Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 46 min.
Herkomst:

De rijke Atametoi

Er was eens een jonge koopman, die Atametoi heette. "Rijke Atametoi" werd hij genoemd. De mensen vertelden van hem dat hij zelfs de zon en de maan kon kopen als hij dat wilde. Dat was natuurlijk onzin want die zijn niet te koop. Maar in Turkestan waar hij woonde, dachten de mensen in die tijd dat de zon van goud en de maan van zilver was. De koopman wist zelf niet hoe groot zijn rijkdommen wel waren. Hij was eens begonnen zijn schatten te tellen. Maar toen hij zeven dagen lang bezig was geweest, lag er nog zoveel dat hij het opgaf.

Veel mensen, die schatten bezitten, proberen er nog meer bij te krijgen. Zo was Atametoi gelukkig niet. Hij had een medelijdend hart. Hij kon niet zien, dat iemand gebrek leed. Wie bij hem kwam, kon er op rekenen, dat hij uit de nood geholpen werd.

Zijn huis, het grootste van de stad, lag op een heuvel. Het had veertig poorten en naar iedere poort voerde een weg. 's Morgens, na het ochtendgebed, gingen alle deuren open en dan stonden er negenendertig dienaren, ieder met een zak vol geld. Dan stroomden langs alle wegen de bedelaars toe. En iedereen die kwam, kreeg een beker tot de rand toe gevuld met goudstukken. Op een goede dag was er onder de bedelaars ook een oude man met een lange grijze baard. Aan zijn vreemde kleding was te zien, dat hij uit een ver land kwam. Hij ging naar de poort, waar Atametoi zelf zat en kreeg van hem een grote beker met goudstukken. De grijsaard riep de zegen van Allah af over het hoofd van zijn weldoener en over diens familie. Toen stopte hij het geschenk in een plooi van zijn kleed en liep de heuvel af. Zonder iemand te groeten ging hij de stad uit.

De volgende dag stond de grijsaard weer in de rij voor de poort, waar Atametoi uitdeling hield. Deze herkende hem dadelijk. "Hoe heb ik het nu!" iep de koopman uit. "Ik heb jou gisteren toch al een aalmoes gegeven! Je moest je schamen opnieuw te komen. Als je niet zo'n oude man was, liet ik je met stokslagen van de heuvel afjagen. Wat je gisteren gekregen hebt, is meer dan voldoende om er tot je dood toe zonder zorg van te leven."

De bedelaar keek de goede Atametoi lang aan. Toen zei hij: "Ja, ik schaam me werkelijk, dat ik bij iemand die het zo slecht missen kan, voor de tweede maal een aalmoes heb gevraagd. Ik had moeten bedenken, dat u niet de rijkste en evenmin de vrijgevigste mens op de wereld bent."

"Wat?" riep Atametoi verbaasd uit. "Iedereen op de hele wereld weet toch zeker hoe rijk ik ben en hoeveel ik weggeef!"

"Dat is best mogelijk. Maar ik merk dat u niet eens weet dat er mensen zijn, die nog veel rijker zijn dan u en die nog veel meer weggeven ook."

"Vertel jij me dan maar eens wie dat zijn."

"Als u dat met alle geweld wilt weten, best. Luistert u dan maar. Heel ver van hier, in de richting waar de zon 's middags staat, ligt een grote stad. Daar heeft een koning gewoond, die om zijn goedheid door Allah gezegend werd met grote rijkdommen. Maar hij leefde niet lang, hij werd ziek en stierf. Zijn oudste dochter, prinses Tehmina, volgde hem op. Deze prinses is niet alleen verstandig en schoon, ze is nog goedhartige dan haar vader. Zij heeft in de stad een paleis laten bouwen met tweehonderd poorten. Iedere dag, 's morgens heel vroeg, gaan die open. En aan iedere deur, onverschillig welke, kun je vragen wat je nodig hebt. Geld, voedsel, kleding, vee, zelfs een rijpaard. En als het je niet bevalt, kun je nog ruilen ook. In dat land hoeft niemand te werken, en arme mensen zijn er niet meer. Dat is pas echte rijkdom en echte goedgeefsheid."

Toen de oude man deze woorden gesproken had, draaide hij zich om en daalde zo snel zijn voeten hem dragen konden de heuvel af. Atametoi was eerst te verbaasd geweest om hem tegen te houden. Toen hij de grijsaard wilde terugroepen, om nog meer te horen over prinses Tehmina, was hij al in de mensenmenigte verdwenen.

Het verhaal van de oude man had een diepe indruk op Atametoi gemaakt. Hij kwam niet meer aan de poort om aalmoezen uit te delen en hij zat maar stil te piekeren. Dat er nu toch iemand was, die hem overtrof in rijkdom en goedgeefsheid! Die moest hij leren kennen! Ten laatste nam Atametoi een kloek besluit. Hij zou zich als bedelaar verkleden en naar de stad van de prinses toe gaan. Met eigen ogen wilde hij zien of het allemaal waar was, wat de grijsaard had verteld. En als het waar was! Wel, dan zou hij aan de prinses vragen met hem te trouwen. Een betere vrouw zou hij immers nergens kunnen vinden!

Zo ging dus de rijke Atametoi, verkleed als een arme bedelaar, op weg naar de stad van de prinses. Hij deed er lang over, maar eindelijk stond hij dan toch voor het grote paleis. En ja, voor ieder van de tweehonderd poorten verdrongen zich de mensen. Wie geholpen was, ging blij weg. De een met geld, de ander met voedsel, weer een ander met kleren of een pakezel. En daar kwam warempel ook iemand aan, die een mooi rijpaard cadeau had gekregen. Atametoi kon zijn ogen haast niet geloven. Terwijl hij nog rondkeek, viel het hem op dat één van de poorten groter was en mooier versierd dan de andere. Daar zou de prinses zelf wel zijn. Hij drong tussen de mensen door en werkelijk, even later stond hij tegenover de lieftallige Tehmina.

De schrandere prinses had dadelijk gezien, dat ze niet met een gewone bedelaar te doen had. Ze keek hem vriendelijk aan en ze vroeg, wie hij was.

"Ik ben een rijke koopman," antwoordde hij, "ik heet Atametoi."

"Maar waarvoor bent u dan hier aan de bedelpoort gekomen?" vroeg de prinses weer.

"Ik wil met u trouwen, prinses," zei Atametoi vrijmoedig.

"Maar dat is toch niet iets, dat zo maar één twee drie besloten wordt!" riep zij lachend uit. "Daar moet je toch zeker eerst over nadenken."

Toen ging zij zitten en keek Atametoi onderzoekend aan. Hij werd er zenuwachtig van. Hij deed zijn mond open om iets te zeggen, maar een grote negerslaaf, die naast de prinses stond, hief zijn hand op en Atametoi zei niets. Na een paar minuten van stilte gaf zij hem een wenk naderbij te komen. "Meent u het werkelijk, Atametoi?"

"Natuurlijk, prinses, natuurlijk!"

"Goed dan. Maar er is één voorwaarde. U moet mij eerst een plezier doen. Wilt u dat?"
"Hoe kunt u dat nou vragen, prinses? Zegt u maar wat u hebben wilt. Moet het de kristallen beker zijn van de Padisjah van India? Of de staart van de toverluipaard uit Afrika? Zegt u het maar. Ik wil alles voor u doen."

De prinses lachte weer. "Ik zie, dat u werkelijk vol vuur bent, m'n beste Atametoi. Maar u hoeft niets voor mij te halen; ik wil alleen wat weten. Ge moet voor mij naar een stad gaan, die hier ver vandaan ligt. Veertig dagreizen ver. Om er te komen, moet men veertig rivieren oversteken. In die stad huilen alle mensen. Al maanden lang. Zo hard huilen ze, dat ik het in mijn slaapkamer kan horen. Alles wat ik u nu vragen wil, is dit: Ga voor mij naar die stad en onderzoek, waarom al die mensen zo lang en zo luid schreien."

"Is dat alles, prinses? Vandaag nog vertrek ik. Veertig dagen heb ik nodig om er te komen. Eén dag om te vragen waarom men schreit en weer veertig dagen voor de terugreis. Het is juist volle maan geweest. Eer we drie manen verder zijn, ben ik bij u terug."

"U bent ijverig genoeg. Ik hoop, dat het u lukt binnen de afgesproken tijd terug te zijn. Ik wens u een goede reis." Zo nam de prinses afscheid van Atametoi.

De rijke koopman ging de stad in en hij kocht het beste paard dat er te vinden was. Bij een zadelmaker bestelde hij een sterk zadel en zadeltassen. In de tassen liet hij levensmiddelen pakken, want hij hield er rekening mee, dat hij misschien dagenlang door onbewoonde streken zou rijden. Toen alles klaar was, ging hij op weg.

Het gerucht, dat iemand de prinses ten huwelijk had gevraagd, had zich snel door de stad verspreid. Iedereen wilde die man zien. Zo kwam het, dat Atametoi een grote menigte mensen bij de stadspoort aantrof. Verbaasd hield hij de teugel in. Wat moesten al die mensen van hem?

"Bent u de man, die met onze prinses wil trouwen?" vroeg er een.

"Wie ben je, dat je mij zulke vragen stelt?" antwoordde Atametoi.

"U hoeft niet boos te zijn, heer. Wij zijn inwoners van deze stad. Wij houden allemaal erg veel van onze prinses. En wij zouden het niet prettig vinden, als ze met iemand trouwde die haar niet waard is. Daarom willen we zien, of u net zo goedhartig bent als zij. Het zou niet erg zijn als u arm was. Haar rijkdommen zijn groot genoeg. Ze zou er nog niets van merken, als zij de helft weggaf."

Nadenkend keek Atametoi om zich heen. Die mensen hadden natuurlijk niet het recht hem vragen te stellen. En als hij zijn paard de sporen gaf, zou hij zonder een woord te spreken de stad kunnen verlaten. "Maar," zo bedacht hij, "misschien houden ze dan de poort gesloten als ik terugkom met berichten voor de prinses. En hoe moet ik haar dan bereiken?.. Wacht, ik zal hun bewijzen, dat ik even gul kan zijn als de prinses."

Terwijl hij van zijn paard sprong, sprak hij met een glimlach: "Uw prinses heeft mij een opdracht gegeven voor een grote reis. Als ik terugkom, zal ik met haar trouwen. Dan word ik uw prins. Ik laat mijn paard met het zadel en de gevulde zadeltassen bij u achter. Ge kunt alles onder elkaar verdelen. Ik zal mijn reis te voet maken."

Een tevreden gemompel steeg op uit de menigte. Dat zou een goede prins worden. Die was bereid alles weg te geven wat hij had. Atametoi ging de poort uit. De mensen juichten. "Lang leve de nieuwe prins!" riepen zij hem na.

Toen de avond viel, was Atametoi nog niet ver gekomen. Een eind voor zich uit zag hij de eerste van de veertig rivieren, die hij moest oversteken. Bij een schaapherder, die daar zijn kudde weidde, wilde hij de nacht doorbrengen. De herder deed hem vele verhalen over de rijkdom van de prinses en over haar goedgeefsheid. Hij vertelde Atametoi ook, dat er dikwijls mannen kwamen, die met de prinses wilden trouwen. En altijd verzocht zij hun naar de wenende stad te gaan. Maar de meeste kwamen nooit verder dan de eerste rivier. Die dachten alleen aan zichzelf. Zij gunden zich geen tijd om naar andere mensen te kijken. En zij dachten er nog minder aan, iemand die in nood was te helpen. Zij reden in een snelle vaart van het paleis der prinses naar de rivier. Die zag er vriendelijk uit; maar hij was gevaarlijk. Alleen met een gids kon men hem zonder gevaar oversteken. Wie de goede plaats niet wist, kwam in een draaikolk terecht en verdronk. Dan waren er mensen, zo vervolgde de herder, die niet 20 onvriendelijk deden als de eersten. Zij toonden ook wel een beetje medelijden met arme mensen, maar erg gul waren ze toch niet. De prinses had de schaapherder opgedragen hun de goede oversteekplaats te wijzen. Toch brachten ook zij het niet ver. De tiende rivier kon met een gewoon paard niet worden overgestoken. Daar had men een toverpaard voor nodig. Dat stond in de stallen van de prinses. En tot nu toe was geen van de mannen, die met prinses Tehmina wilden trouwen, door het toverpaard geholpen.

Zo vertelde de schaapherder. Atametoi had zonder een woord te spreken toegeluisterd. Hij zei niet, dat ook hij op reis was naar de stad met de huilende mensen. Nadenkend bleef hij in het vuur zitten kijken en hij deed die nacht geen oog dicht.

Toen het in het oosten licht begon te worden, naderde uit de richting van de stad een ruiter. Hij voerde een los paard aan de teugel met zich mee. Atametoi stond op om te kijken wie daar aankwam. Het was de grote negerslaaf, die achter de prinses had gestaan. Toen hij bij de koopman gekomen was, steeg hij af en maakte een diepe buiging. Met een zware stem zei hij: "Mijn meesteres, de edele en grootmoedige prinses, heeft vernomen, dat u alles hebt weggegeven, toen u de stad verliet. Daaruit is haar gebleken, dat u een goed hart hebt en dat het u niet te doen is om haar rijkdommen. Als beloning schenkt ze u dit toverpaard." De neger gaf Atametoi de teugels van het dier in handen en zonder verder nog een woord te spreken, sprong hij op zijn eigen paard en reed weg.

De schaapherder had van een afstand staan toekijken. Toen de slaaf verdwenen was, kwam hij naar Atametoi toe en hij zei: "Ik wens u geluk, heer! Ik vermoedde al, dat u een reiziger naar de wenende stad was. U bent de eerste, die hier zonder paard is gekomen. Maar u bent ook de eerste, die met het toverpaard de rivier oversteekt. Ik hoef u geen oversteekplaats te wijzen. Het toverpaard kent de weg. Ik wens u een goede reis, heer!"

Atametoi bekeek zijn nieuwe paard. Het was een prachtig dier. Het had slanke, maar toch sterke benen. De hals had een sierlijke lijn en de ogen keken net zo verstandig als mensenogen. Op zijn rug lag een prachtig zadel. Het was veel mooier dan het zadel, dat Atametoi voor zijn andere paard had gekocht. De zadeltassen waren gevuld. Er was geen enkele reden om nog te wachten. Hij steeg dus op en zonder dat hij de teugels of de sporen gebruikte, liep het dier naar de rivier. Het zocht een plaats uit, waar het kon oversteken. Om zich heen zag de ruiter de donkere draaikolken, maar hij kwam veilig aan de overkant. Zonder verdere avonturen bereikte hij de veertigste rivier. Het toverpaard voerde hem nu ook veilig over het water en Atametoi bleef bij de oever overnachten.

De volgende morgen was hij al vroeg wakker. Nog voordat de zon boven de bergen verscheen, zat hij al in het zadel op weg naar zijn einddoel. Het werd een warme dag. Tegen de middag zag Atametoi in de verte, tegen de helling van een berg, een stad liggen. Dat moest wel de wenende stad zijn.

De zon stond nu op het hoogste punt en ze brandde fel op het hoofd van de reiziger. Ook het paard had last van de warmte. Atametoi was dan ook blij, toen hij langs de weg een smal beekje ontdekte. Hij steeg af en voerde eerst zijn rijdier naar het water. Dat boog de nek om te drinken. Maar nauwelijks had het een klein teugje genomen, of het wierp het hoofd omhoog en wilde niets meer hebben. Verwonderd had Atametoi toegekeken. Hij knielde neer en schepte met zijn hand wat water, dat hij naar de mond bracht. Begerig slurpte hij het op. Maar hij had het nog niet in zijn mond, of hij spuwde het weer uit. Het was zout water! Hoe kon dat nu? Atametoi had nog nooit een beek met zeewater gezien; trouwens dat kon ook niet. De zee was vele dagreizen ver. Ineens begreep hij het: de beek bevatte niets dan tranen." Hij keek in de richting van de stad en nu hoorde hij ook duidelijk geschrei. Hij had het geluid al eerder gehoord, maar dacht toen dat het de wind was. Hij zette zich weer in het zadel, en begon de berg te bestijgen. Steeds luider werd het geluid.

Vlak bij de stad zag hij kraampjes langs de weg staan. De kooplieden hielden grote lappen omhoog en boden die aan de voorbijgangers te koop aan. "Mooie tranendoeken, heer. Neem mijn tranendoeken. U kunt er niet buiten!" Bijna iedereen kocht een of meer doeken. Het waren lange witte of gekleurde lappen, die de mensen om de hals sloegen als een sjaal en langs hun borst lieten afhangen.

Atametoi moest nu stapvoets rijden; het werd steeds drukker op de weg. Hij zag nu ook verscheidene mensen, die zachtjes liepen te snikken. Maar hoe dichter hij bij de stadspoort kwam, hoe harder de mensen huilden. Aan de poort werd hij tegengehouden door een soldaat, die zijn zwaard onder de arm droeg en met beide handen een grote tranendoek tegen zijn ogen drukte. "Wilt u, wilt u de stad binnengaan... vreemdeling?" snikte hij.

"Dat wil ik," antwoordde Atametoi.

"Dan moet u, huhuhu, het paard hier laten. Paarden kunnen niet huilen!"

Wat Atametoi ook zei, hij kreeg geen toestemming zijn paard mee naar binnen te nemen. Hij bond het dier dus aan een boom en ging te voet door de poort. Wat hij toen te zien kreeg, was wel heel vreemd. Iedereen liep hardop te huilen. Alle mensen hielden hun tranendoeken tegen de ogen gedrukt. Daardoor botsten ze telkens tegen elkaar op. Op de hoek van de straat brandde een vuurtje, waarnaast een man stond te huilen. Atametoi bleef even kijken. De man nam van de voorbijgangers tranendoeken in ontvangst, die hij boven het vuur droogde. De omstanders huilden zachtjes door en behielpen zich zolang met een slip van hun kleed. Een oud vrouwtje, dat naast Atametoi stond, greep diens mantel beet en droogde daarmee haar tranen. Als de doeken een beetje droog waren, deelde de man de lappen weer uit aan de eigenaars. Met een snik namen die hun eigendom in ontvangst en begonnen weer vreselijk te huilen. De doekendroger kreeg niets voor zijn moeite, en Atametoi begreep, dat hij een stadsdienaar was. Hij vroeg aan de man: "Zeg me toch eens vriend, waarom huilt iedereen hier zo verschrikkelijk?"

De man schudde alleen maar "neen" met zijn hoofd en ging huilend door, natte tranendoeken van de voorbijgangers te drogen. Hoofdschuddend liep Atametoi verder de stad in. Maar overal was het precies hetzelfde. Op elke straathoek stond een doekendroger en tegen de huizen waren hier en daar tranenbekkens, waar men zijn doek zelf in kon uitwringen. Nog een paar keer probeerde Atametoi van de mensen te weten te komen, waarom zij zo schreiden. Maar niemand gaf antwoord. Eindelijk zag hij op de hoek van een plein een jonge Arabier staan, die bijna niet huilde.

"Ha," dacht Atametoi, "eindelijk een mens, die een beetje gewoon doet." Hij haastte zich naar de jonge man toe en vroeg hem heel beleefd: "Zeg me toch, vriend, waarom schreien al deze mensen zo?"

De Arabier keek om zich heen, alsof hij zeker wilde weten dat niemand op hem lette. Toen gaf hij door een gebaar te kennen dat hij de vreemdeling iets in het oor wilde fluisteren. Benieuwd boog deze zich voorover. Meteen greep de jonge man het oor beet en gaf er zo'n harde ruk aan, dat Atametoi het uitgilde van pijn. Hij viel met een smak op de grond, stiet met zijn hoofd tegen een steen en bleef bewusteloos liggen. Hoe lang hij daar gelegen had, wist hij niet. Maar toen hij weer een beetje bij kwam, was het nacht. Het geluid van het snikken klonk niet meer zo luid door de stad, maar je kon het toch duidelijk uit ieder huis horen.

De volgende morgen ging Atametoi opnieuw er op uit, om iemand te vinden, die het geheim van de huilende stad voor hem zou oplossen. Zo nu en dan wreef hij met een pijnlijk gezicht zijn oor. Hij liep de ene straat in en de andere straat uit. Maar overal was het hetzelfde: luid huilende mensen, die alleen maar hun hoofden schudden als hij ze aansprak. Tegen de avond zag hij een eerbiedwaardige man met een lange witte baard. Atametoi stapte op hem toe en vroeg: "Zeg mij toch, heer, waarom al deze mensen zo schreien?"

De oude man keek om zich heen en fluisterde toen: "Dat is een groot geheim. Kom met me mee naar een stille plaats, dan zal ik het u uitleggen." Ze gingen naar een rustig hoekje en daar zei de oude man: "Buig u voorover, dan zal ik het heel zacht in uw oor zeggen."

Brandend van nieuwsgierigheid bracht Atametoi zijn hoofd heel dicht bij de mond van de oude. Toen gaf deze zo'n harde ruk aan het oor, dat de koopman voorover viel. Het duurde een hele poos, voordat hij overeind kwam. Zonder zich nog een ogenblik te bedenken, strompelde hij naar de poort en vluchtte de stad uit. Het paard stond gelukkig nog aan de boom vastgebonden.

Met moeite klom hij in het zadel en reed naar een dorp, dat halverwege de berghelling lag. Daar overnachtte hij in een herberg.

De volgende dag was het vrijdag, Dsjoema, dat is net als bij ons de zondag. Atametoi zat op het platte dak van de herberg en hij zag uit de stadspoort een grote stoet naderen. De stoet was op weg naar een moskee, die de stedelingen hadden gebouwd ter ere van hun gestorven koning. Dat was een heel geliefd vorst geweest en het volk beschouwde hem als een heilige. Iedere Dsjoema trok een processie, met de zoon van de overleden koning in het midden, naar de moskee om er te bidden. Alle deelnemers huilden en als de processie voorbij getrokken was, leek het alsof het erg geregend had, zo nat was de weg. Toen de stoet dichterbij kwam, zag Atametoi de prins. Door zijn kleding en gestalte viel hij op tussen de anderen. Hij was ook de enige die niet huilde en hij liep niet, maar zat op een zwarte buffel.

De koopman besloot ook hem nog eens te vragen, waarom iedereen in de stad huilde. Hij kwam dus van het dak af, sprong te paard en ging naast de prins rijden. Maar nauwelijks had die hem gezien, of hij greep zijn zwaard en sloeg naar Atametoi. Deze week handig uit, maar ging niet van zijn plaats. Opnieuw sloeg de prins. Wéér miste hij.

"Ga weg!" siste hij tussen zijn tanden. "Je hebt hier niets te maken." - "Toch wel, machtige heer! Ik kom hier met een opdracht van een prinses!" De prins had zijn zwaard al opgeheven om voor de derde maal te slaan. Nu liet hij het zinken en legde het dwars voor zich over het zadel. Onderzoekend bekeek hij Atametoi van top tot teen. "Welke prinses zond u en wat is haar boodschap?"

"De rijke prinses Tehmina uit het paleis met de tweehonderd poorten. Zij wil weten, waarom dit volk altijd schreit."

"Ga eerst mee naar de moskee; als we gebeden hebben, zal ik met u spreken." Atametoi was blij, dat hij nu achter het geheim zou komen. Toen het gebed in de moskee was geëindigd, nam de prins hem met zich mee naar het paleis. Samen liepen ze door koele zalen naar een binnentuin. Onder een schaduwrijke boom was een tapijt gespreid en Atametoi moest daarop gaan zitten. De prins liet voor zijn gast palau (rijst met vlees, groenten en vruchten) opdienen. Toen hij gegeten had, werd er koffie gebracht en een slaaf zette waterpijpen gereed. Pas toen ze rustig in kussens geleund zaten te roken, begon de prins te vertellen. Atametoi luisterde aandachtig.

"Mijn vader was de koning van dit land. Hij regeerde gelukkig, maar één ding liep hem tegen. Telkens weer stierf de vrouw, die hij tot koningin had uitgekozen, nog voordat er een troonopvolger geboren was. Toen hij eindelijk van een lange reis een jonge prinses meebracht, werd ik geboren. U begrijpt, dat er grote vreugde heerste in dit land. Mijn vader zorgde er voor, dat ik de beste leermeesters kreeg, die er te vinden waren. Zo kreeg ik ook lessen van een beroemde toverdokter uit India. Hij leerde mij bijna alles wat hij wist, behalve twee geheimen. Die mocht ik niet weten.

Op zekere dag gelukte het mij een kind te genezen, dat hij niet kon helpen. Hij was daar zo boos over, dat hij weg wilde. Maar ik had nu macht over hem gekregen en daarvan maakte ik gebruik om hem de twee geheimen te ontfutselen. Het waren geheimen over goede en kwade geesten. Van spijt en woede trok de toverdokter zich de oren van zijn hoofd. Ik zette ze er weer losjes aan, maar zo, dat ze nooit meer helemaal vast zouden groeien. Toen liet ik hem gaan.

Doordat ik nu alle geheimen kende, wist ik een vrouw te vinden, die alle goede eigenschappen van een koningin bezat. We trouwden en waren zeer gelukkig. Maar ach, na enige tijd bleek, dat de toverdokter nog een klein deel van het geheim der kwade geesten had weten te behouden. En met de hulp van deze kwade geesten heeft hij wraak genomen. Hij wist mijn lieve vrouw in zijn macht te krijgen en vanaf die tijd is zij verdwenen.

Toen het volk dit hoorde, was het woedend. Vele dappere mannen trokken uit om de koningin en de tovenaar te zoeken. Maar de enkelen, die terugkwamen, hadden niets bereikt. Als een vreemdeling in mijn stad komt en verdachte vragen stelt, trekt men hem aan zijn oren. Dat is om te zien, of hij misschien de tovenaar is. De mensen zijn bang, dat die in de een of andere vermomming nog eens zal terugkomen, om ook mij kwaad te doen. Het ïs nu al zo lang geleden, dat de koningin verdween, dat het volk vreest haar nooit terug te zien. Het is bang, dat het mij net zal gaan als mijn vader. Daarom zijn alle mensen begonnen te huilen en ze kunnen niet meer ophouden. Alleen als mijn vrouw terugkomt, zal alles weer goed worden. U weet nu alles, vreemdeling. Ga morgen naar de prinses terug en vertel haar de geschiedenis van de wenende stad. Zeg haar, dat ik zelf het meest van allen lijd. Ik heb zoveel geschreid, dat ik geen tranen meer heb. Vraag haar, of zij mij helpen kan."

Atametoi was diep onder de indruk van het verhaal van de koningszoon. Maar hij was toch ook blij, dat hij nu het geheim van de wenende stad kende en hij nam afscheid. Als herinnering gaf de prins hem een mooie ring.

Zo snel hij kon, reisde hij terug en het toverpaard voerde hem weer veilig over de veertig rivieren naar de stad van de rijke prinses. Wel had de tocht een paar dagen langer geduurd, dan hij zich had voorgesteld. Maar het was nog geen volle maan en hij had dus zijn belofte gehouden.

Toen Atametoi de stad binnenreedt, herkende het volk hem. Omringd door een juichende menigte kwam hij voor het paleis aan. De prinses trad naar buiten en hij knielde voor haar neer. Met korte woorden vertelde hij, wat hij was te weten gekomen over de wenende stad.

"De verdwenen koningin is mijn zuster," sprak toen de prinses. "De tovenaar uit India heeft haar bij mij gebracht. En hij heeft mij verteld, dat zij door haar man was verjaagd. Ik heb haar zelf nooit kunnen vragen, of de tovenaar de waarheid sprak. Want toen hij haar hier bracht, was zij doofstom. Nu weet ik dat de tovenaar gelogen heeft en dat mijn zuster doofstom is geworden van verdriet. De tovenaar had ook de rivieren betoverd, zodat niemand naar het land kon gaan, waar mijn zuster vandaan kwam. Alleen als er een man zou komen, zo goed van aard dat hij bereid was alles af te staan en niets voor zichzelf te houden, alleen dan kon de toverban over de rivieren verbroken worden. Daarom zond ik mijn oude vizier uit om zo'n man te zoeken. Hij is, verkleed als bedelaar, ook bij u geweest, heer Atametoi. En gij hebt bewezen de man te zijn, die alles voor een ander overheeft."

De verbaasde Atametoi werd nu in het paleis gebracht naar de ontvoerde koningin. Hulpeloos stond hij toe te zien bij zoveel verdriet. Hij wist niets anders te doen dan de ongelukkige vrouw de ring te tonen, die hij van de prins had gekregen. Maar nauwelijks had ze dit levensteken van haar man gezien, of er kwam een glimlach op haar gezicht. En toen riep ze ineens uit: "Dat is de ring van mijn man!" Het plotselinge geluk had haar de spraak teruggegeven. De beide zusters omarmden elkaar en huilden van blijdschap.

Atametoi moest nog eens alles vertellen, wat hij in de wenende stad had gezien en gehoord en de jonge koningin kon er maar niet genoeg van krijgen.

Nog diezelfde dag gaf prinses Tehmina opdracht alles in gereedheid te brengen voor een lange tocht. Een grote karavaan trok de volgende morgen de stad uit. Atametoi reed op het toverpaard aan het hoofd van de stoet en daarachter volgde een witte olifant, die de beide zusters droeg. Het oversteken van de rivieren gaf geen moeite meer. De draaikolken waren weg en iedereen kon zonder moeite door het water gaan. De reis werd zo vlug als het maar kon, gemaakt. Toen de veertigste rivier was overgestoken, galoppeerde Atametoi vooruit naar de wenende stad. Zonder zich van de huilende schildwacht iets aan te trekken, reed hij door de poort naar binnen, recht naar het paleis van de koning. Die was verwonderd hem terug te zien.

Toen Atametoi hem had verteld, welke blijde boodschap hij kwam brengen, sprongen ook hem de tranen in de ogen. Maar nu waren het tranen van vreugde. Hij gaf een hoornblazer opdracht al het volk bij elkaar te roepen. Even later zag Atametoi de huilende mensen van alle kanten toestromen. De jonge koning wees Atametoi erop en met een lachend gezicht zei hij: "Dat is voor de laatste keer!"

Daarna sprak hij het volk toe en vertelde, dat de koningin vandaag terug zou komen. Even was het stil. Toen brak er een gejuich los, dat horen en zien je verging. En alle mensen begonnen met de tranendoeken te zwaaien. Atametoi en de koning reden in snelle vaart de berg af, de karavaan tegemoet. De koning en zijn vrouw waren zo blij elkaar terug te zien, dat iedereen er gelukkig door was. De prins en Atametoi gingen ieder aan een kant van de olifant rijden en zo naderden ze de stad.

De kraampjes met tranendoeken waren al verdwenen. De kooplieden verkochten nu vlaggetjes. De schildwacht hield zijn zwaard met beide handen geheven ten groet. En in zijn tranenbekken prijkten bloemen als welkom voor de koningin. In de stad was alles versierd. Overal wapperden vlaggen en wie te arm was om een vlag te hebben, had zijn tranendoek uitgehangen. In het paleis werd een groot feest gevierd, dat dagen achter elkaar duurde. Atametoi werd tot prins verheven.

Toen hij en prinses Tehmina eindelijk weer terugkeerden in het paleis met de tweehonderd poorten, begon daar opnieuw een feest. Een bruiloft, zoals er nog nooit een geweest was.

Zo kwamen de rijkdommen van prins Atametoi en die van prinses Tehmina bij elkaar. Ze waren dus zeer rijk, maar ze hadden ook zoveel voor een ander over, dat nu nog in Turkestan verhalen worden verteld over de vrijgevigheid van Atametoi en zijn vrouw.


*   *   *

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes van Azië" verzameld en bewerkt door R.M. Dalang. C.P.J. van der Peet, Amsterdam, 1957.

Herkomst: Turkmenistan
Verteltijd: ca. 46 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook