Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 23 min.
Herkomst:

De molen Sampo

Het gebeurde in een ver land; het gebeurde in het hoge noorden, in Kalevala: Daar zit de oude wijze Vainamöinen bij zijn broeder Ilmarinen en luistert naar diens verhaal over het land Pohjola:

"Het meeste plezier, beste Vaino, hebben die Pohjolanen van de molen Sampo, die ik eens als bruidsschat voor hen heb gesmeed. Een bruid heb ik niet gekregen, maar die molen maalt en maalt maar meel voor allen..."

"Laat ons gaan en er ons meester van maken," stelde de oude Vainamöinen voor, maar de smid schudde het hoofd.

"Geen sterveling kan Sampo weghalen. Hij zit negen vadem diep in de koperberg die met zeven sloten is vergrendeld. Een van zijn wortels wordt door moeder aarde vastgehouden, de tweede is met de berg vergroeid en de derde is zelfs met het water verstrengeld."

"We gaan toch!" houdt Vainamöinen vol. "Laten we een sterk schip bouwen, zo groot dat er plaats op is voor de molen."

"Beter zou het zijn om over land te reizen," bracht Ilmarinen naar voren. "Het schip zou op een rif kunnen lopen, een storm kan het doen kapseizen, een draaikolk het verslinden..."

"Ga dan over land, als je wilt. Maar onderwijl jij je moeizaam voortsleept, ijlt het schip, voortgejaagd door de wind zijn doel tegemoet. Maar laten wij niet verder redetwisten," onderbrak Vainamöinen zichzelf. "Smeed mij een zwaard, smid, voor het nevelige Sairola, voor de duistere Pohjolanen, opdat ik Sampo tegen hen kan verdedigen."

Na deze woorden toog de smid aan het werk. De jongens bliezen het vuur aan en reeds werd ijzer, werden staal, zilver en goud gesmolten. Even later hamerde Ilmarinen op het aambeeld en toen hij zijn broer het wapen overhandigde, straalde hij van vreugde: de punt blonk als maanlicht, de snede lichtte als de zon, het gevest flonkerde als de sterren; met zo een zwaard zou men rotsen kunnen splijten.

De twee broers gingen op weg. In een bosje zagen ze een hengst met goudglanzende manen. Ze sprongen in het zadel en gaven het dier de sporen. Toen ze langs de kust reden, hoorden ze opeens een klaaglijk geschrei als van een meisje dat om haar liefste weent. Maar het was geen meisje - in de baai jammerde een op het strand liggende vurenhouten boot.

"Zeg eens, bootje, waarom ween je zo?" vroeg de oude Vainamöinen.

"Hoe zou ik vrolijk kunnen zijn? Zo vele lelijke schepen doorploegen de zee en onder mijn kiel krioelen slangen. Hoeveel gescheurde zeilen geeft de wind zijn kracht en in mijn mastkorf nestelen roofvogels!"

"En kun jij, bootje, net zo mooi zeilen als je eruit ziet?" vroeg de wijze Vainamöinen weer.

"Waarom zou ik niet? Honderd sterke roeiers zou ik kunnen dragen, ja wel duizend als ze zouden staan..."

Vainamöinen zette een magisch lied in en toverde een bemanning te voorschijn: aan het ene boord sterke mannen, aan het andere mooie meisjes en in het midden louter grijsaards.

Vainamöinen nam het roer en gaf de mannen bevel te roeien. Maar er kwam geen enkele beweging in het schip en zelfs toen de meisjes zich op de riemen wierpen en daarna ook nog de grijsaards, roerde het zich niet van zijn plaats. Pas de smid Ilmarinen gelukte het de boot vlot te krijgen en reeds gonsde het touwwerk, knarsten de pennen en kletsten de golven vrolijk tegen de boeg. Hela, dat was varen! Ze hadden echter nog niet lang gezeild of daar dook aan de noordelijke kim een kaap op waarop een aantal vervallen hutten stond. En bij de armzaligste hut liet de held Lemminkainen juist zijn boot te water.

Hij merkte het onbekende schip pas op toen het de landtong al voorbij was en riep de opvarenden toe: "Wie bent u en waar wilt u heen?"

"En wie zijt gij dat ge de kapitein en de stuurman niet kent?" antwoordden de mannen en vrouwen in de boot.

Nu ziet Lemminkainen Vainamöinen en Ilmarinen. "Hoe zou ik die niet kennen," riep hij. "Maar wat is het doel van uw reis?"

"Wij zeilen naar het noorden," antwoordde de oude Vainamöinen, "om Sampo uit de koperberg te halen."

"Neem mij dan als derde mee," riep Lemminkainen terug. "Ik zal u bewijzen dat ik het waard ben."

En toen de wijze Vainamöinen toestemde, sprong Lemminkainen in de boot en bracht een ruwe plank mee.

"Dat is voor het geval dat bodem of boorden de storm niet zouden weerstaan..." verklaarde hij.

"Daarom is een oorlogsschip met ijzer beslagen," zei Vainamöinen.

Het schip zette de reis voort. De oude stuurde en zong, Lemminkainen suste de waternimfen en Kivi Kimm, de heer der klippen, opdat het schip geen ongeluk zou overkomen, en Ilmarinen roeide.

Toch bleef het schip eensklaps steken en hoewel de smid al zijn krachten inspande, verroerde het zich niet meer van zijn plaats.

"We zitten op de rug van een reuzensnoek vast!" schreeuwt Lemminkainen. Hij trekt zijn zwaard en stoot daarmee zo krachtig in het water dat hij overboord valt. Ilmarinen kan hem nog net bij zijn haren grijpen en redt hem. Dan wil hij zelfde snoek een dodelijke stoot toebrengen, maar zijn zwaard breekt in stukken.

Eerst Vainamöinen lukt het de snoek in tweeën te houwen en met zijn zwaard aan boord te trekken.

Snel wendde hij de steven naar de kust en sneed daar de vis zorgvuldig in stukken, opdat de jonge vrouwen daaruit voor allen een ontbijt konden bereiden.

Ze aten en lieten het zich goed smaken. Opeens vielen de oude de blanke graten van de snoek op.

"Jammer om die achter te moeten laten," zei hij. "Waartoe zouden die nog kunnen dienen?"

"Tot niets," antwoordde Ilmarinen hem. "Wat kan men nu met de graten en kiezen van een snoek beginnen?"

Maar Vainamöinen kreeg de goede inval daar een kantele uit te maken, een snaarinstrument. Uit de kaak maakte hij het geraamte, de kiezen gebruikte hij als pennen en de pezen als snaren.

Maar niemand kon het instrument bespelen. Toen legde de oude de kantele op zijn knie en bracht hem met voorzichtige vingers tot leven. Heel de natuur spitste de oren en terwijl de klanken van de muziek ver het land in dreven, kwam het eekhoorntje aangesprongen en de beer uit de heide aangewaggeld, ja zelfs de adelaar Het zich uit de wolken naar beneden vallen. En dan de mannen, de vrouwen, de boselfen en de natuurgeesten... En de oude speelde een dag lang, een tweede en een derde dag en werd zo door zijn eigen spel geroerd dat hem tranen zo groot als erwten uit de ogen drupten, zijn kleren bevochtigden en als een beekje in zee vloeiden.

Eindelijk zweeg de kantele. Vainamöinen blikte om zich heen en vroeg: "Wie brengt mij mijn tranen terug?"

De raaf probeerde het maar keerde onverrichter zake weer. Toen probeerde de eend het en legde de oude glinsterende parels in de schoot, want

"Tot paarlen werden de tranen, troost en glans verspreidend."

Opnieuw gleed de kiel van het schip door het zeewater, opnieuw richtte zich de boeg naar het donkere Pohjola, naar het nevelige Sariola. En toen ze dat eindelijk bereikt hadden, trokken ze de boot hoog op hpt land en liepen snel naar Louhi's erf.

"Wat brengt u hier, helden uit Kalevala?" begroette Louhi, de heerseres van Pohjola hen.

"Men zegt dat Sampo zoveel meel maalt dat u geen kisten genoeg hebt om het te bergen. En omdat Ilmarinen de molen heeft gemaakt, zijn wij gekomen om de opbrengst met u te delen," antwoordde de wijze Vainamöinen.

"Wie zou een patrijsje delen? Waarom zou ik mijn Sampo delen?" vroeg de meesteres van Pohjola.

"Wanneer u "weigert, nemen wij de hele molen," waarschuwde de oude haar..

Maar Louhi gaf niet toe. Op een teken van haar snelden Pohjolahen in volle rusting naderbij en omsingelden dreigend het groepje Finnen.

Vainamöinen greep daarop zijn kantele en begon te spelen. De grimmige gezichten veranderden in bhj lachende en al gauw werden hun oogleden zwaarder en zwaarder. Ook Louhi sliep in. De Finnen aarzelden niet en snelden naar de koperberg. Ilmarinen verbrak de zeven sloten en schoofde zeven grendels weg, waarop de jonge Lemminkainen Sampo beetpakte om hem van zijn wortels los te scheuren.

Maar er was geen beweging in te krijgen. Eerst toen ze de sterkste os van Pohjola voor de ploeg hadden gespannen om de wortels door te snijden en alle drie de helden zo hard ze konden tegen Sampo duwden, liet hij zich lostrekken.

Ze brachten de molen snel naar het schip en direct daarop sneed de boeg weer door het water. Het schip vloog, door wind en krachtige riemslagen gedreven, als een pijl voort.

Door de snelle vaart was Lemminkainen zo gerustgesteld, dat hij voorstelde:

"Onder goede vissers is het gebruikelijk na een goede vangst niet te zwijgen, maar te zingen. Neem de kantele, Vaino en begin!"

"Nog is alles niet gewonnen," waarschuwde de oude hem. "Wij zullen naar hartenlust zingen als we in Kalevala terug zijn."

Maar Lemminkainen wilde niet luisteren. Hij begon te juichen, jubelen, schreeuwen, brommen en te blaten dat het tot in Zevenbergen te horen was en een ieder die het hoorde, vlug een hand tegen de oren hield. Een kraanvogel die in een weide uitrustte, fladderde geschrokken op en vloog rechtstreeks naar Pohjola. Daar liet hij zich neer op een plas en krijste en kraste in een mislukte poging tot zingen zo lang tot alle Pohjolanen wakker waren. Louhi sprong op om te zien wat die ongevraagde gasten uit Kalevala tijdens haar slaap hadden uitgevoerd.

Gelukkig, het vee hadden ze ongemoeid gelaten en ook de voorraadschuur was door niemand aangeraakt. Maar toen Louhi bij de koperberg kwam, begon haar bloed te koken van woede: de zeven grendels weggeschoven, de zeven deuren wagenwijd open en van Sampo geen spoor. "Hoe het schip tegen te houden? Ja, Udutar, de koningin der nevels, zal mij helpen." Louhi gaf de hoop nog niet op.

"En helpt de nevel niet, dan zal Iko-Tursas, de zoon van een waterreus, de zee tot schuim slaan, waarin geen schip kan varen."

Tenslotte wendde ze zich ook nog tot de hoogste der goden met de bede: "Zijn nevel noch schuim voldoende, dan help mij, Ukko, heer der wolken, en stuur zo een storm dat geen het er levend afbrengt!"

Udutar bedekte de zee met zo'n dichte nevel dat Vainamöinen drie dagen en drie nachten radeloos rondvoer.

Tenslotte raakte zijn geduld uitgeput. Hij sloeg met zijn zwaard op het water en zie - de nevel verdween op slag.

Vaino wilde reeds het roer steviger omklemmen, maar op dat moment kwamen er zulke bergen schuim aangerold, dat de smid Ilmarinen zijn ogen bedekte om niet zijn eigen ondergang te zien.

De oude op het achterschip keek echter scherp toe. Hij ontdekte tussen het schuim de gestalte van Iko-Tursas en eer de geest hem kon ontsnappen had hij hem bij de oren gevat. "Wat doe jij hier, Iko-Tursas? Waarom wil jij ons verzuipen?" vroeg hij.

"Ik wilde Sampo naar Pohjola terugbrengen," antwoordde Iko-Tursas na enig aarzelen.."Maar als u mij in leven laat, zal geen menselijk oog mij ooit weer zien..."

De wijze Vainamöinen geloofde hem op zijn woord en liet hem gaan. Kort daarop verdwenen de bergen schuim en het schip kon zijn reis voortzetten.

Daarop had de machtige Ukko gewacht. Hij huilde en floot en reeds blies de storm het blad van de bomen, woelde de moerassen om en het troebele water kwam als een hoge vloedgolf op het schip af.

Hij kwam met zo'n kracht aangerold, dat het eerste wat hij te pakken kreeg mee de diepte in werd gesleurd: de kantele.

Vainamöinen treurde niet lang over dit verlies. In plaats daarvan bezwoer hij de storm met een magisch lied en Lemmink'ainen herstelde het schip met het hout van de plank die hij had meegebracht...

Terwijl de Finnen de storm trotseerden, maakte Louhi zich voor de strijd gereed. Ze riep al haar krijgers bijeen, gaf hun bogen, pijlen en zwaarden, zette de mast op het oorlogsschip overeind, hees de zeilen en voer vol strijdlust de vluchtelingen achterna.

Vainamöinen voelde het naderende gevaar en riep daarom Lemmin-kainen toe: "Klim in de mast en kijk goed uit..."

"Voor ons is de zee schoon," meldde de uitkijk vanuit het kraaiennest. "En achter ons hangt een wolkje - nee, geen wolk, het is een eiland

met berken en espen. Daarboven zie ik roofvogels - waarschijnlijk valken..." - "Kijk nog eens goed!" schreeuwde Vainamöinen. "Is het geen schip met zeilen en krijgers?" - "Ja... je hebt gelijk! Ja, nu zie ik duidelijk honderd mannen die zich op de riemen werpen! Het schip loopt steeds meer op ons in!" - "Houden jullie je vast!" beval de wijze oude aan het roer en het schip schoot vooruit, zodat de golven hoog opschuimden. Toch naderde het schip van Louhi snel. Vaino overlegt met zichzelf hoe hij de vijand kan tegenhouden en grijpt naar zijn vuurslag. Hij werpt de vuursteen achter zich in het water en fluistert: "Wees een verborgen rif; moge het schip van Louhi op je te pletter lopen." Nauwelijks had hij deze woorden gesproken of onder de waterspiegel groeide uit de vuursteen een groot breed rif omhoog en het achtervolgende schip liep er prompt bovenop. De boeg spatte uit elkaar. Maar Louhi werd door wraakzucht beheerst. Ze haalde sikkels uit de buik van het schip te voorschijn en bond deze als afschrikwekkende klauwen aan haar vingers. Van de boorden van het schip maakte ze twee vleugels en het roer diende haar als staart. Als een reusachtige adelaar verheft ze zich in de lucht met honderd krijgers op haar vleugels en duizend boogschutters op haar romp en schiet zo op Vainamöinen af. Ze laat zich neer op de mast van diens schip en grijpt naar Sampo. Het schip slingert gevaarlijk heen en weer. De vrolijke Lemminkainen staat het dichtst bij Louhi. Hij trekt zijn zwaard en slaat uit alle macht op haar klauwen. "Ach, jij verrader!" schreeuwt de verschrikkelijke vrouw. "Je eigen moeder bedriegen! Je hebt beloofd zestig jaar lang niet in de strijd te zullen zegevieren, niet voor goud, noch voor zilver!"

Nu moet Vainamöinen ingrijpen. Hij rukt het roer uit zijn pennen en slaat daarmee de oude de sikkels met vingers en al af. Alleen de kleine vinger blijft over. De boogschutters en krijgers tuimelen in zee en Louhi valt uit de mast. Ze vindt geen houvast, grijpt vertwijfeld de molen en sleurt hem mee overboord...

Vainamöinen zag de molen naar de bodem zinken en in stukken breken en hij beseft dat daar beneden nu voor eeuwig de grootste schat van de wereld ligt en dat niemand hem ooit weer bezitten zal.

Hij kijkt naar de schuimende golven en wat ziet hij? Kleine stukjes van Sampo die niet zijn gezonken en door de wind en de branding naar de dichtbij gelegen kust van Kalevala gedreven worden. En nauwelijks ligt het schip aan de kant of Vainamöinen loopt langs het strand om de stukjes met veel geduld bijeen te zoeken om hiermee het Finse land voorspoed en geluk te brengen.

Louhi daarentegen is met lege handen naar Pohjola in Lapland teruggekeerd. Slechts het stukje van de molen dat aan haar kleine vinger is blijven haken, bracht ze mee terug. En daarom heerst er sinds die tijd in Pohjola zoveel honger en nood.

Vergeefs dreigt Louhi de oogst der Finnen door vorst en hagel te vernielen, zon en maan met het hele firmament naar een donker hol te ontvoeren, pest en andere vreselijke ziekten te sturen en een verschrikkelijke beer die hun vee zal verscheuren. De wijze Vainamöinen weet zeer wel dat de machtige Ukko, de heer der wolken, de uitvoering van die dreigementen niet zal toestaan.


*   *   *

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Van gouden tijden zingen de harpen: Europese sagen en legenden" door Vladimír Hulpach, Emanuel Frynta en Václav Cibula. Met illustraties van Miloslav Troup. Nederlandse vertaling door Han de Boer. Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1970.

Herkomst: Finland
Verteltijd: ca. 23 min.
Leeftijd: vanaf 12 jaar

Lees ook