Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 14 min.
Herkomst:

De strijd met de menseneters Een Indonesisch volkssprookje over een avontuurlijke jongeman

Er was eens een dorp, waar iedere dag een monstervogel kwam aanvliegen om een van de inwoners weg te halen en te verslinden en toen dat zo een tijd geduurd had, was er van het hele dorp niemand meer over. Alleen een klein kind was aan de dood ontsnapt, omdat zijn ouders het in een trom verstopt hadden. Toen de vogel gezien had, dat niemand was overgebleven, kwam hij het dorp niet meer bezoeken en onze knaap kroop uit de trom en zocht in de huizen van het dorp en in het bos zijn voedsel bij elkaar. Zo werd hij groot en sterk en hij besloot een makker te zoeken. Hij ging op weg en de eerste avond van zijn tocht at hij de oogst van een hele lansathboom, de volgende avond, van een mangoboom, de derde avond at hij een ramboetanboom leeg. En toen het voor de vierde maal avond was geworden, vond hij een dorp. Hij ging dadelijk naar het huis, dat hem het voornaamste leek, maar hij zag er niemand en hoe hij ook schreeuwde, hij kreeg geen antwoord. Totdat op het laatst van de zoldering een zwak geluid tot hem door drong. Hij deed de deur open, ging de trap op en vond op de zolder een meisje zitten, dat hem vertelde, dat zij door een monster was opgesloten. Zij bood hem sirih-pinang aan, maar waarschuwde hem meteen zeer nadrukkelijk, dat hij deze snel moest opeten en dan zo snel mogelijk moest verdwijnen, omdat de menseneter ieder ogenblik thuis kon komen.

De knaap was echter niet zo gemakkelijk bang te maken en hij zei tegen het gevangen meisje, dat ze hem in een kist moest verstoppen, als de menseneter plotseling thuiskwam.

Nauwelijks had hij het gezegd, of buiten klonk een geweldig lawaai: de menseneter was van zijn tocht teruggekomen. Zodra hij op de zolder was gekomen, snufte hij vervaarlijk en riep: "Ik ruik hier mensenvlees! Ik ruik hier mensenvlees!" Hij vroeg het opgesloten meisje, wie er binnen was gekomen en of die er nog was, of dat hij al was vertrokken. Maar op al die vragen antwoordde zij, dat ze niets gemerkt had en dat er niemand was geweest.

Daarop ging de menseneter slapen, maar midden in de nacht maakte het opgesloten meisje de kist open en spoorde de knaap aan om nu meteen te vluchten, voordat de reus weer wakker zou worden. Hij was echter vastbesloten haar te bevrijden. Zij wees hem de tovermiddelen van de menseneter, op voorwaarde dat hij hem nu ook zou doden. Toen hij dit beloofd had, gaf zij hem een blaaspijp en een bezoarsteen. De volgende ochtend ging hij, met de blaaspijp gewapend, de reus opzoeken en vond hem aan de kant van de rivier, bezig een bad te nemen. Meteen schoot hij de reus recht in het oog, zodat deze omviel en de knaap dacht al, dat het monster onschadelijk was gemaakt. Toen zag hij dat de reus zich weer bewoog, langzaam opstond en naar zijn woning terugkeerde. Geschrokken ging de knaap aan het meisje vragen, hoe dit kwam en toen hoorde hij, dat het leven van de reus op een veilige plaats verborgen was, in een stenen pot achter op de zolder. Zolang de pot niet gebroken was, kon de reus niet sterven. Op haar aanwijzingen vond hij dit kostbare voorwerp. Hij haalde het tevoorschijn, tilde het omhoog en wierp het van boven op de stenen van het erf te pletter. Binnen in het huis klonk een zware slag: de reus was omgevallen om nu niet meer op te staan. Het eerste werk van de held was nu, om de slachtoffers van het monster te bevrijden; hij vond ze in de schuur hangen, op een rijtje, boven het vuur gerookt en gereed om door het monster opgegeten te worden. Maar weer gaf het meisje hem raad: hij moest de bezoarsteen nemen en daarmee de doden bestrijken, dan zouden zij weer levend worden. En zo gebeurde het inderdaad.

Lange tijd bleef onze knaap nog in het dorp van de menseneter, maar toen werd de zucht naar avonturen hem te machtig. Voor het afscheid vertelde het meisje hem, dat er nog negen zulke menseneters waren en dat er in het tiende dorp menseneters woonden met negen hoofden. In plaats van dat het hem afschrikte om daarheen te gaan, was hij vastbesloten deze allemaal te gaan bestrijden. Hij nam zijn blaaspijp en zijn bezoarsteen mee en kwam na een tijdje in een tweede dorp van menseneters, waar hij eenzelfde avontuur beleefde. Weer schoot hij de reus met zijn blaaspijp, maar het hielp weer niet genoeg: de reus stond weer op en strompelde naar zijn woning terug. Hier hoorde de held ook van een meisje, dat ook dit monster opgesloten hield, dat zijn leven gebonden was aan een pot, die met water gevuld was. Zij wees hem de plaats, waar die pot stond en met zijn hiel trapte hij er een groot gat in, zodat het water eruit stroomde en daarmee tegelijk het leven uit het reuzenlichaam wegvloeide.

Dit meisje was nog mooier dan het vorige en hij hield veel van haar. Lange tijd bleef hij bij haar, maar eindelijk verging het hem net als bij het eerste opgesloten meisje, hij kon zijn lust naar avonturen niet bedwingen en trok er op een goede dag weer op uit. En weer kwam hij in een dorp van een reus en weer moest hij vechten, met een monster. Zo ging dat negen maal, totdat hij eindelijk in de woning van de reus met de negen koppen was aangekomen. Dat was een bijzonder vraatzuchtige reus: als hij at verslond hij negen grote potten met voedsel in een hap, want in elk van zijn negen monden ging een heel potvol tegelijk. En als hij pruimde dan had hij nodig een hele tros pinangnoten en een hele sirihstruik en een hele bamboegeleding kalk en een hele bamboegeleding tabak. Zijn speer was een uit de grond getrokken klapperstam en als hij zijn krijgsgeschreeuw aanhief, ging het dorp van zijn vijanden in vlammen op. Toen de zon was ondergegaan, verstopte onze knaap zich onder een rijstschuur. Maar het hielp hem niet; al snel kwam de reus aangestapt, vervaarlijk snuivend en aldoor roepende: "Ik ruik mensenvlees! Ik ruik mensenvlees!" De knaap werd tevoorschijn getrokken en toen hij vertelde dat hij gekomen was om met de reus te vechten, beloofde deze hem deze onder ijselijke dreigementen dat hij de volgende morgen de gelegenheid zou krijgen.

De knaap voelde zich niets op zijn gemak, nu hij dit monster gezien had. Maar zie, terwijl hij daar wakker lag, kwam er een vuurvlieg aanvliegen, die hem vertelde, dat hij het niet handig aangepakt had, want de reus met de negen hoofden was onoverwinnelijk.

"Kan hij dan nooit gedood worden?" vroeg de knaap.

"Jawel," zei de vuurvlieg, "maar dan moet je de steen bezitten, die hem onoverwinnelijk maakt en die steen is een bezoarsteen, die toverkracht bezit."

"Waar is die dan verborgen?"

"Hij ligt op de bodem van een mand, die volgestopt is met allerlei dingen. Ik kan hem daar niet vandaan halen," antwoordde de vuurvlieg.

Maar de knaap wist al genoeg; toen hij onder de rijstschuur een muisje zag rondtippelen, beloofde hij haar een stukje gedroogd klappervlees, wanneer zij voor hem de steen ging halen. De muis knabbelde de mand open, haalde de steen te voorschijn en liep daarmee in haar bek naar de knaap.

Toen de volgende morgen was aangebroken stapte de reus voorwaarts en hief een vervaarlijk krijgsgeschreeuw aan, maar de plaats waar onze knaap zich bevond, ging niet in vlammen op. Weer schreeuwde hij en weer was het vergeefs. Zo ging het vier keer. Daarop schreeuwde de knaap en zie op hetzelfde ogenblik ontstond er een geweldig vuur. Verschrikt riep de reus: "Jij hebt mijn bezoarsteen! Heb jij die steen van mij weggenomen?"

En spottend antwoordde de knaap: "Hoe zou ik die hebben kunnen wegnemen? Kon ik weten waar die steen was?"

Maar de krachten van de reus verminderden snel en hij viel neer op de grond. Voor hij de laatste adem uitblies, zei hij tegen de knaap: "Als ik dood ben, dan moet je mijn middelste hoofd splijten en dan zal je in de hersenen een rond stuk goud vinden. Dat moet je nemen."

Toen het monster dood was, deed de knaap wat hem gezegd was en begroef hij de reus. Hij ging nu naar het huis, waar hij niet minder dan negen opgesloten meisjes vond, die allemaal op zolder gevangen zaten. Hij klom naar de zolder en zag, dat ze alle negen wondermooi waren, maar dat er toch een was, die de allermooiste was van allemaal. Met haar trouwde hij en toen bracht hij acht door de reus gedode jongemannen weer tot leven, die hij daarop aan de acht andere meisjes ten huwelijk gaf. En alle andere slachtoffers van de reus werden weer levend gemaakt. Hij droeg ze op om de landbouw te gaan beoefenen.

Zo leefde hij in dat dorp een hele tijd zeer gelukkig en tevreden. Hij vertelde zijn vrouw, dat hij niet zou rusten, voor hij alle menseneters gedood had. Zij antwoordde hem, dat hij rustig blijven kon, want dat er na de dood van dat negenkoppige monster geen menseneters meer waren. En daarop bleef onze held als vorst van dat dorp er nog lange tijd wonen.


*   *   *

De strijd met de menseneters Samenvatting
Een Indonesisch volkssprookje over een avontuurlijke jongeman. Een weesjongen komt - op zoek naar avonturen - in een dorp waar een mensenetende reus woont. Hij verslaat hem behulp van de raad van een gevangen genomen meisje. In het land blijken nog negen andere reuzen te wonen en de jongeman zet alles op alles om hen ook te verslaan... Lees het verhaal

Toelichting
Een bezoarsteen is een grijs- of blaauwachtig gladde bal, welke zich in de maag van verschillende herkauwers (vooral bij geiten en antilopen) uit haren en draden van planten vormt. Het is een steenvormige verharding waaraan vroeger bijzondere geneeskracht werd toegeschreven.

Het motief van het 'leven veilig opgeborgen in een pot' vinden we ook in verhalen waarin het 'hart buiten het lichaam' wordt bewaard, o.a. in De jakhals en de patrijs, waarin een jakhals niet zijn leven meeneemt als hij tochtjes maakt, maar dat thuis in een kast opgeborgen houdt en in De aap en de krokodil, waarin een aap beweert dat hij zijn hart in een vijgenboom heeft hangen.

Sirih (pruimen) is in Indonesië algemeen gebruikelijk bij begroetingen, feesten en plechtigheden. Een sirihblad wordt bestreken met een laagje gebluste kalk en omwikkeld met een stukje gambir (bladeraftreksel) om een betel- of pinangnoot. Hierop wordt gekauwd en het verkregen speeksel wordt in een schotel uitgespuwd.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Nieuwe Indonesische Sprookjes" samengesteld door Bert Oosterhout. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1993. ISBN: 90-389-01461

Herkomst: Indonesië
Verteltijd: ca. 14 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook