Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 11 min.
Herkomst:




De rode advocaat

Vader en moeder waren vroegtijdig gestorven en hadden twee kinderen - beiden zoontjes - onverzorgd achtergelaten. De kleinen waren daardoor ten laste van het armenbestuur gekomen en dit bestuur had hun verzorging in het openbaar aanbesteed en gegund aan de minst biedende - een arme buurman, die voor een beetje geld nu de wezen in huis had genomen en daartoe meer uit medelijden dan wel uit winstbejag was overgegaan.

Zijn eerste zorg was geweest de beide kinderen geregeld naar school te sturen, want hij zelf had dikwijls ondervonden hoe lastig het was niet te kunnen lezen of schrijven en tussen de schooluren in had hij hen huiswerk laten doen ten einde hen reeds spoedig aan lichamelijke arbeid te laten wennen.

De dorpsonderwijzer had echter weldra opgemerkt dat de oudste jongen een vlug verstand en een goed geheugen bezat, terwijl de boer de jongste van de beide wezen had leren waarderen als iemand die zich graag met zware arbeid bezig hield. Toen de jongste zeven jaar geworden was werd hij dan ook van school gehaald om voor de landbouw te worden opgeleid. Hij was zo gezond als een vis, zo werkzaam als een mier en binnen een tiental jaren zo sterk als een paard, had zich spoedig op het boerderijtje onmisbaar weten te maken en was zijn weldoener in diens ouderdom tot steun en zege geworden. De oudste was naar school blijven gaan en was op zijn veertiende jaar, nadat hij zich in allerlei kundigheden had bekwaamd, door de rentmeester van de koning op het kantoor genomen, had zich daar ook spoedig onmisbaar weten te maken en was weldra de rechterhand van zijn heer en meester geworden.

Nu gebeurde het op zekere tijd dat de rentmeester een bevelschrift van zijn koning ontving waarbij hem werd aangezegd het rentmeesterschap in een verafgelegen provincie te gaan waarnemen. Na langdurig wikken en wegen werd besloten dat de oudste van de wezen met hem zou meegaan. Deze trok dan ook - na een droevig afscheid van zijn broer en van hun beider weldoener te hebben genomen - met de rentmeester naar diens nieuwe standplaats heen.

En nu verliepen er dertig lange jaren zonder dat de beide broers enige tijding van elkaar ontvingen. De medelijdende boer was ondertussen gestorven en de jongste der wezen was met diens enige dochter getrouwd. Hij had daardoor het boerderijtje geërfd en kon nu door zware arbeid en door goed oppassen voldoende maar toch slechts karig in zijn onderhoud voorzien.

Op zekere dag verscheen er een bode in het dorp die hem tijding kwam brengen uit het verre land waarheen zijn broer met de rentmeester nu dertig jaren geleden was heengegaan. De rentmeester, aldus verhaalde de bode, was tien jaar geleden gestorven en had al zijn geld en goed achtergelaten aan de wees, die hem zolang met trouw en eerlijkheid had gediend. En de koning had deze als de opvolger van de rentmeester aangewezen, maar nu enige tijd geleden was hij zelf gestorven, niet echter dan na zijn broer tot erfgenaam van zijn groot vermogen te hebben benoemd.

Weldra begaf de erfgenaam zich op reis naar de plaats waar zijn broer was overleden en toen hij daar, na een voetreis van verschillende weken, was aangekomen, verkocht hij huis en hof, stak de opbrengst daarvan en al het geld dat zijn broer hem had nagelaten, in een reiszak en keerde met die last beladen weer huiswaarts.

Op zekere avond moest hij onderweg in een dorpsherberg overnachten. De kastelein en zijn vrouw, die de zware reiszak reeds met een begerig oog hadden gadegeslagen, openden 's nachts de zak, telden de schat en hielden nauwkeurig aantekening van het aantal geldstukken van elke soort dat hij inhield. Ze gingen daarna tot de schout van het dorp en verhaalden hem dat er een vreemdeling bij hun zijn intrek had genomen en dat deze al hun geld had gestolen.

De schout en zijn dienaars waren spoedig ter plaatse aanwezig en namen de reiziger gevangen. En toen de volgende dag bleek dat de reiszak juist het aantal geldstukken inhield zoals dit door de kastelein en diens vrouw was opgegeven werd er aan zijn schuld niet getwijfeld en werd hij veroordeeld om na drie dagen te worden opgehangen. Tot zo lang werd hij in de kelder opgesloten en kon hij daar over zijn treurig lot nadenken.

Huilend zat hij op zijn legerstede neer toen, juist te middernacht, eensklaps een vreemde heer voor hem stond, geheel in het rood gekleed en die hem vroeg waarom hij hier gevangen zat. De ongelukkige deed een trouw verhaal van het gebeurde en toen hij geëindigd had zei de vreemdeling hem dat hij de duivel was en dat hij hem verlossen zou en zijn geld terug bezorgen indien hij zijn ziel aan hem zou willen verkopen.

De gevangene weigerde dit echter en bleef weigeren toen de duivel hem ook de tweede en de derde nacht een zelfde voorstel kwam doen. De laatste maal hield de duivel zeer lang aan en spiegelde de gevangene in alle kleuren en geuren het heerlijk leventje voor dat hij met al dat geld zou kunnen leiden. Maar alles tevergeefs en toen de duivel uiteindelijk ging begrijpen dat hier voor hem geen zaken waren te maken, zei hij: "Welnu, dan zal ik u toch helpen. Indien u morgen naar oude gewoonte zal worden vergund nog een woord te spreken, zeg dan dat u uw verdediging aan de rode advocaat hebt opgedragen. De rest volgt dan vanzelf."

De gevangene beloofde de duivel dit te zullen doen en toen hij de volgende morgen het schavot had beklommen, antwoordde hij dan ook werkelijk op de vraag van de rechters of hij nog wat te zeggen had: "Ik heb mijn verdediging aan de rode advocaat opgedragen!" Op dat zelfde ogenblik stond een geheel in het rood gekleed heer voor de verbaasde ogen van de rechters en niemand had gezien vanwaar hij gekomen was. "Wil jij," aldus sprak hij tot de veroordeelde, "bij de Almachtige God zweren dat jij het geld niet hebt gestolen maar dat het jou toebehoorde?" - "Ja," sprak deze en plechtig legde hij de verlangde eed af. Toen keerde de rode advocaat zich tot de kastelein en diens vrouw en zei: "Willen ook jullie zweren dat het geld jullie toebehoorde?" En ook zij waren bereid de verlangde eed te doen. Maar ternauwernood hadden zij het laatste woord van de eed uitgesproken of 'pak' zei de rode advocaat en men zag hem in woeste vaart wegvliegen de meinedige kastelein en zijn vrouw achter zich aan slepend. Toen zagen de rechters dat zij een onschuldige hadden veroordeeld. Zij spraken hem vrij en gaven hem het geld terug. Maar de schout verlangde nu zijn loon en het loon van de beul en de onkosten van het proces. "Goed," zei de vrijgesprokene, "neem het zelf maar uit de zak, maar als u één duit te veel neemt dan roep ik mijn rode advocaat." De schout stak er geen hand aan, maar droop stilletjes af.

Zonder verdere ongevallen kwam de erfgenaam nu met zijn schat thuis; hij kocht de grootste en mooiste boerderij van het dorp en leefde er jaren lang met vrouw en kinderen zo gelukkig als een mens maar zijn kan.


*   *   *

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"De opgeverfde haan. Bekende & onbekende verhalen over schelmen & vagebonden, tovenaars & heksen, boze moeders & ontaarde zonen, ezels & schapen, reuzen & dwergen, kluizenaars & molenaars, tempeliers & wonderdokters, spoken & weerwolven, juffers & bruiden, zeemeerminnen & nachtmerries, bokken & egels, soldaten & jagers, katers & eksters, knechten & meesters, kooplieden & dieven & vele andere eeuwige stuiverzoekers" samengesteld door Willem de Blécourt. Uitgeverij Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1982. ISBN: 90-274-7115-0

Herkomst: Noord-Brabant
Verteltijd: ca. 11 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook