Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 22 min.
Herkomst:




De ontevreden Etain Een Keltische mythe over een goddelijke vrouw

De ontevreden EtainEtain, Angus, Fuamach en Midyir leefden in de wereld der goden. Etain zei tegen Angus: "Alles wat ik hier zie verveelt me en staat me tegen. Laat me toch met jou meegaan naar een andere wereld." Angus antwoordde echter: "Als ik naar andere werelden ga, dan trek ik daar van plaats naar plaats en niemand weet dat ik een god ben. Zo denken ze op de Aarde dat ik een rondreizende goochelaar of zanger of een bedelaar ben. Als je met me meeging, zou je slechts een arme zwerversvrouw of een bedelares lijken."

Daarop antwoordde Etain: "Dan ga ik naar Midyir en ik zal hem vragen een eigen wereld voor mij te scheppen, want ik heb schoon genoeg van alle bestaande werelden."

Dus ging ze naar Midyir. En onderweg zag ze onder zich de wereld van de heldere schaduw, Ildathach genaamd, en de wereld van de donkere schaduw, Aarde genaamd. Midyir keek omlaag naar de Aarde en zodra hij ernaar keek, breidde het licht zich uit over het oppervlak. Etain werd echter boos, omdat Midyir zich bezighield met het licht op de Aarde. Ze keerde zich af en riep: "Ik wou dat de werelden in elkaar stortten, want ik heb schoon genoeg van ze."

Daarop zei Fuamach: "Je hebt het ontevreden hart van een vlieg. Neem de gedaante aan van een vlieg en zwerf rond totdat je gevoelens veranderen."

Zo werd Etain een klein, goudkleurig vliegje. Ze was echter bang om de wereld der goden te verlaten. Ze vloog naar Midyir en zoemde om hem heen, maar Midyir was nog altijd bezig met het licht op de Aarde en veegde haar achteloos van zijn hand. Daarop vloog ze naar Angus, die op zijn harp speelde. Ze zoemde om hem heen totdat hij zei: "Je bevalt me wel, jij goudkleurig vliegje, en omdat ik je zo mooi vind, wil ik je iets geven. Zeg maar wat je wilt."

Daarop kon Etain spreken en ze zei: "O Angus, ik ben het, Etain. Fuamach heeft me in een vlieg veranderd, geef jij me mijn eigen gedaante weer terug."

Angus keek haar treurig aan en zei: "Alleen in Ildathach kan ik gedaantes veranderen. Ga met me mee naar dat land, dan zal ik daar een paleis voor je bouwen uit de kleuren van de regenboog. Zolang je je daarin bevindt, zul je de gedaante van Etain hebben." - "Dan zal ik met je meegaan," antwoordde Etain, "en in Ildathach wonen."

Zo ging ze mee met Angus en hij bracht haar naar een schitterend paleis, dat alle kleuren van de regenboog had. Het paleis had vier ramen. Als Etain uit het raam op het westen keek, dan zag ze een groot bos van dennen en bomen met gouden appels. Als ze uit het raam op het noorden keek, dan zag ze een hoge berg in de vorm van een speer. Als ze uit het raam op het zuiden keek, dan zag ze een groot aantal glanzende meren. Het raam op het oosten mocht ze echter nooit openmaken.

Lange tijd leefde ze gelukkig in het regenboogpaleis. Op een dag kwamen echter toch de oude ontevredenheid en de oude onrust weer over haar en ze zei: "Ik wou dat de muren van dit paleis in elkaar stortten, want ik heb er schoon genoeg van."

Ze liep naar het raam op het oosten en gooide het open. Buiten zag ze de zee, die hoog werd opgezweept door een heftige storm. Een machtige windvlaag greep Etain en wervelde haar het paleis uit. Daarop veranderde ze weer in het kleine, goudgele vliegje. Lange tijd zwierf ze rond in de wereld van de heldere schaduw, Ildathach genaamd, tot ze de wereld van de donkere schaduw, de Aarde, bereikte. Ook daar zwierf ze lange tijd rond in de brandende zon en in de stromende regen, totdat ze bij het kasteel van een koning kwam. De koning en de koningin stonden op het balkon en de koning reikte de koningin juist een beker vol honingwijn. Etain streek neer op de rand van de beker, maar de koningin merkte haar niet op en slikte haar met honingwijn en al in.

Enige tijd later schonk de koningin het leven aan een buitengewoon mooi kind, dat ze Etain noemde. Iedereen in het paleis was dol op het kind en probeerde haar gelukkig te maken. Nooit verscheen er echter ook maar een glimlach op haar gezichtje. Toen het meisje ouder en steeds mooier werd, sloofde iedereen zich nog meer uit om haar gelukkig te maken, maar nooit was ze tevreden. Toen werd de koningin treurig en ze begon te vermoeden dat haar dochter tot de onsterfelijken behoorde, die te veel vreugde en te veel verdriet meebrengen voor de draagkracht van een mens.

Op een dag zongen de zangers van de koningin een lied. Toen zei Etain: "Jullie gezang is niet om aan te horen." Daarop zong ze haar eigen lied, dat ze zich nog herinnerde uit de wereld der goden. De koningin keek haar opmerkzaam in haar ogen en toen begreep ze dat haar kind werkelijk tot de onsterfelijken behoorde. Ze schrok zo dat ze stierf. De koning werd bang voor Etain en zei tegen haar: "Jij brengt iedereen alleen maar ongeluk." Hij verbande haar naar een hutje in het bos, waar alleen maar herders kwamen om haar voedsel te brengen.

Etain werd met de dag mooier. Op een ochtend reed de koning van Ierland voorbij. Zijn naam was Eochy en hij was jong en knap en sterk. Toen hij Etain zag, riep hij spontaan uit: "Geen vrouw op de wereld is mooier dan zij." Hij steeg van zijn paard en liep naar Etain, die voor het hutje haar haar kamde, dat glansde als het fijnste goud.

"Hoe heet je?" vroeg de koning. "Ik heet Etain," antwoordde ze. "Ga met me mee, Etain, en word mijn vrouw, dan zul je de machtigste koningin van Ierland zijn." Daarop keek Etain Eochy aan en het leek haar, alsof haar hart het zijne altijd had gekend. Ze zei: "Op jou heb ik hier gewacht en op niemand anders. Neem me mee naar je huis, Eochy."

Eochy nam haar mee en maakte haar tot zijn koningin. Hij bouwde een schitterend paleis voor haar en het hele land was verrukt over de schoonheid van de koningin. De koning was gelukkig, maar in het hart van Etain lag altijd ontevredenheid en klonk altijd een lied dat de blije klanken van alle andere liederen deed verstommen. Uit heel Ierland kwamen harpspelers naar het paleis van Eochy, maar op het gezicht van Etain lag alleen treurigheid te lezen en de soldaten van de koning werden als eenzame vogels, zodra ze de koningin in de ogen hadden gekeken.

Op een dag stond Etain voor het paleis in de zon. Binnen strooide de nar van de koning bloemknoppen op de vloer. De nar was een dwaas en hij was altijd in het paleis, want zijn slimheid had hem verlaten en hij bezat de mysterieuze wijsheid van de goden. Etain hoorde hem zingen:
"Ik bezat een zwarte en een witte hond
Na een dag en een nacht is het etmaal rond.

Een grote, hoge golf rolde door de zee
Maar mijn honden gingen met me mee.

De witte was met een kroontje getooid
Maar wie het niet gelooft, die zag hem nooit.

De zwarte poten hadden een razendsnelle draf
Ik hield van hem en kende zijn geblaf.

De zon en de maan verstarden van schrik
Als wij voorbijraasden, mijn honden en ik."
Etain keerde zich om op de drempel en zei: "Zing toch verder, nar. Ik wou dat ik zo onbezorgd kon zijn als jij."

"Hoe zou u onbezorgd kunnen zijn, koningin," antwoordde de nar, "als u de bloemen geen kans wilt geven om te bloeien. Als u tot de onsterfelijken behoorde, zou u de wereld verbranden om uw handen te kunnen warmen."

Etains gezicht werd rood van schaamte. Ze raapte een klein bloemknopje van de vloer op. "Ik dacht dat de onsterfelijken de bloemen juist konden laten bloeien," zei ze, "maar alle bloemen die ik afpluk, verwelken in mijn hand. Ik zal geen bloemen meer afplukken, nar."

Terwijl ze nog aan het woord was, klonk buiten een luid lawaai en Etain vroeg haar dienaressen wat er aan de hand was. "Er wordt een bedelaar, een goochelaar weggejaagd, koningin." - "Laat hem blijven," zei Etain,"ik wil zijn toverkunsten wel eens zien." - "Maar koningin," zeiden de dienaressen, "het is maar een armzalige hongerlijder. Hoe kan hij u aan het lachen maken als Incar, de kunstenmaker van de koning, dat al niet kan?" - "Laat hem blijven," zei Etain. "Hij zal me aan het lachen maken - en vanavond zal ook Incar me aan het lachen kunnen maken."

Ze liep naar buiten en beval de bedelaar zijn kunsten te vertonen. De man was onhandig en zijn goocheltrucs stelden niet veel voor, maar de koningin gaf hem een ring van haar vinger en de bloemknop uit haar hand en zei: "Blijf hier, vanavond zal de goochelaar van de koning je goede trucs leren."

De bedelaar glimlachte. Hij stopte de ring in zijn zak, maar de knop hield hij in zijn hand. En kijk, in zijn hand bloeide de knop open tot een roos. Hij plukte de bloemblaadjes af en gooide ze in de lucht, waar ze veranderden in prachtige witte vogels. Toen de vogels begonnen te zingen, vergat ieder die ze hoorde de hemel boven zich en de aarde onder zich van puur geluk.

Alleen Etain sloeg haar handen voor haar ogen, totdat de tranen door haar vingers druppelden. Tenslotte vlogen de vogels zingend weg. Toen de toeschouwers omkeken naar de bedelaar, bleek deze te zijn verdwenen. "O Angus! Angus! Kom terug!" Maar niemand zag de bedelaar terug.

Die avond werd een groot feest gevierd in het paleis van de koning. Incar vertoonde de ene kunst na de andere en het volk juichte, want de koningin lachte voor de eerste keer. Plotseling verscheen er een grote, donkere man in vreemde kleding in de grote zaal. Hij maakte een buiging voor de koning en de koningin en nodigde de koning uit voor een spelletje schaak. De koning stond op om zelf een schaakbord te halen, maar terwijl hij weg was, pakte de vreemdeling een schaakbord uit zijn jas. Dit bestond uit vakken van donkere en lichte metalen, zoals op Aarde niet bekend waren. Vervolgens zette hij schaakfiguren van goud en edelstenen op het bord. "Ik wil dit bord ruilen voor dat van u," zei hij tegen de koningin. "Nee," antwoordde Etain, "het bord dat Eochy voor me heeft gemaakt, wil ik niet missen."

"Ik wil ook iets voor u maken," zei de vreemdeling. "Ik wil werelden voor u bouwen." Etain keek hem in zijn ogen en ze herinnerde zich de wereld van de goden, van Midyir, van Angus en van Fuamach. Ze herinnerde zich ook de tijd waarin ze een klein, goudkleurig vliegje was.

"O Midyir," zei ze, "in al die werelden zou ik niets anders zijn dan een klein vliegje. Ik heb lang rondgezworven, maar pas vandaag heb ik de wijsheid geleerd van een nar en Eochy heeft mij zijn rijk geschonken."Terwijl ze nog aan het woord was, kwam Eochy terug met het schaakbord. "Het eerste spel op mijn bord," zei Midyir, "het laatste op het uwe."

"Goed," zei Eochy, "en waar spelen we om?"

"Dat zullen we de winnaar laten beslissen," antwoordde Midyir. Zo speelden ze het eerste spel en Eochy won."Wat is uw prijs?" vroeg Midyir en Eochy riep: "Vijftig paarden uit het godenrijk."

"Dat is goed," zei Midyir en daarna speelden ze het tweede spel. Weer won Eochy. "Wat is uw prijs?" vroeg Midyir en Eochy riep: "Laat de droge zandheuvels van Ierland weelderig begroeid raken en laat dat altijd zo blijven."

"Dat zal gebeuren," zei Midyir en daarna speelden ze het derde spel - en deze keer won Midyir. "Wat is uw prijs?" vroeg Eochy. Midyir keek hem ernstig aan en zei: "Ik vraag om koningin Etain."

"O nee, nooit geef ik Etain weg!" riep Eochy.

"Ga naar buiten, daar staan de paarden uit het godenrijk voor de deur te trappelen. Kijk uit het raam en u zult zien dat de droge zandheuvels van Ierland met weelderig groen zijn begroeid, koning. Wilt u, dat men u een woordbreker noemt?" zei Midyir.

Daarop wendde hij zich tot Etain: "Ga met mij mee terug naar je eigen wereld."

Etain antwoordde: "Ach Midyir, geen enkele wereld was mijn eigen wereld, want ik heb nooit zelf een rijk opgebouwd. Eochy heeft me echter een rijk geschonken en het hele volk heeft me geschenken gebracht. Laat me nog een jaar lang bij hen blijven om hen gelukkig te maken." Midyir boog en zei: "Ik zal aan het eind van het jaar terugkomen." Daarop verliet hij de grote zaal, maar niemand zag hem vertrekken.

Het daaropvolgende jaar was een kroonjaar, zoals Ierland nooit eerder had gekend en zoals er later ook nooit meer een is geweest. Het werd gekenmerkt door rijkdom, overwinningen en onvergetelijke liederen. Etain maakte Eochy gelukkig, zoals alleen een onsterfelijke dat kan. Een jaar later, op dezelfde tijd, werd weer een groot feest gevierd, waarop alle koningen van Ierland en alle barden en alle druïden aanwezig waren en allen waren vervuld van vreugde.

Plotseling werd de grote zaal vervuld van een licht, dat de vele fakkels en kaarsen flets deed lijken. Daar stond Midyir, de roodharige, in de grote zaal. Alle koningen, barden en druïden stonden op van hun zitplaatsen en bogen, want deze keer herkenden zij allen Midyir, de roodharige. Zijn blik ging echter naar Etain, die op een troon van gesmeed zilver naast de koning zat. Hij haalde een lier uit zijn jas tevoorschijn en speelde erop en zong een lied voor haar. Hij zong over de werelden van de goden boven de wolken, waar ze vandaan kwam, en hij zong dat haar tijd op de Aarde voorbij was. Daarna strekte hij zijn hand naar Etain uit en zei: "Ga met me mee, Etain." Etain wendde zich tot Eochy, kuste hem en zei: "Eochy, in dit ene jaar heb ik het geluk van een heel leven lang gekend en vanavond heb jij de muziek uit de werelden van de goden gehoord, waarvan de echo voor eeuwig in de harpsnaren van de zangers van Ierland te vinden zal zijn. Jouw naam zal echter niet worden vergeten zo lang de wind waait en het water stroomt, want Etain, die door Midyir en Angus wordt bemind - bemint jou."

Daarop legde ze haar hand in die van Midyir en samen stegen ze omhoog, zoals vlammen opstijgen. En hoog boven de wolken en boven de sterren wachtten Angus en Fuamach op haar in de wereld der goden. En ze trokken weer gezamenlijk rond, zoals ze dat hadden gedaan vanaf het begin der tijden.


*   *   *

De ontevreden Etain Samenvatting
Een Keltische mythe over een goddelijke vrouw. De Keltische godin Etain is niet snel tevreden. Door Fuamach wordt ze in een klein vliegje veranderd. Wanneer ze in haar omzwervingen op aarde komt wordt ze ingeslikt door een koningin, die al snel een dochter baart. Etain leeft als vrouw op aarde, trouwt de koning van Ierland, maar blijft ontevreden en onrustig. Uiteindelijk gaat ze weer terug naar de godenwereld. Lees het verhaal

Toelichting
Oorspronkelijk verschenen in "Celtic Mythology" door Ella Young, Dublin, 1918.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"De vrouw die haar man ging redden. Sprookjes over vrouwenlist en vrouwenliefde" verzameld door Sigrid Früh. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1997. ISBN: 90-389-0644-7

Herkomst: Ierland
Verteltijd: ca. 22 min.
Leeftijd: vanaf 12 jaar

Lees ook