Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 18 min.
Herkomst:




De reus en de dwerg Een sprookje uit Bretagne over een zeer rijke graaf

De reus en de dwergIn heel oude tijden leefde er in Bretagne eens een graaf die zo rijk was dat hij geen raad wist met zijn geld. En toch gaf hij er nooit iets van aan de armen! En al rijker en rijker werd hij, die gierige graaf, en hij kocht aldoor meer land. Eindelijk bezat hij zo'n groot gebied, dat hij niet altijd precies kon opletten of er ook stropers in zijn bossen kwamen en dieven, die zijn veldvruchten stalen. Toen dacht hij bij zichzelf: "Ik zal een hoge muur laten bouwen rondom al mijn bezittingen en als die klaar is, laat ik daar allemaal ijzeren punten op zetten. Dan kan er geen dief of stroper overheen klimmen."

Goed, op een dag begonnen honderd van zijn lijfeigenen te bouwen aan de muur, die van grote rotsblokken werd opgetrokken. En zie, op de avond van de eerste dag was er al een flink stuk gereed. De graaf wreef zich in de handen en zette meteen maar zijn smeden aan het werk om een massa scherpe ijzeren punten te maken.

Maar... wat vond hij de volgende morgen, toen hij heel in de vroegte eens naar zijn muur kwam kijken? Alles was vernield! De muur lag omver en alle rotsblokken, waarvan die was opgebouwd, waren aan gruzelementen geslagen! De graaf was woedend! Hij schold de ongelukkige arbeiders, die even verschrikt waren als hij en geen schuld hadden aan het ongeluk, uit voor alles wat lelijk was en beval hen, dadelijk het gruis op te gaan ruimen en opnieuw te beginnen, de muur op te bouwen. Ondertussen liet hij honderd krijgslieden komen en zette die 's avonds, onder aanvoering van een van zijn ridders, op wacht bij de muur. Hij wreef zich in de handen - nu zou het wel goed gaan!

Maar ach! Toen hij de volgende morgen heel in de vroegte weer eens kwam kijken naar het stuk muur dat zijn lijfeigenen de vorige dag opnieuw hadden opgebouwd, vond hij niet alleen alles weer in gruis, maar ook de dappere ridder en zijn honderd krijgslieden verslagen. Nu was de graaf helemaal buiten zichzelf van woede! Hij liep de gehele dag te razen en te tieren en wee degene die hem in de weg kwam! Wat nu te doen? Er nog eens weer een troep van zijn krijgslieden aan wagen? Nee, dat ging niet en het zou misschien toch niet helpen; want hier waren natuurlijk toverkrachten aan het werk!

Toen zond hij boden door het hele land, die met trompetgeschal en tromgeroffel bekend maakten, dat degene die zou maken dat de muur rondom het gebied van de graaf zonder verdere hindernissen werd opgebouwd, een grote beloning zou krijgen. Maar ach, er kwam geen mens, die dit waagstuk durfde ondernemen en de graaf keek al somberder en somberder. Wie had er ooit van gehoord dat een graaf, zo rijk als hij, niet eens een muur rondom zijn land gebouwd kon krijgen, zonder dat die elke nacht weer werd neergeslagen?

Eens op een morgen liep hij met grote stappen door zijn tuin, verdiept in sombere gedachten. Hij had geen oog voor de bloeiende bloemen en geen oor voor de zingende vogels rondom hem. Daar hoort hij opeens een heel fijn stemmetje zijn naam roepen. Hij keek rond, maar zag niets. Daar klonk het stemmetje opnieuw en zie, daar kwam een snoezig klein dwergje te voorschijn tussen twee stokrozen! Het groette hem met een diepe buiging.

"Heb jij mij geroepen, kleine worm?" bromde de graaf.

"Ja graaf," antwoordde het dwergje. "Ik heet Jannik en als je mij een grote beloning geeft, ben ik bereid te zorgen dat de muur rondom je hele gebied zonder stoornissen zal worden opgebouwd."

De graaf stampte op de grond van kwaadheid. "Zeg, kom jij me soms voor de gek houden, klein gedrocht?" bulderde hij. "Wat zou jij beginnen tegen de sterke machten, waartegen zelfs mijn dappere krijgslieden niet zijn opgewassen? Maak dat je weg komt, of ik vertrap je met mijn voet!"

Vlug dook Jannik weer weg tussen de stokrozen. Nu kon de graaf hem niet meer zien, maar zijn stemmetje riep, onvervaard: "Zeg graaf, wat geef je me, als ik zorg dat je muur geheel wordt opgebouwd?" Nu barstte de graaf uit in een boze lach en hij schreeuwde: "Als jij zorgt dat er geen verdere hindernissen komen bij het bouwen van mijn muur, kleine ukkepuk, dan kan je mijn gehele gebied cadeau krijgen, ha ha ha!"

"Meen je dat, graaf?" riep het fijne stemmetje weer.

"Ja, ha ha ha! Dat meen ik, kleine alikruik! Ha ha ha!"

"Goed," riep Jannik, "dat is afgesproken, graaf! Ik houd je aan je woord!"

De graaf dacht niet verder na over dit gesprek, maar ging eens kijken hoever de werklui waren gekomen met de muur, waaraan ze die dag weer voor het eerst waren begonnen. Er stond alweer een heel stuk en de graaf dacht bij zich zelf: "Ach, mocht dit nu deze keer eens blijven staan!" En heus, toen hij er de volgende morgen heel vroeg naar kwam kijken, stond het er nog! En daar had je ook het dwergje al, dat hem toeriep: "Nu, graaf, wat zeg je er van? Heeft de kleine alikruik zich goed gehouden, of niet? Geef me nu maar je gehele gebied, zoals je beloofd hebt!"

De graaf werd woedend nu Jannik hem aan zijn dwaze belofte herinnerde, maar hij begon een beetje bang te worden voor dat vreemde kleine ventje, dat zo'n grote macht scheen te bezitten. Hij durfde hem dus niet meer uit te schelden, maar zei bedaard, dat hij niet eerder zijn belofte zou houden, dan wanneer de gehele muur klaar zou zijn. "Goed," zei Jannik, "maar dan houd ik je aan je woord, graaf! Ik ben klein, maar wee degene, die me voor de gek houdt!" Meteen was hij verdwenen.

De graaf was niets op zijn gemak! "Die dwerg moet wel een tovenaar zijn!" dacht hij. "O wee, o wee, hoe zal ik van hem afkomen?" Maar hij had het mis! Jannik was geen tovenaar, maar wel heel, heel slim!

Ik zal je vertellen, wat er die nacht gebeurd was. Toen het donker begon te worden, had hij zich vlak bij de muur tussen de struiken verborgen. Het duurde lang, voordat hij iets hoorde. Het sloeg negen uur - het sloeg tien uur - elf uur - twaalf uur - en nog altijd vertoonde zich niemand. Maar Jannik zorgde wel dat hij de ogen goed open hield, al was hij ook nog zo slaperig. En zie, even nadat de klok één had geslagen, kwam daar opeens een vreselijke reus aanstappen en die droeg in zijn rechterhand een zware ijzeren knots. "Daar heb je de schuldige," zei Jannik bij zichzelf. En, terwijl nu de reus zijn knots ophief om de muur opnieuw kapot te slaan, kwam opeens het dwergje te voorschijn en riep: "Reus! Reus! Zeg eens, reus, wat ga je doen?"

"Wel," antwoordde de reus, "dat zie je! Ik ga dat stuk muur vernielen."

"Zo?" zei Jannik bedaard. "Nu, dan vind ik dat jij een domme reus bent!"

"Ik dom? Dat hebben ze me nog nooit gezegd, en nu moet ik dat horen van een schepsel, niet groter dan mijn kleine pink! Maar zeg me dan tenminste, ukkepuk, waarom je me zo dom vindt!"

"Dat zal ik je eens gauw uitleggen," antwoordde Jannik, "als ik jou was en ik wou volstrekt die muur kapot maken, dan zou ik tenminste liever wachten tot hij helemaal klaar was; want dan zou ik dat werkje in één nacht kunnen opknappen, zie je?"

"Hé ja," zei de reus verbaasd, "daar kon je wel eens gelijk aan hebben, kleine man! Ik geloof heus, dat ik je raad zal volgen. Dank je wel!" En meteen maakte hij rechtsomkeert en ging terug naar het gebergte, waar hij zijn hol had.

Toen kon de graaf rustig zijn muur verder laten bouwen. Elke morgen heel vroeg, als hij naar het werk kwam kijken, was alles in de beste orde en na een poos was de muur kant en klaar.

Toen kwam Jannik weer te voorschijn. Hij vroeg of de graaf nu zijn belofte wou vervullen, want anders zou hij wel zorgen, dat de gehele grote muur in één nacht weer zou verdwijnen! Wat moest de Graaf nu doen? Het was moeilijk, want hij had niet veel zin om zijn gehele bezitting aan die dwerg af te staan. Wacht, daar vond hij een middel om tenminste nog een beetje uitstel te krijgen! Hij zei tegen Jannik, dat de muur nog niet helemaal klaar was, want dat er nog een toren op de ene hoek moest worden gebouwd. "Zo," zei Jannik, "dan zal ik tot zo lang nog wachten, maar je moet me nu dadelijk zweren, dat je dan je belofte zult houden."

Diezelfde nacht kwam de reus weer aanstappen, gewapend met zijn knots om de muur nu eens voorgoed te vernielen. Maar Jannik zat hem op te wachten met een vaatje krachtige wijn en die wijn smaakte de reus zo lekker, dat hij er net zolang van bleef drinken, tot het hele vaatje leeg was en hijzelf bijna niet meer op zijn benen kon staan. Toen haalde Jannik hem over om maar weer naar zijn hol terug te gaan en - sjok, sjok, sjok, daar slingerde hij heen! Hoe hij zijn weg vond, begreep Jannik niet - want hij had zoveel gedronken, dat hij niet meer wist, wat hij deed! Maar voor deze keer was het gevaar weer afgewend. De muur bleef staan en de lijfeigenen van de graaf begonnen op de ene hoek een toren te bouwen.

Ondertussen had Jannik moeite genoeg om de reus te beletten, de muur toch nog kapot te maken! De volgende dag ging hij hem opzoeken in zijn hol. De reus had lang geslapen en hij was wat uit zijn humeur, omdat zijn hoofd nog zo zwaar was van al de wijn, die hij gedronken had. "Zo, ukkepuk," zei hij, "ben jij daar? Goed, dan moet jij vanmiddag eens bij me komen eten. Maar één ding zeg ik je: als je niet alles opeet wat ik je voorzet, dan eet ik jou op!"

"Best," zei Jannik, "dat is afgesproken."

Toen stal de reus vlug twee hele ossen van een boer en begon die te braden boven een houtvuur, en toen ze helemaal bruin zagen en het vet er afdroop, legde hij den ene voor Jannik neer en nam zelf de andere. Hij keek zijn gast eens aan, wat die daar wel van zei, maar de dwerg vertrok geen spier van zijn gezicht. Hij had dit wel verwacht en daarom had hij een ruime kiel aangetrokken. Daar was van boven een opening in en zonder dat de reus het merkte liet hij daarin telkens een stuk vlees neerzakken.

Eindelijk waren de beide ossen verdwenen en toen gooide de reus een lederen bal in de hoogte en zei: "Kan je mij dit nadoen, ukkepuk?"

"Ja zeker," antwoordde Jannik, "ik kan hem zo hoog gooien, dat hij nooit meer terugkomt!"

De reus, die heel dom was, dacht nu bij zichzelf: "Ik zal het hem maar liever niet laten proberen, want dan zou ik immers mijn kostbaren bal voor goed kwijt raken! Nee hoor, dat nooit!"

Toen stelde hij voor dat ze om het hardst zouden lopen en dat vond Jannik goed. "Maar," zei hij, "dan moet ik me eerst even wat lichter maken. Ik heb zo'n massa gegeten!" En hij sneed zijn kiel van voren helemaal open, zodat al de stukken vlees, die hij er in had gestopt, er uit vielen! "Ziezo," zei hij tegen de reus, "kom nu maar op! Nu ben ik je man!"

"Maar... maar," zei de domme reus, "wat... wat heb je daar toch gedaan?"

"Wel ik heb mijn buik even opengesneden, omdat ik teveel gegeten had! Dat doe ik altijd en dan voel ik me dadelijk weer heel lekker!"

"Dat wil ik ook eens proberen!" riep de reus, maar hij had zijn vlees niet geborgen in een wijde kiel, en toen hij zich nu opensneed, viel hij meteen dood neer.

Dat was een grote verlichting voor het hele land, want die reus ontstal de boeren al hun vee; en nu zou hij ook nooit weer de muur van de graaf kunnen vernielen! Maar toen de toren eenmaal klaar was, moest de rijke man zijn belofte wel houden en aan de kleine slimme dwerg zijn gehele bezitting afstaan.


*   *   *

De reus en de dwerg Samenvatting
Een sprookje uit Bretagne over een zeer rijke graaf. Een rijke graaf wil een muur rondom zijn gebied laten bouwen, maar elke ochtend ligt de muur in puin. Een kleine dwerg biedt de graaf hulp. Hij weet namelijk dat een reus elke nacht de muur met een knots kapot slaat. De dwerg overwint uiteindelijk de reus en krijgt het hele rijk van de graaf. Lees het verhaal

Toelichting
Vergelijk voor het niet kunnen bouwen van de muur met De grote klok van Peking en De toren van Medemblik.

Een ander sprookje over een reus, die door een klein mannetje voor de gek wordt gehouden: Het dappere snijdertje.

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Oud-Fransche sagen, volksoverleveringen en sprookjes" bijeengebracht door S. Troelstra-Bokma de Boer. W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1930, p. 340-352.

Herkomst: Frankrijk
Verteltijd: ca. 18 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook