleindochter waren bij hem gebleven. Ze hadden van de visvangst geleefd, maar de stroom had hun vistuig vernield en nu zaten ze op de puinhopen en dachten van honger te zullen sterven. Terwijl ze lagen te wachten dacht de man plotseling aan zijn hond, die, de hongerdood nabij, in de buurt lag. Hij nam een pook en met inspanning van zijn laatste krachten sloeg hij naar de hond om hem weg te jagen. Hij wilde niet dat het dier zou sterven door omstandigheden waaraan het geen schuld had. Bij de klap huilde de hond luid en liep weg. De hele nacht zwierf hij jankend rond. Het geluid droeg ver over het meer. Nog voor het dag was, roeide Vrouwe Lucia, door het gejank geleid, naar de oever en bracht hulp en redding. Nog verder weg lag een huisje met een muur eromheen. Er woonden een paar vrome vrouwen, die God hadden beloofd het huis nooit te verlaten. De vijandelijke soldaten hadden zoveel eerbied voor hun vroomheid gehad, dat ze hen noch het huis kwaad hadden gedaan. Wel hadden ze hen van hun wintervoorraad beroofd. Het enige wat ze hadden mogen houden, was een duiventil vol duiven. Ze hadden de duiven één voor één geslacht tot er nog maar één over was. Die duif was heel tam en de vrouwen hielden zoveel van het dier dat ze hun leven niet ten koste van hem wilde verlengen. Ze openden de kooi en lieten de duif wegvliegen. Eerst vloog de witte duif hoog de lucht in en toen daalde het dier en ging op het dak zitten.

Toen Vrouwe Lucia langs het strand roeide zag ze de duif en begreep dat er mensen in de buurt moesten zijn. Ze ging aan land en gaf de vrome vrouwen zoveel voedsel, dat ze de winter konden doorkomen.

Nog verder naar het zuiden had bij de oever van het Vannernmeer een klein handelsstadje gelegen, dat nu platgebrand en geplunderd was. Alleen de lange steigers waar vroeger de schepen aanlegden, waren nog onbeschadigd. Onder die steigers had zich, terwijl de plundering gaande was, Lasse de winkelier met zijn vrouw verstopt. Temidden van het geweld was daar hun kind geboren. Maar daarna was de moeder zo ziek geworden dat ze niet hadden kunnen vluchten. Ze leefden nu in diepe ellende en iedere dag opnieuw smeekte de vrouw haar man toch aan zichzelf te denken en haar alleen te laten, maar hij weigerde.

Toen verliet ze op een nacht hun schuilplaats om zich met haar kind te verdrinken. Ze dacht dat haar man als zij dood waren wel zou vluchten en het er levend vanaf zou brengen. Maar het kind begon heel hard te huilen toen het het koude water voelde en de man werd wakker. Hij bracht hen beiden aan land, maar het kind was zo geschrokken dat het de hele nacht huilde. Het geluid droeg ver over het water en trok de aandacht van de helpers die zoekend op het meer voeren.

Vrouwe Lucia roeide langs de oever van het Vannernmeer zolang ze nog voorraad had. Op die tocht was ze gelukkiger dan ooit tevoren, want er is niets vreselijkers dan werkeloos te moeten toezien als anderen verdriet hebben en in nood zitten. Te kunnen helpen, al is het nog zo weinig, geeft geluk en rust. Ze voelde zich nog steeds opgelucht en blij toen ze op Börtsholm aankwam de avond voor Luciadag. Ze was gelukkig en zich van geen gevaar bewust. Tijdens het avondmaal dat uit een paar bekers melk bestond, sprak ze met haar reisgenoten over de heerlijke tocht die ze hadden gemaakt. Ze waren het erover eens dat ze nog nooit zo"n bevredigende tijd hadden doorgemaakt.
"Maar nu krijgen we een drukke tijd," ging ze verder, "morgen kunnen we St. Luciadag niet zoals anders met een feestmaal vieren. We moeten flink aanpakken en brouwen, bakken en slachten, zodat we klaar zijn voor het kerstfeest als heer Eskil thuis komt."

Ze zei het zonder angst want ze wist immers dat haar stallen en schuren vol goede gaven van God waren, al waren die op dit moment nog niet klaar om de mensen als voedsel te kunnen dienen.

Hoe gelukkig de tocht ook was geweest, alle reizigers waren uitgeput en gingen vroeg slapen. Maar nog maar net had Vrouwe Lucia de ogen gesloten of buiten het kasteel klonk paardegetrappel, wapengekletter en een luid geschreeuw. De poort zwaaide knarsend open en op de stenen binnenplaats klonken haastige voetstappen. Ze begreep dat heer Eskil met al zijn ruiters was thuisgekomen. Vrouwe Lucia sprong haastig uit haar bed om hem tegemoet te gaan.

Nadat ze haar kleding snel in orde had gebracht, haastte ze zich naar de overloop om van daaruit een trap naar de binnenplaats af te dalen. Maar ze kwam niet verder dan de eerste trede, want midden op de trap stond heer Eskil die op weg was naar haar kamer.

Een fakkeldrager liep voor hem uit en bij het onzekere licht dacht Vrouwe Lucia grote woede op zijn gezicht te zien. Even hoopte ze nog dat zijn gezicht door het rode, flakkerende licht zo donker en dreigend leek. Maar toen ze zag hoe de kinderen en dienstmeiden met bedrukte gezichten en neergeslagen ogen terugdeinsden, moest ze wel geloven dat haar man woedend was thuisgekomen. Terwijl Vrouwe Lucia boven aan de trap stond en op hem neerkeek, zag hij haar plotseling ook en angstig zag ze dat hij zijn gezicht tot een geforceerde glimlach vertrok.

"Word ik nu door mijn mooie vrouw met een maaltijd welkom geheten?" vroeg hij sarcastisch. "Je zorgen zijn vergeefs, want mijn mannen en ik hebben al bij uw tante, Vrouwe Rangela, gegeten. Maar morgen," voegde hij er aan toe, terwijl hij bijna zijn zelfbeheersing verloor, "morgen verwachten we dat je ons een grootse maaltijd voorzet, een maaltijd dit huis waardig. En vergeet niet," riep hij, terwijl hij met zijn vuist op de trapleuning sloeg, "me bij het eerste gekraai van de haan mijn morgendrank te laten brengen."

De jonge vrouw kon geen woord uitbrengen. Net als de vorige zomer, toen ze voor het eerst het vermoeden kreeg dat Vrouwe Rangela haar zwart probeerde te maken, bleef ze staan, sloeg de handen tegen het hart en kreeg tranen in haar ogen. Ze begreep onmiddellijk dat het Vrouwe Rangela was, die haar man vroegtijdig had teruggeroepen en hem had verteld wat Vrouwe Lucia met zijn bezittingen had gedaan.

Heer Eskil liep nog een paar treden verder omhoog en zonder zich iets van de angst van zijn vrouw aan te trekken, boog hij zich naar haar toe en zei met dreigende stem: "Bij het kruis van Onze Heer, Vrouwe Lucia! Onthoud één ding goed, als die maaltijd mij niet bevalt, zul je je dat levenslang berouwen!" Hij legde zijn hand nadrukkelijk op de schouder van zijn vrouw en duwde haar voor zich uit de slaapkamer in.

Terwijl ze daar naar binnen ging, vielen Vrouwe Lucia de schellen van de ogen. Ze begreep dat ze onbezonnen en eigenmachtig had gehandeld en dat heer Eskil reden had om boos te zijn. Had ze niet zonder overleg over zijn eigendom beschikt? Toen ze alleen waren, probeerde ze hem dat vol berouw te zeggen, en ze wilde vergeving voor haar onnadenkend gedrag vragen. Maar hij liet haar niet uitspreken. "Ga nu slapen, Vrouwe Lucia, en denk er aan: sta niet voor de gewone tijd op! Als de morgendrank en de maaltijd mij niet bevallen, zou het kunnen zijn dat je al je krachten nodig hebt bij wat er dan zal gebeuren."

Met dat antwoord, dat haar angst nog vergrootte, moest ze het doen. Ze deed die nacht geen oog dicht. Hoe meer ze nadacht over wat haar man had gezegd, hoe meer ze begreep dat hij erg dreigende woorden had gesproken. Hij zou haar zeker niet veroordelen voordat hij met eigen ogen gezien had, dat ze gedaan had wat Vrouwe Rangela had beweerd. Maar als ze hem niet zo kon onthalen als hij dat wilde, dan was het duidelijk dat haar een vreselijke straf wachtte. Misschien zou ze onwaardig bevonden worden nog langer zijn vrouw te zijn en teruggestuurd worden naar haar ouders. Uit zijn laatste woorden maakte ze op dat hij haar bovendien als een dievegge tussen de paarden spitsroeden zou laten lopen.

Toen ze er van overtuigd was, dat dat zijn bedoeling was, én dat was ook zo, want Vrouwe Rangela had heer Eskil tot een verschrikkelijke woede opgestookt, begon Vrouwe Lucia te beven en te klappertanden van angst. Ze dacht dat ze van angst zou sterven. Ze begreep dat ze de nacht moest gebruiken om een oplossing te vinden, maar haar angst verlamde haar, zodat ze onbeweeglijk bleef liggen. Hoe is het mogelijk om morgenvroeg mijn man en zijn zestig volgelingen al een maaltijd voor te zetten? dacht ze in haar wanhoop. Ik kan net zo goed hier stil blijven liggen wachten tot mijn straf komt. Het enige wat ze kon doen was onophoudelijk en vurig tot de heilige Lucia van Syracuse bidden.

"Oh, heilige Lucia, mijn lieve beschermende moeder," bad ze, "morgen is het de dag waarop u dood werd gemarteld en bent binnengaan in het Hemelse Paradijs! Weet u nog hoe donker, koud en hard het is om op aarde te leven? Kom vannacht hier en neem mij mee! Sluit mijn ogen voorde eeuwige slaap! U weet dat dit mijn enige uitweg is om aan schande en ontering te ontkomen."

Terwijl ze zo de hulp van de heilige Lucia inriep, verstreken de uren en naderde de gevreesde morgen. Veel vroeger dan ze verwachtte klonk het eerste gekraai van de haan en liepen de knechten die voor het vee zorgden over de binnenplaats. De paarden maakten lawaai terwijl ze gingen staan in hun stallen.

"Dadelijk wordt heer Eskil ook wakker en zal hij me zeggen zijn morgendrank te halen. Ik zal moeten bekennen dat ik dwaas heb gehandeld en bier noch wijn voor hem heb."

Haar beschermheilige, de heilige Lucia, kon haar lijden niet langer aanzien. Ze besefte dat Vrouwe Lucia alleen door haar al te grote barmhartigheid had gefaald. Haar lichaam, dat honderden jaren in de kleine grafkamer van de catacomben van Syracuse had gerust, kwam tot leven. Ze kleedde zich in een gewaad van sterrenlicht en werd weer even mooi als vroeger. Ze ging terug naar de wereld, waarin ze vroeger had geleden en liefde had gegeven.

Enkele ogenblikken later zag de verbaasde wachter op de toren van de poort van Börtsholm ver in het zuiden een lichtflits. Als een kogel sneed het vuur door de nacht, sneller dan een mens ooit kan volgen. Het kwam regelrecht op Börtsholm af, vloog de wachtpost rakelings voorbij en verdween. Op die vurige bol - ten minste dat meende de wachter - bevond zich een jong meisje.

Ze stond op de bol, had haar armen hoog geheven en danste op het lichtende voertuig.

Bijna op hetzelfde moment zag Vrouwe Lucia, die van angst niet kon slapen, een schijnsel door een spleet in de deur dringen. En toen de deur een oogwenk daarna openging kwam er tot haar verbazing en blijdschap een schone maagd binnen. Ze was gekleed in een gewaad zo blinkend wit als sterrenlicht. Haar lange, zwarte haar was bij elkaar gebonden met een rank van een plant. Er zaten geen gewone bladeren en bloemen aan, maar fonkelende sterren. De hele kamer werd erdoor verlicht. Maar toch vond Vrouwe Lucia dat het schijnsel vergeleken met de lieve ogen van de vreemdelinge in het niet zonk. Haar ogen glansden helderder dan iets anders op de aarde. Ze straalden hemelse liefde en barmhartigheid uit.

In haar hand had de onverwachte verschijning een grote koperen kan, waaruit de zoete geur van edel druivensap opsteeg. Ze zweefde door de kamer op heer Eskil af, schonk een beetje wijn in een kom en bood hem die aan.

Heer Eskil, die goed had geslapen, werd wakker toen het licht dat ze uitstraalde, op zijn ogen viel. Hij bracht de kom naar zijn lippen. Slaperig als hij was, merkte hij niet meer van het wonder dan dat de wijn heerlijk smaakte. Hij dronk de kom tot op de bodem leeg.
Deze wijn kon niets anders zijn dan de edele Malvasier, de trots van Sicilië en de koning der wijnen. Maar nauwelijks had de ridder de kom geleegd, of hij sliep weer in. Op datzelfde ogenblik zweefde de mooie heilige maagd de kamer uit en liet Vrouwe Lucia vol verbazing en met nieuwe hoop achter. In de donkere, koude wintermorgen zweefde de lichtende helpster door de sombere zalen van het Zweedse kasteel en bood alle slapende soldaten de verrukkelijke wijn uit het Zuiden aan. En zij die hem dronken, dachten dat ze een godendrank proefden. Ze vielen ook dadelijk weer in slaap en droomden over streken waar het voortdurend zomer was en waar de zon altijd scheen. Maar Vrouwe Lucia merkte dat alle angst en machteloosheid die ze die nacht had gevoeld van haar afgleed, ook toen het wonder voorbij was. Ze kleedde zich haastig aan en riep al haar bedienden en beval ze aan het werk te gaan. Die hele lange wintermorgen werkten ze allemaal aan heer Eskils welkomstmaaltijd. Jonge kalveren, varkens, ganzen en kippen verloren in korte tijd het leven. Er werd deeg gekneed en te gisten gezet en er werden grote vuren onder de braadspitten gestookt. Er werd kool gestoofd en men schilde rapen en bakte honingkoeken.

De tafel in de feestzaal werd gedekt en er werden kostbare waskaarsen uit voorraadkisten opgediept. Op de banken werden blauwe kussens en kleden gelegd.

Terwijl al die voorbereidingen werden getroffen sliepen heer Eskil en zijn mannen door.

Toen hij eindelijk wakker werd zag hij aan de stand van de zon dat het al middag was. Niet alleen dat hij zo lang geslapen had verbaasde hem, maar ook dat de ergernis van de vorige avond was verdwenen. Hij had zijn vrouw tijdens zijn ochtendsluimering gezien. Haar gedrag was vol tederheid en liefde geweest. Hij verwonderde zich over het feit dat hij van plan was geweest haar hard te straffen.

Misschien is het allemaal niet zo erg als Vrouwe Rangela me heeft verteld, dacht hij. Ik kan haar natuurlijk niet als vrouw houden als ze inderdaad mijn bezittingen heeft weggegeven, maar haar eenvoudig naar haar ouders terugsturen is misschien voldoende straf.

Toen hij zijn kamer uitkwam, brachten zijn kinderen hem naar de feestzaal. Zijn mannen zaten op de banken al ongeduldig op hem te wachten. Ze wilden graag beginnen en de tafel voor hen boog door onder de heerlijkste gerechten. Vrouwe Lucia nam zonder een spoor van angst naast haar man plaats. Ze was echter nog niet helemaal gerust, hoewel ze in alle haast een maaltijd hadden kunnen bereiden, hadden ze bier noch wijn kunnen brouwen. Ze was onzeker of heer Eskil een maal zonder iets te drinken voldoende zou vinden.

Maar toen zag ze op de tafel vóór haar de grote koperen kan staan die de heilige maagd had gedragen. Die was tot aan de rand gevuld met geurige wijn. Opnieuw voelde ze zich dankbaar voor de bescherming van de barmhartige heilige en bood heer Eskil de wijn aan. Ze vertelde hoe ze eraan was gekomen en hij luisterde vol verwondering ernaar.

Toen heer Eskil een paar keer van de wijn had geproefd, die ditmaal geen slaapverwekkende uitwerking had, vatte Vrouwe Lucia moed en vertelde hem over haar tocht. Eerst zat hij ernstig te luisteren maar toen ze over de geestelijke heer Kolbjörn vertelde, riep hij uit: "Heer Kolbjörn is één van mijn beste vrienden, Vrouwe Lucia, ik ben blij dat je hem kon helpen." En even later bleek ook dat de boer op Saxudden een metgezel van heer Eskil op vele veldtochten was geweest. Eén van de vrome vrouwen was bovendien een familielid van hem. En Lasse - de winkelier uit het handelsstadje - leverde hem vaak lakens en wapens uit het buitenland. Vóór Vrouwe Lucia klaar was met haar verhaal was heer Eskil niet alleen bereid haar alles te vergeven maar was hij ook zielsdankbaar dat zij zoveel van zijn vrienden had kunnen helpen. Maar de angst die Vrouwe Lucia die nacht had doorstaan kwam terug en ze zei, terwijl ze haar tranen nauwelijks kon bedwingen:

"Lieve Heer en Meester, ik vind dat ik verkeerd heb gehandeld, toen ik zonder toestemming te vragen uw bezittingen weggaf. Maar ik smeek u, denk aan mijn onervarenheid en vergeef me."

Toen Vrouwe Lucia dat had gezegd en heer Eskil eraan dacht dat zijn vrouw zo vroom was dat een hemelbewoonster haar aardse lichaam had aangenomen om haar te helpen en dat hij, die toch als een wijs man gold, wiens inzichten hoog werden geacht, haar zó had gewantrouwd, schaamde hij zich diep. Hij sloeg zijn ogen neer en kon geen woord uitbrengen.

Maar toen Vrouwe Lucia hem daar zwijgend en met gebogen hoofd zag zitten werd ze bang. Ze zou het liefst huilend van haar plaats zijn opgestaan om weg te lopen. Op dat ogenblik kwam de barmhartige heilige Lucia, zonder dat iemand haar zag, de zaal binnen en sloop naar de jonge vrouw toe. Ze fluisterde haar in het oor wat ze moest zeggen. Het was juist datgene wat Vrouwe Lucia eigenlijk aldoor graag had willen zeggen. Door haar verlegenheid had ze dat nooit gedurfd.

"Ik wil u graag nog één ding vragen, mijn lieve heer en meester," zei ze, "wilt u niet wat meer thuis blijven? Ik zou dan nooit in de verleiding komen tegen uw wil te handelen. Ik zou u ook alle liefde die ik voor u voel kunnen laten blijken, zodat zich niemand meer tussen ons kan dringen."

Iedereen voelde dat heer Eskil aangenaam getroffen werd door die woorden. Hij rechtte zijn rug en het grote geluk dat hij voelde opwellen, overstraalde zijn schaamte.

Juist wilde hij zijn vrouw een liefdevol antwoord geven toen één van de opzichters van Vrouwe Rangela de zaal binnenstormde. Gejaagd vertelde hij dat Vrouwe Rangela die morgen erg vroeg naar Börtsholm was vertrokken om de bestraffing van Vrouwe Lucia bij te wonen. Onderweg was ze een paar boeren tegengekomen die haar al een tijd haatten vanwege haar tolgelden.

Toen ze zagen dat ze slechts vergezeld werd door één knecht, hadden ze die op de vlucht gejaagd. Daarna hadden ze Vrouwe Rangela van haar paard gesleurd en vermoord.

De opzichters van Vrouwe Rangela waren uitgereden om de moordenaars te grijpen en ze vroegen of ook heer Eskil mannen eropuit wilde sturen om hen te helpen. Heer Eskil stond op en zei luid en streng: "Het is wellicht het meest hoffelijk als ik eerst mijn vrouw zou antwoorden, maar eerst wil ik met Vrouwe Rangela afrekenen. Wat mij betreft mag haar dood ongewroken blijven. Ik zal mijn dienaren voor haar niet eropuit sturen, want ik ben er zeker van dat ze haar verdiende loon heeft ontvangen."

Toen hij dat had gezegd, wendde hij zich tot Vrouwe Lucia en zijn stem klonk zo teder dat velen nauwelijks konden geloven dat het dezelfde heer Eskil was, die zojuist had gesproken. "Ik wil mijn lieve vrouw zeggen dat ik haar graag vergeef en dat ik hoop dat ze mij mijn woede wil vergeven. Over haar wens het volgende: Ik zal de koning vragen een andere raadsman te kiezen, want ik wil twee edele vrouwen gaan dienen. De ene is mijn vrouw en de andere de heilige Lucia van Syracuse, voor wie ik in alle kerken en kapellen op mijn bezit, altaren zal oprichten. Ik zal haar bidden dat wij die in de koude van het Noorden wonen, vroom mogen blijven en de ster van barmhartigheid zullen blijven volgen. Als in mijn jeugd op dertien december 's morgens vroeg de koude en duisternis nog over Varmland lagen, kwam de heilige Lucia van Syracuse alle huizen die tussen de Noorse rotsen en de Gullspangsalv lagen, binnen. Ook toen droeg ze, zoals alleen kinderogen konden zien, een gewaad dat van wit sterrenlicht gemaakt leek. In haar hand had ze een krans van oplichtende bloemen en nog altijd wekte ze de slapenden met een warme geurige drank uit haar koperen kan.

Géén gebeurtenis was mij dierbaarder dan wanneer de deur openging en zij het donker van mijn kamer binnenkwam. Ik zou willen dat ze altijd de boerderijen van Varmland zal blijven bezoeken. Want zij is het licht dat de duisternis bedwingt, zij is de legende die de vergetelheid overwint en zij is de warmte van het hart die koude, ijzige landen midden in de winter liefelijk en zonnig maakt.


*   *   *

Toelichting
De heilige Lucia wordt in de Romeinse canon, tegelijk met de H. Agatha vermeld.Ook is zij samen met de H. Agatha opgenomen in het martelaarsboek van de H. Hieronymus.

In de late Middeleeuwen werd ze door haar naam (Lucia = licht) verbonden met de terugkeer van het licht na het wintersolstitium. Haar naamdag, 13 december, werd vóór de invoering van de Gregoriaanse kalender vaak beschouwd als kortste dag. In Zweden, waar de Gregoriaanse kalender pas halverwege de negentiende eeuw werd ingevoerd, is het Luciafeest vanaf de achttiende eeuw tot op heden bijzonder populair gebleven. Een in het wit gekleed meisje met een kroon van brandende kaarsen, meestal de jongste dochter, gaat als Lussibrud (Luciabruid) alle kamers af en brengt, vaak geholpen door bruidsmeisjes, alle huisgenoten koffie en lekkernijen in de slaapkamer.

Na de invoering van de Gregoriaanse kalender werd 21 december de kortste dag, maar het Luciafeest bleef op de dertiende staan. Ook in andere delen van Europa werd dit feest gevierd, al zijn de gebruiken buiten Zweden vrijwel verdwenen. In Silezië, de Boheemse, later Pruisische streek, die in 1922 werd verdeeld in een Pruisisch, Pools en Tsjechisch deel, verstond men onder Zwölften de twaalf dagen van Sinte Lucia tot de kerst. Waar de Luciadag gevierd werd zijn de gebruiken vrijwel altijd te herleiden tot Midwintervieringen. De optochten van de Luciabruid en haar gevolg zijn te vergelijken met de midwinteromgangen. In de loop der eeuwen zijn verschillende gebruiken rond heidense feesten door Lucia overgenomen.

Patrones van: blinden, zieke kinderen, kleermakers, glazenmakers, boeren, naaisters, notarissen, conciërges, portiers, wevers, zadelmakers, messensmeden, koetsiers, schrijvers, berouwvolle prostituees.
Beschermster tegen: dysenterie, oogkwalen, keelpijn, infecties, menstruatie.
Bron toelichting: Heiligennet

Trefwoorden


Feest / viering

Verhaalsoort

Bron
"Een ster over de grens: verhalen voor Advent, Kerstmis en Driekoningen" samengesteld door Ineke Verschuren. Christofoor, Zeist, 1986. ISBN 90-6238-303-3

Herkomst: Zweden
Verteltijd: ca. 58 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook