Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 16 min.
Herkomst:




De rijke koopman

Ergens op de wereld, niemand weet precies waar, leefden eens een arme en een rijke koopman. De ene was zo arm dat hij nauwelijks wist hoe hij aan eten moest komen. De rijke bezat echter honderd winkels. Negenennegentig daarvan liet hij door anderen beheren, zelf hield hij er slechts een.

Op een dag maakte deze rijke koopman een wandeling in het bos. Toen hij daar zo wandelde, zag hij een heel mooi meisje dat juist onderweg was naar de bron.

"Waar ga je heen, mooi meisje?" vroeg hij.

"Naar de bron. Waar zou ik anders heen moeten gaan?" antwoordde het meisje.

Toen het meisje op de terugweg weer langs die plek kwam, begeleidde de rijke koopman haar tot aan de hut waar haar vader woonde. Haar vader was namelijk jachtopziener.

Het meisje beviel de rijke koopman, daarom nodigde hij haar samen met haar vader uit voor het middageten. In aparte kamers werd voor hen opgediend. De vader at alleen en het meisje samen met de rijke koopman.

Toen ze hadden gegeten, stopte de vader iets in zijn zak voor zijn dochter en het meisje deed hetzelfde voor haar vader.

De maaltijd duurde zo lang dat het de jachtopziener eigenlijk te lang voorkwam en hij vroeg waar zijn dochter was. Kort daarop werd toen zijn dochter bij hem gebracht, van top tot teen in zijde gekleed. Ze leek wel een koningin. De rijke koopman had haar zo laten aankleden.

Toen zei de rijke koopman tegen de jachtopziener dat hij hem zijn dochter moest geven, omdat hij met haar wilde trouwen. De vader stemde met veel genoegen in met dit verzoek: "Trouw met haar," riep hij, "waarom niet?"

Zo werd het meisje dus de vrouw van de rijke koopman en haar vader keerde als jachtopziener terug naar het bos. En ze leefden gelukkig.

Op een keer werd een groot feest gegeven in het bos. Er was een enorme mensenmassa gekomen en er waren wel zoveel feestgangers als er vlooien op een hond zitten. Ook de rijke en de arme koopman waren aanwezig.

En toen het zo in het gesprek te pas kwam, begon de rijke koopman zijn vrouw te prijzen en te vertellen wat een goede vrouw ze was, zo mooi en zo trouw! Alle aanwezigen hoorden deze lofrede aan, ook de arme koopman. Plotseling zei de arme koopman: "Luister eens broeder, er bestaat geen vrouw die niet kan worden verlokt en verleid!"

"Wel broeder," zei de rijke koopman, "als je erin slaagt deze vrouw te verleiden, dan is mijn hele vermogen voor jou! Lukt het je echter niet, dan krijg ik alles wat jij bezit."

"Afgesproken, wie erop terugkomt is een hondsvot," zei de arme koopman.

"Ik blijf bij wat ik heb gezegd."

Ze spraken echter af dat de zaak binnen drie dagen definitief beklonken moest zijn. Daarna zou de overeenkomst niet meer geldig zijn.

Toen ging de arme koopman regelrecht naar de vrouw van de rijke. Daar probeerde hij meteen de vrouw te omarmen en te kussen, maar ze duwde hem zo hard terug dat hij zeven keer over de kop ging. De eerste dag was daarmee al voorbij en de arme koopman maakte zich ernstig zorgen. Wat moest hij nu beginnen?

Nu kende hij een oude vrouw die vroeger in dienst was geweest bij de rijke koopman. Naar haar ging hij toe om te vragen wat hij moest doen. De oude vrouw had direct een idee en zei: "Ik zal je in een kist verstoppen en je op de een of andere manier in de kamer van de rijke koopmansvrouw laten brengen. Wees maar niet bang, het komt allemaal in orde."

En zo gebeurde het ook. Ze verborg hem in een kist en ging vervolgens naar de rijke koopmansvrouw. Ze vertelde dat ze ruzie had met haar man en vroeg of ze haar kist, waarin ze haar weinige bezittingen had, bij haar mocht onderbrengen. De rijke koopmansvrouw had hier geen bezwaar tegen en gaf haar toestemming. Ze had er echter geen idee van wat er in de kist zat.

De oude vrouw huurde direct twee mannen die de kist optilden en regelrecht naar de slaapkamer van de vrouw van de rijke koopman droegen.

Met dit alles was echter alweer een dag verstreken.

In de nacht van de derde dag kroop de arme koopman uit de kist en ging naast het bed staan. De vrouw had het heel warm gehad en had haar borst ontbloot. De arme koopman zocht of hij niet een of ander merkteken, zoals een moedervlek, kon ontdekken. Hij bekeek haar borst en zag daar een prachtige goudblonde haar. Vervolgens kroop hij weer terug in de kist, zorgvuldig oplettend dat hij geen lawaai maakte, want het zou vreselijk zijn als de vrouw wakker werd.

Maar ze werd niet wakker.

De volgende dag in alle vroegte ging de oude vrouw naar de rijke koopmansvrouw. Ze zei dat ze zich met haar man had verzoend en dat ze graag haar kist mee naar huis wilde nemen. "Dat is goed," zei de vrouw en gaf haar ook nog twee mannen mee, zodat ze niet zelf, als arme oude vrouw, met het ding hoefde te slepen.

Toen de kist bij haar thuis was gebracht en de twee mannen weg waren, kroop de arme koopman eruit en ging regelrecht naar het bos. In zijn grote vreugde was hij bijna over een boomwortel gestruikeld en op zijn gezicht gevallen.

De rijke koopman zag hem komen en dacht al: "Nu is het gebeurd met de arme koopman. Het beetje dat hij had, heeft hij nu ook verloren." Toen de ander aankwam riep hij tegen hem: "Nu, wat heb je voor nieuws?"

Daarop antwoordde de arme koopman: "Het nieuws is dat ik je vrouw heb verleid! Als je het wilt weten, kan ik je ook nog zeggen dat ze een goudblonde haar op haar borst heeft. En nu is je hele vermogen van mij!"

De rijke koopman schrok zo van deze woorden dat hij dacht dat hij door een beroerte werd getroffen.

"Mijn God, nee! Mijn God, nee! Niet deze vrouw. Ik dacht toch werkelijk dat ik haar kon vertrouwen. Maar dat blijkt dus ook niet waar te zijn."

Zijn hele vermogen gaf hij aan de arme man. Zelf had hij nu alleen nog zijn vrouw en zijn geweer. Het geweer gaf hij ook nog aan zijn vrouw met de woorden: "Ook dat mag ik niet meer houden."

Ze trokken de wijde wereld in tot de weg die ze hadden gekozen bij een kruispunt kwam. Toen ging de vrouw de ene kant op en de man de andere.

De vrouw kwam toevallig terecht bij een jachtopziener en aangezien ze goed kon schieten, nam deze haar in dienst als jager. Al snel begon ze ook jagerskleren te dragen.

Omdat ze een geweer had waarmee ze altijd raak schoot, kwam ze uiteindelijk terecht aan het hof van een koning. Ook in mannenkleren zag ze er knap uit en al gauw was iedereen daar erg op haar gesteld.

De koning wilde haar beslist met zijn dochter laten trouwen, maar op een dag bekende ze het meisje in vertrouwen dat ze ook een vrouw was en daarom niet met haar kon trouwen. En ze vertelde haar van begin tot einde haar levensverhaal. Toen kreeg de koningsdochter medelijden met haar omdat haar zo'n tragisch lot had getroffen en ze bedacht dat deze vrouw iets beters verdiende.

De koopmansvrouw bleef uiteindelijk niet aan dat hof, maar kwam terecht aan dat van een andere koning. Daar overkwam haar hetzelfde, maar ze kreeg deze keer geen gelegenheid een uitweg te zoeken. Ze verloofde zich op aanraden van de koning met zijn dochter. Alleen de huwelijksvoltrekking ontbrak nog, maar toen brak er een oorlog uit en werd ze naar het slagveld gestuurd. Daarom werd de huwelijksvoltrekking uitgesteld. Ze vocht als een held en stond flink haar mannetje. Onder de vele soldaten herkende ze echter haar man, die ook aan de oorlog deelnam.

Ze dacht lang na hoe ze zich van het hof van de koning kon losmaken. Ze peinsde en peinsde en plotseling had ze de oplossing gevonden.

Toen ze weer terug was aan het hof, zei ze tegen haar schoonvader dat ze beslist snel naar haar eigen landgoed moest reizen, maar dat ze na twee dagen terug zou zijn. Hoe dan ook, ze moest gaan!

De koning zei: "In orde, mijn zoon, maar eerst moet het huwelijk plaatsvinden. Daarna kun je gaan."

Maar de held - of liever de vrouw - beloofde bij alles wat haar heilig was dat ze terug zou komen, maar dat ze echt zo snel mogelijk moest gaan. Ten slotte gaf de koning toe. Ze werd uitgedost als de knappe, stralende prins waar het halve koninkrijk vol ongeduld naar uitkeek en ze kreeg een heel regiment soldaten mee. Zo haastte ze zich van het hof in een prachtige gouden wagen.

Eenmaal onderweg zag ze een afgedankte soldaat lopen. "Kom, stap in de wagen," riep ze tegen hem. Deze soldaat was niemand anders dan haar eigen man, maar hij herkende haar niet. Zij herkende hem wel.

Het regiment stuurde ze naar huis en alleen met de afgedankte soldaat reed ze verder naar de stad waar ze vroeger hadden gewoond.

Daar hield ze de wagen stil voor een zaak die vroeger aan hen had toebehoord. De prins - of liever de vrouw - nodigde de soldaat uit met haar naar binnen te gaan, maar daar schrok hij voor terug. Hij was zo'n arme, arme man en het paste hem niet met zo'n stralende prins aan dezelfde tafel te zitten.

Met grote tegenzin ging hij uiteindelijk toch mee naar binnen.

De zaak behoorde aan de koopman die van heel arm heel rijk was geworden. De prins dronk daar met de soldaat een beker brandewijn en begon de koopman uit te horen: "Wat heb je een prachtige zaak! Hoe ben je daar aangekomen? Heb je hem geërfd of heb je alles zelf opgebouwd?"

De koopman die van heel arm heel rijk was geworden, vertelde hem het verhaal van het bedrog. Hoe hij de vrouw die hij vanwege de weddenschap had moeten verleiden niet had kunnen verleiden en dat hij alleen haar borst had gezien en dat alleen nog bij toeval. Zo was hij dus aan zijn vermogen gekomen.

De soldaat herkende de vroeger zo arme koopman en werd paars en blauw van woede, maar hij waagde het niet eerder dan de prins te spreken.

Plotseling gooide de prins echter zijn mantel af en vertoonde zich aan de soldaat - of liever aan haar man: "Kijk, ooit geloofde je alles over mij wat deze schurk je maar vertelde. Geloof je dan nu dat ik onschuldig ben?"

"Ja, nu geloof ik het zeker," zei de soldaat - de eens zo rijke koopman.

Toen moest de van heel arm heel rijk geworden koopman alle have en goed teruggeven en bovendien verloor hij wat hij zelf bezat. Hij trok weg en ging een zwervend bestaan leiden. De van heel rijk heel arm geworden koopman trouwde opnieuw met zijn vrouw en als ze niet zijn gestorven, zijn ze nu nog heel gelukkig samen.


*   *   *

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Hongaarse sprookjes" samengesteld door Leander Petzoldt, vertaald door Uta Anderson. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1996. ISBN: 90-389-03839

Herkomst: Hongarije
Verteltijd: ca. 16 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook