Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 15 min.
Herkomst:

De smid van Fumel Een Frans sprookje over een smid en een droevige prinses

In het plaatsje Nérac, de hoofdstad van het département Lot-et-Garonne, woonde vroeger een koning. Hij heette Hendrik IV en hij was zo rijk als de zee, zo liefdadig als een priester, zo dapper als een leeuw, en zo rechtvaardig als goud. Toch was de arme koning niet gelukkig. Dag en nacht hoorde men hem zuchten: "Ach, zelfs een galeiboef is minder te beklagen dan ik! Wel heb ik een dochter, schoon als de jonge dag en zachter dan een heilige, maar ach, ze is zo treurig, zo treurig, dat het nog geen enkele jonkman heeft mogen gelukken, haar ook maar één ogenblik te doen lachen! Ze is en blijft treurig, en daarom noemt mijn volk haar de 'Droevige Prinses'.

Verder bezit ik weliswaar zevenhonderd prachtige raspaarden, zwart en glanzig als git, maar het grote witte paard, dat ik veel meer liefheb dan al die zevenhonderd anderen, is zo wild, dat het geen smid ter wereld nog ooit heeft mogen gelukken, het aan alle vier poten te beslaan. En daarom noemt mijn volk dit paard 'De IJzerbreker'. Nee, zelfs een galeiboef is minder te beklagen dan ik!"

Eindelijk kon Hendrik IV het niet langer uithouden! "Er moet een eind komen aan deze toestand! "riep hij uit en hij liet de stadstrommelslager roepen. "Trommelslager, ziehier duizend goudstukken. Ga heen en trek door het ganse land, aldoor trommelend en aldoor uitroepend: 'De man, die het gelukt de Droevige Prinses een enkele keer te doen lachen en die verder in staat blijkt te zijn, al de vier poten van 's konings lievelingspaard IJzerbreker te beslaan, zal de schoonzoon en erfgenaam worden van koning Hendrik IV."

"Koning, ik zal uw bevel getrouwelijk opvolgen!" Zo gezegd, zo gedaan, de man trok al trommelend en overal zijn boodschap uitroepend, door het gehele land, en van alle zijden kwamen prinsen, graven en hertogen naar Nérac, om te beproeven of het hun misschien mocht gelukken, aan de eisen van de koning te voldoen. Maar geen van allen kon ook maar het kleinste glimlachje te voorschijn roepen op het gelaat van de schone prinses, en nog minder gelukte 't hun, het wilde witte paard te beslaan.

In die tijd woonde te Fumel een jonge, sterke smid met zijn oude moeder. "Moeder," zei de smid eens onder het avondeten, "morgen ga ik naar Nérac. Ik weet heel zeker dat ik de Droevige Prinses aan het lachen zal kunnen brengen en dat het me ook zal gelukken, al de vier poten van de wilden IJzerbreker te beslaan. Op die manier word ik dan de schoonzoon en erfgenaam van Hendrik IV."

"Beproef het, mijn zoon, en dat de goede God u geleide."

Terwijl de oude vrouw dien nacht rustig lag te slapen, haalde de jonge smid al het geld, dat hij bezat - honderd kronen van zes pond en vijftig louis d'or, tevoorschijn uit zijn koffer, en smeedde uit de honderd kronen van één pond vier prachtige zilveren hoefijzers. En uit de vijftig louis d'or vormde hij acht en twintig gouden hoefnagels, zeven voor elk hoefijzer. Tegen zonsopgang was hij met alles gereed, en de smid van Fumel ging op weg naar Nérac, met zijn leren ransel op zijn rug.

In die ransel bevond zich een brood, een veldfles vol wijn, een hamer, de vier zilveren hoefijzers en de achtentwintig gouden hoefnagels. Drie uur later zat hij te ontbijten aan de kant van de weg. En in het korenveld aan de overzij zong een krekel, zo zwart als roet: "Kri, kri, kri, dag smid van Fumel!"

"Dag, krekel, wat is er van je dienst?"

"Kri, kri, kri, smid van Fumel, ik wou graag weten, waar je naar toe gaat."

"Krekel, ik ga naar Nérac om de 'Droevige Prinses' aan het lachen te maken en om alle vier de poten van het grote witte paard 'IJzerbreker' te beslaan. Als mij dit gelukt, word ik de schoonzoon en erfgenaam van Koning Hendrik IV."

"Kri, kri, kri, neem mij mee, smid van Fumel! Misschien kan ik je van dienst zijn."

"Met plezier, Krekel! Anker je maar vast en stevig op mijn kin."

Zo gezegd, zo gedaan, en de smid van Fumel zette zijn reis weer voort, met de krekel, zwart als roet, geankerd op zijn kin.

Drie uur later gebruikte hij zijn middagmaal aan de kant van de weg, en in het veld aan de overkant knabbelde een kleine rat op een tabaksblaadje.

"Kwiek, kwiek, kwiek, dag smid van Fumel!"

"Dag kleine rat, wat is er van je dienst?"

"Kwiek, kwiek, kwiek, smid van Fumel, ik wou graag weten waar je naar toe gaat."

"Kleine rat, ik ga naar Nérac om de 'Droevige Prinses' aan het lachen te brengen en om alle vier de poten van het wilde paard 'IJzerbreker' te beslaan."

"Kwiek, kwiek, kwiek, neem mij mee, smid van Fumel. Misschien kan ik je van dienst zijn."

"Met plezier, kleine rat, vooruit! Hop! Anker je maar vast en stevig boven op mijn muts."

Zo gezegd, zo gedaan; en de smid van Fumel zette zijn reis weer voort met de krekel, zwart als roet, geankerd op zijn kin en de kleine rat, geankerd boven op zijn muts.

Diezelfde avond snorkte hij als een gelukkig mens tussen twee heldere lakens in een herberg te Agèn. Maar bij het aanbreken van de dag schrikte hij opeens wakker door een prik in zijn neus.

"Smid van Fumel, sta op, sta op! Je hebt lang genoeg geslapen, jij luilak!"

"Zeg, wie ben jij, die daar praat? Ik hoor je wel, maar ik zie je niet."

"Smid van Fumel, ik ben de moeder der vlooien en ik heb mij vast en stevig geankerd op het puntje van je neus. Smid van Fumel, ik wou graag weten, waar je naar toe gaat."

"Moeder der vlooien, ik ga naar Nérac om de 'Droevige Prinses' aan het lachen te maken en om alle vier de poten van het wilde witte paard 'IJzerbreker' te beslaan. Als mij dit gelukt, word ik de schoonzoon en erfgenaam van Koning Hendrik IV."

"Smid van Fumel, neem mij mee. Ik kan je misschien van dienst zijn."

"Met plezier, moeder der vlooien. Blijf maar stevig geankerd zitten op het puntje van mijn neus."

Zo gezegd, zo gedaan! De smid van Fumel zette zijn reis voort met de krekel, zwart als roet, geankerd op zijn kin, de kleine rat geankerd op zijn muts, en de moeder der vlooien, geankerd op het puntje van zijn neus.

Drie uur na het opgaan van de zon zat de smid van Fumel al te Nérac op een stene bank, vlak naast de ingangspoort van het kasteel van de koning. Al de knechten en dienstmaagden kwamen naar buiten en ze lachten, toen ze hem zagen.

"Smid van Fumel, wat kom je hier doen?"

"Beste vrienden, ik wens koning Hendrik IV en de 'Droevige Prinses' mijn opwachting te maken."

"Smid van Fumel, kijk, daar komen ze juist uit de mis."

De smid van Fumel begroette de prinses zonder enige verlegenheid. "Dag Droevige Prinses," zei hij, "ik ben hier naar toe gekomen om je aan het lachen te maken. Dag Hendrik IV! Ik ben hier naar toe gekomen om al de vier poten van je wild wit lievelingspaard 'IJzerbreker' te beslaan. En dan wou ik daarna graag je schoonzoon en erfgenaam worden."

Toen nu de 'Droevige Prinses' hem, die zich haar toekomstige echtgenoot noemde, daar voor zich zag staan met de krekel, zwart als roet, geankerd op zijn kin, de kleine rat geankerd op zijn muts, en de moeder der vlooien geankerd op het puntje van zijn neus, schaterde ze het op eens uit van het lachen. "Hendrik IV," zei toen de smid van Fumel, "de eerste helft van het werk is mij al gelukt! De 'Droevige Prinses' heeft voor het eerst van haar leven hartelijk gelachen."

"Smid van Fumel, je hebt gelijk! Ga nu mee naar de stal, en besla alle vier de poten van mijn groot wit paard IJzerbreker."

"Hendrik IV, ik ben tot je dienst."

Alle omstanders volgden hen nu naar de stal. Daar aangekomen, nam de smid van Fumel zijn leren ransel en haalde daaruit zijn hamer, de vier zilveren hoefijzers en de achtentwintig gouden hoefnagels te voorschijn. Hendrik IV en de Droevige Prinses zetten grote ogen op, toen ze dit zagen! "Smid van Fumel, die hoefijzers en die hoefnagels hebben huns gelijke niet op de gehele wereld!" - "Droevige Prinses, ik ben dan ook geen gewone smid. Aan goud en zilver heb ik geen gebrek! Hendrik IV, ik ben geen gewone smid. Je zult eens zien, wat ik ga doen."

Maar het grote witte paard 'IJzerbreker' wou niets van hem weten. Het schudde zijn kop, het schopte, en het hinnikte zo hard, dat je 't zeven mijlen in de omtrek kon horen.

"Krekel, doe je plicht!"

Dadelijk sprong nu de krekel in het oor van het grote witte paard en begon zijn eentonig liedje te zingen. "Kri, kri, kri, kri, kri, kri, kri, kri, kri." Geheel overbluft door dit ongewone geruis in zijn oor, hield het paard weldra op met springen, schoppen, kopschudden en hinniken. Zacht als een lam, boog het de kop naar beneden.

"Kleine rat, doe je plicht!"

Dadelijk sprong nu de kleine rat op de neus van het paard en begon hem de geur van de tabaksbladeren, die ze gegeten had, in de bek en in de neusgaten te ademen. De sterke tabaksgeur maakte het paard suf, en het viel in slaap. Nu besloeg de smid van Fumel zijn vier poten, legde een zadel op zijn rug, greep de teugels en sprong zonder aarzelen op het wilde paard. "Hop, hop, paardje, vooruit!"

Het grote witte paard werd wakker, sprong op en wou er woest van doorgaan. Maar de smid van Fumel trok aan de teugels en commandeerde: "Halt!" En het paard gehoorzaamde aan de teugels en aan zijn stem. Het stond opeens onbeweeglijk stil. "Hendrik IV, nu heb ik ook de tweede helft van mijn opdracht volbracht. Ik heb al de vier poten van het grote, wilde witte paard 'IJzerbreker' beslagen, en meteen het beest getemd. Maak mij thans tot je schoonzoon en erfgenaam."

"Smid van Fumel, je hebt recht op de beloning, door mij uitgeloofd. Je huwelijk met de prinses zal nog deze morgen worden voltrokken. Intendant, ga vlug de geestelijke roepen. En gij, knechten en dienstmaagden, zorgt dat er dadelijk een schitterende bruiloftsmaaltijd wordt aangericht!"

En zo gebeurde het. Nooit is er in heel Frankrijk een grootser bruiloft gevierd geworden en nooit en nergens zal ooit een bruiloft worden gevierd, grootser dan de bruiloft van de smid van Fumel en de prinses, die nu geen 'Droevige Prinses' meer was.


*   *   *

De smid van Fumel Samenvatting
Een Frans sprookje over een smid en een droevige prinses. In Nérac woont een koning die niet gelukkig is. Zijn dochter is een droevige prinses (ze is zo treurig dat ze nooit lacht) en zijn witte paard laat zich niet met hoefijzers beslaan. De smid van het nabijgelegen Fumel gaat op weg om de koning te helpen. Onderweg sluiten een krekel, rat en vlo zich bij hem aan. Het lukt hem de prinses aan het lachen te maken en het witte paard met hoefijzers te beslaan. Als beloning trouwt hij de prinses en erft hij het koninkrijk. Lees het verhaal

Toelichting
Nérac en Fumel zijn beide gemeentes in het Franse departement Lot-et-Garonne (regio Aquitanië, in het zuidwesten van Frankrijk).

Het motief "de prinses aan het lachen maken" vinden we ook in: De granaatappels, De gouden gans, De goede ruil en De prinses die niet kon lachen.

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Oud-Fransche sagen, volksoverleveringen en sprookjes" bijeengebracht door S. Troelstra-Bokma de Boer. W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1930, p. 19-24.

Herkomst: Frankrijk
Verteltijd: ca. 15 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook